Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0786

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201102040/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2010, heeft het college het wijzigingsplan "Groot Mijdrechtstraat 34-36" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2012/5603

Uitspraak

201102040/1/R2.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), gevestigd respectievelijk wonend te Mijdrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2010, heeft het college het wijzigingsplan "Groot Mijdrechtstraat 34-36" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 februari 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door [appellant B] en bijgestaan door mr. Y. Soffner, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door N.J.M. Röling en mr. drs. W.J. Vonk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Verder is als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door ing. R. Braams, bijgestaan door mr. J. de Haas, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.1. Het college heeft de belanghebbendheid als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van [appellant] betwist en betoogt dat zij niet in haar beroep kan worden ontvangen.

2.1.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. [appellant] is gevestigd op het bedrijventerrein Mijdrecht en Vinkeveen, op ongeveer 80 meter afstand van het plangebied, schuin aan de overzijde van de weg. Verder bestaat vanaf het perceel van [appellant] zicht op het plangebied. Gelet hierop, kan een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang worden aangenomen en kan [appellant] worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit.

Het plan

2.2. Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 4, lid 4.15, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Mijdrecht en Vinkeveen" (hierna: het bestemmingsplan). In het wijzigingsplan is de aanduiding "bedrijfswoning" voor het perceel Groot Mijdrechtstraat 34-36 te Mijdrecht (hierna: de bedrijfswoning) vervallen.

Ten aanzien van het beroep inhoudelijk

2.3. [appellant] stelt dat niet is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan. Zij betwist dat het gebruik van de bedrijