Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201107689/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum 't Harde" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107689/1/R2.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te 't Harde, gemeente Elburg,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te 't Harde, gemeente Elburg,

3. [appellant sub 3], wonend te 't Harde, gemeente Elburg,

4. [appellant sub 4], wonend te 't Harde, gemeente Elburg,

en

de raad van de gemeente Elburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum 't Harde" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2011, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2011, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2011, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2011, beroep ingesteld. [appellant sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 7 september 2011. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 16 september 2011. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben hun beroepschriften nader aangevuld bij brief van 11 februari 2012.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de raad en Stichting UWOON en Assen/Berg Projecten B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2011, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. Pinners, advocaat te Zwolle, en ing. G. Wagenaar en mr. W.G. Balfoort, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de stichting UWOON en Assen/Berg Projecten B.V., eveneens vertegenwoordigd door mr. J.J.M. Pinners voornoemd als partij gehoord.

2. Overwegingen

Toepassing Crisis- en herstelwet

2.1. Vast staat dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing is op het plan. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. In de publicatie van het bestreden besluit is ook vermeld dat de Chw van toepassing is op het plan.

2.1.1. [appellant sub 3] heeft voor het eerst in haar brief van 7 september 2011 een aantal beroepsgronden naar voren gebracht, die betrekking hebben op een maquette van het plan, de woningbehoefte en de m.e.r.-(beoordelings)plicht. Voorts hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 3] gezamenlijk in hun brief van 11 februari 2012 beroepsgronden aangevoerd die zien op het aantal benodigde parkeerplaatsen en het niet verrichten van een akoestisch onderzoek voor hun woningen aan de Sportlaan. Deze beroepsgronden zijn buiten de beroepstermijn ingediend, zodat deze ingevolge artikel 1.6a van de Chw buiten beschouwing dienen te worden gelaten door de Afdeling.

Procedurele aspecten

2.2. [appellant sub 4] betoogt dat met betrekking tot dit plan ten onrechte geen mogelijkheid tot inspraak is geboden.

2.2.1. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

Planbeschrijving

2.3. Het plan voorziet in de herontwikkeling van het bestaande en deels afgebrande winkelcentrum in de dorpskern van 't Harde. Het plan biedt de mogelijkheid tot het verwezenlijken van onder andere winkels, kantoren en maximaal 109 woningen. Tevens is voorzien in de aanleg van verkeersontsluitingen en parkeerplaatsen.

Het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]

Aantasting privacy en woongenot

2.4. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de in het plan voorziene nieuwbouw met drie bouwlagen leidt tot vermindering van hun woongenot door beperking van hun uitzicht en tot een aantasting van hun privacy. Daarbij voeren zij aan dat toekomstige bewoners vanuit de nieuwe appartementen en vanaf de bijbehorende balkons in hun tuin en woning aan de Sportlaan zullen kunnen kijken.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] kunnen derhalve geen aanspraak maken op een blijvend vrij uitzicht.

2.4.2. Ten aanzien van de door hen gestelde aantasting van hun privacy, overweegt de Afdeling dat mede naar aanleiding van de door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ingediende zienswijzen het bouwvlak van dit plandeel is aangepast en daardoor de afstand tussen het desbetreffende bouwvlak en hun woning ongeveer 3,5 meter groter is geworden. De raad heeft in zoverre hun bezwaren met betrekking tot hun privacy onderkend en daarmee rekening gehouden door deels aan die bezwaren tegemoet te komen. Hoewel het realiseren van nieuwe woningen op de gronden die grenzen aan hun perceel nog steeds zal leiden tot enige aantasting van hun privacy, is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een zodanige aantasting van hun privacy dat de raad hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.4.3. Ten aanzien van het gestelde verlies aan uitzicht en vermindering van het woongenot overweegt de Afdeling dat gezien de huidige laagbouw van ongeveer 4 meter hoog op de plaats waar in de toekomst nieuwbouw met een maximale bouwhoogte van 11,5 meter tot 13 meter zal worden gerealiseerd, niet kan worden ontkend dat het plan zal leiden tot enig verlies aan uitzicht in de richting van die nieuwe woningen. Daar tegenover staat dat het bestreden plandeel, dat aan de zijkant van de woning van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gelegen is, het huidige uitzicht vanuit de voorkant en achterkant van hun woning in zuidwestelijke en noordoostelijke richting bijna niet zal veranderen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad deze beperkte aantasting van het uitzicht en vermindering van het woongenot niet onevenredig nadelig hoeven te achten voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B].

Schaduwwerking nieuwbouw

2.5. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de voorziene nieuwbouw zal leiden tot een toename van de schaduwwerking bij hun woning.

2.5.1. Wat betreft de toename van schaduwwerking op het perceel van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] vanwege de toekomstige bebouwing is door FAME Architectuur en Stedenbouw Arnhem B.V. een bezonningsstudie verricht.

Uit deze bezonningsstudie blijkt dat op het perceel van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] meer schaduw zal vallen dan in de bestaande situatie. Uit de bezonningsstudie blijkt dat met name in de ochtenduren van het voor- en najaar meer schaduwwerking ontstaat op het perceel van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]. Deze toename blijft beperkt ten opzichte van de bestaande situatie, omdat een deel van de schaduwwerking wordt veroorzaakt door hun eigen schuur die zich aan de zijde van de toekomstige bebouwing bevindt. In de middag en avond in het voor- en najaar en in de zomerperiode leidt het plan niet tot een noemenswaardige toename van de schaduwwerking.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de toename van schaduwwerking als gevolg van het plan voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan gemoeid zijn. In dit verband heeft de raad bovendien terecht gewezen op de mogelijkheid dat [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] op grond van artikel 6.1 van de Wro een aanvraag om een tegemoetkoming in de planschade kunnen indienen.

Verlegging gevelrooilijn

2.6. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de gevelrooilijn van het plandeel naast hun woning verder naar voren komt te liggen dan in de bestaande situatie het geval is. Omdat ten onrechte de bestaande gevelrooilijn niet is aangehouden leidt het plan volgens hen tot een visuele verkleining van hun woning, vermindering van hun uitzicht en toename van schaduwwerking op hun perceel.

2.6.1. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is de verschuiving van de bestaande gevelrooilijn gebaseerd op de stedenbouwkundige opzet van het nieuwe winkelcentrum, waarbij onder andere pleinvorming en zichtlijnen - onder meer die vanaf de Oldenboschweg - een rol hebben gespeeld. Voor zover dit betoog is ingegeven door de gestelde aantasting van het uitzicht vanuit hun woning en een vermindering van de bezonning van hun perceel, bestaat geen aanleiding om daarover anders te oordelen dan onder 2.4.3 en 2.5.1 is overwogen.

De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verlegging van de bestaande gevelrooilijn met enkele meters anderszins niet aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

Effecten hoogbouw

2.7. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] voeren aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar bepaalde effecten van de voorziene hoogbouw, waarbij zij wijzen op versterking van het verkeersgeluid, effecten op de wind en de afvoer van (uitlaat)gassen.

2.7.1. Gezien de relatief lage maximale bouwhoogtes, variërend van 11 meter tot 16 meter, waarin het plan voorziet in combinatie met de beperkte schaal van de bebouwingsmogelijkheden en de ruime onderlinge afstand tussen de bouwvlakken, hebben [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet aannemelijk gemaakt dat het plan zal leiden tot zodanige effecten op de wind, het verkeersgeluid of de afvoer van (uitlaat)gassen dat de raad daarom niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen.

Toegangspad appartementen

2.8. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] voeren aan dat naast hun woning is voorzien in een toegangspad voor de nieuw te bouwen woningen boven de winkelruimtes en dat dit toegangspad een verdere aantasting van hun privacy betekent. Volgens hen is dit toegangspad niet noodzakelijk, omdat de toegang tot deze woningen ook aan de andere zijde van dit plandeel kan worden gerealiseerd.

2.8.1. Ter zitting is namens de raad meegedeeld dat een smalle strook grond in het plangebied tussen een van de bouwvlakken voor het nieuwe winkelcentrum en het perceel van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet zal worden bebouwd, omdat het toekomstige pand vanaf de achterzijde moet kunnen worden bereikt. Daargelaten de vraag of een dergelijk toegangspad noodzakelijk is, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet inzichtelijk hebben gemaakt waarom de gestelde aantasting van hun privacy niet kan worden voorkomen door het plaatsen van een erfafscheiding, voor zover de bestaande muur op hun perceelsgrens niet afdoende is.

Het beroep van [appellant sub 4] voor het overige

Privacy, woongenot en schaduwwerking

2.9. [appellant sub 4] betoogt dat de in het plan voorziene nieuwbouw met drie bouwlagen leidt tot vermindering van zijn woongenot door beperking van zijn uitzicht. Daarnaast tast het zijn privacy aan en zal het plan leiden tot schaduwwerking bij zijn woning aan de Eperweg. Ter onderbouwing van dit betoog heeft hij een situatieschets overgelegd met betrekking tot de schaduwwerking op zijn woning uitgaande van de maximale bouwhoogte die het plan toestaat.

2.9.1. Gelet op hetgeen onder 2.4.1 is overwogen kan ook [appellant sub 4] geen aanspraak maken op een blijvend vrij uitzicht. Door het realiseren van hogere bebouwing ten opzichte van de bestaande situatie zal het plan voor hem leiden tot enig verlies aan uitzicht in de richting van die nieuwe woningen. Daarentegen is het bestreden plandeel op een afstand van ongeveer 11 meter van de zijkant van zijn woning gelegen. Hierdoor blijft het huidige uitzicht vanuit de voorkant en achterkant van zijn woning in zuidwestelijke en noordoostelijke richting bijna onveranderd.

Ten aanzien van de gestelde aantasting van zijn privacy, overweegt de Afdeling dat het realiseren van nieuwe woningen op de gronden die grenzen aan zijn perceel zal leiden tot enige aantasting van zijn privacy, maar dat de raad in zoverre met zijn privacy rekening heeft gehouden omdat deels aan dit bezwaar tegemoet is gekomen door mede naar aanleiding van zijn zienswijze het bouwvlak van dit plandeel aan te passen.

Wat betreft de toename van schaduwwerking op het perceel van [appellant sub 4] is door FAME Architectuur en Stedenbouw Arnhem B.V. een bezonningsstudie verricht. Hieruit blijkt dat op het perceel van [appellant sub 4] weliswaar meer schaduw zal vallen dan in de bestaande situatie, maar dat in het voor- en najaar alsmede in de zomerperiode nog steeds gedurende het grootste deel van de dag zowel zijn woning als het merendeel van zijn tuin in de zon blijft liggen.

Gezien het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een zodanige aantasting van zijn privacy, uitzicht of de bezonning van zijn perceel dat de raad hieraan in redelijkheid een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die bij het plan zijn betrokken.

Alternatieven

2.10. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 4] dat diverse bouwkundige alternatieven bestaan voor de invulling van het aangrenzende plandeel die zijn woongenot minder zullen aantasten, overweegt de Afdeling als volgt.

Nu niet is gebleken dat de maximale bouwhoogte waarin het plandeel voorziet dat grenst aan het perceel van [appellant sub 4] niet aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, is de concrete invulling van deze bebouwingsmogelijkheden een kwestie van uitvoering, welke invulling niet aan de orde kan worden gesteld in een bestemmingsplanprocedure.

Effecten hoogbouw

2.11. Voor zover [appellant sub 4] aanvoert dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar bepaalde effecten van de voorziene hoogbouw, wijst de Afdeling op hetgeen hiervoor onder 2.7.1 is overwogen.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 4] dat de geluidsbelasting in de bestaande situatie reeds boven de toegestane grenswaarden van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) ligt, overweegt de Afdeling dat blijkens de stukken ten behoeve van een aantal woningen binnen het plangebied op 31 mei 2011 door het college van burgemeester en wethouders van Elburg krachtens artikel 83 van de Wgh een besluit inzake vaststelling van hogere grenswaarden is genomen en dat dit besluit onherroepelijk is. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd zou zijn met de Wgh.

Beperking bouwmogelijkheden

2.12. Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat als gevolg van het plan zijn eigen bouwmogelijkheden worden beperkt, overweegt de Afdeling dat blijkens de verbeelding het perceel van [appellant sub 4] niet binnen het plangebied ligt en derhalve geen onderdeel uitmaakt van het voorliggende plan. De Afdeling kan [appellant sub 4] dan ook niet volgen in zijn betoog dat zijn bouwmogelijkheden door het plan zouden worden beperkt en mist dit feitelijke grondslag.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3]

Privacy, woongenot en schaduwwerking

2.13. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat de in het plan voorziene nieuwbouw leidt tot vermindering van hun woongenot door beperking van hun uitzicht, tot aantasting van hun privacy en dat schaduwwerking bij hun woningen aan de Sportlaan zal ontstaan.

2.13.1. Gelet op hetgeen onder 2.4.1 is overwogen kunnen ook [appellant sub 1] en [appellant sub 3] geen aanspraak maken op een blijvend vrij uitzicht.

Gezien de maximale bouwhoogte van 11,5 meter die het plan toestaat voor de nieuwbouw tegenover hun woningen in relatie tot de afstand van ongeveer 15 meter tussen deze nieuwbouw en hun woningen, hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene nieuwbouw zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun privacy of verlies aan uitzicht dan wel dat zij een noemenswaardige toename van schaduwwerking zullen ondervinden. Hierbij is eveneens van belang dat hun achtertuin ten opzichte van het plangebied aan de andere zijde van hun woning ligt en dat op de locatie in het plangebied tegenover hun woningen waar nieuwbouw is voorzien in de bestaande situatie reeds woningen staan op een afstand van minder dan 10 meter. Dat die bestaande woningen - die zullen worden gesloopt - lager zijn dan de beoogde nieuwbouw maakt dat niet anders, gezien het feit dat die bestaande woningen dichterbij staan.

Toename verkeer en verkeersveiligheid

2.14. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat het plan zal leiden tot een toename van het verkeer op de Sportlaan door de uitbreiding van de vloeroppervlakte van de winkels in het centrum van 4.000 m2 naar 6.000 m2 en door de bouw van 109 nieuwe woningen. Deze verkeerstoename op de Sportlaan zal volgens hen leiden tot een verkeersonveilige situatie, omdat geen snelheidsbeperkende maatregelen voor het verkeer op de Sportlaan zijn opgenomen in het plan en omdat als gevolg van het plan zij niet langer hun auto voor hun woning kunnen parkeren, maar voortaan de drukker geworden Sportlaan zullen moeten oversteken naar het beoogde nieuwe parkeerterrein in het plangebied.

2.14.1. Niet in geschil is dat het plan voorziet in een vloeroppervlakte van ongeveer 6.000 m2 voor commerciële ruimten. Daarvan mag ingevolge artikel 3.2, onder f, van de planregels maximaal 3.200 m2 voor supermarkten worden aangewend. In de bestaande situatie hebben de twee aanwezige supermarkten in het plangebied samen een oppervlakte van ongeveer 1.450 m2 en beslaat het gehele winkelcentrum in de huidige situatie een vloeroppervlakte van ongeveer 6.030 m2.

De eventuele uitbreiding van de bestaande supermarkten in het plangebied leidt derhalve niet tot een toename van het totale vloeroppervlak van het winkelcentrum. Blijkens het geluidsonderzoek van 22 maart 2011 dat aan het plan ten grondslag is gelegd, zal het plan wel leiden tot een toename van verkeer op de Sportlaan. Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen, betekent het enkele feit dat het plan zorgt voor een verkeerstoename niet dat reeds hierom een verkeersonveilige situatie zal ontstaan en dat het plan daarom in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht.

[appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan zal leiden tot een dusdanige toename van het aantal bezoekers van het winkelcentrum dat de hierdoor verwachte verkeerstoename op de Sportlaan een verkeersonveilige situatie zal veroorzaken. In dit verband is van belang dat dit deel van de Sportlaan is aangewezen als een 30 km-zone en dat niet in geschil is dat de Sportlaan voldoende capaciteit heeft voor de verwachte verkeerstoename. Ook is door [appellant sub 1] en [appellant sub 3] niet weersproken dat vrachtverkeer voor het toekomstige winkelcentrum - gezien de bevoorradingsroutes - niet hoeft te keren of achteruit hoeft te rijden op de Sportlaan, wat ook inzichtelijk is gemaakt in paragraaf 4.4 van de plantoelichting. Verder ziet de Afdeling geen aanleiding om de raad niet te volgen in het standpunt dat het aanleggen van een tweetal nieuwe in- en uitritten van het toekomstige parkeerterrein naar de Sportlaan zal zorgen voor een verdere matiging van de verkeerssnelheid op deze laan.

2.14.2. Wat betreft de eventuele verplaatsing van de bestaande parkeerplaatsen aan de Sportlaan die voor de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] liggen, stelt de Afdeling vast dat deze gronden buiten het plangebied liggen en dat de daarmee gepaard gaande verandering van de verkeerssituatie ter plaatse derhalve niet mogelijk wordt gemaakt door dit plan. Los van het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het oversteken van de Sportlaan, gezien de toegestane maximumsnelheid en de verkeerssituatie ter plaatse, vanwege de verkeerstoename door dit plan uit een oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbaar zal worden.

2.14.3. Met betrekking tot het treffen van snelheidsbeperkende maatregelen op de Sportlaan, is van belang dat blijkens de verbeelding het deel van de Sportlaan langs de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] buiten het plangebied ligt. Nu dit deel van de Sportlaan geen onderdeel uitmaakt van het plangebied, kan het voorliggende plan ook niet voorzien in snelheidsbeperkende verkeersmaatregelen op dit deel van de Sportlaan. Bovendien zou het treffen van verkeersmaatregelen een kwestie van uitvoering zijn, die in een bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kan worden gesteld. Overigens is dit deel van de Sportlaan aangewezen als een aanrijroute voor hulpdiensten zoals de brandweer en ambulances, zodat het aanleggen van snelheidsbeperkende maatregelen zoals drempels op dit deel van deze laan niet mogelijk is.

Voor zover volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 3] op de Sportlaan een verkeersonveilige situatie ontstaat door overschrijding van de toegestane maximumsnelheid door autoverkeer, wat daarvan ook zij, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving is en dat dit evenmin aan de orde kan worden gesteld in de onderhavige procedure.

Inpandige laad- en losplaats

2.15. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat zij overlast zullen ondervinden van de vrachtwagens die de supermarkt zullen bevoorraden, omdat de inrit naar de inpandige laad- en losplaats tegenover hun woningen zal worden aangelegd.

2.15.1. Niet in geschil is dat het plan het realiseren van een inpandige laad- en losplaats tegenover de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] toestaat en dat die ook zal worden verwezenlijkt. Wat betreft de vrees van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] voor overlast als gevolg van deze inpandige laad- en losplaats, overweegt de Afdeling dat zij niet hebben weersproken dat de vrachtwagens vanaf de Sportlaan zonder keren of achteruitrijden de inpandige laad- en losplaats zullen kunnen inrijden. Gezien het voorgaande en de omstandigheid dat het laden en lossen inpandig zal geschieden, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot onevenredige overlast door remmende en optrekkende vrachtwagens, draaiende koelmotoren of in hun woningen schijnende koplampen.

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 3] aanvoeren dat tot op heden de bevoorradingstijden niet zijn vastgesteld, overweegt de Afdeling dat dit niet in de planregels van een bestemmingsplan kan worden vastgelegd.

Schadevergoeding

2.16. [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] voeren aan dat het plan leidt tot een waardevermindering van hun woningen en dat de raad deze schade dient te vergoeden.

2.16.1. Wat betreft de nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4], bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die eventuele waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] opmerken dat het gemeentebestuur eventueel hun woningen kan kopen, overweegt de Afdeling dat de noodzaak tot het sluiten van een dergelijke privaatrechtelijke overeenkomst en de inhoud daarvan in een bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kan worden gesteld.

Conclusie

2.17. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Vreugdenhil

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

571.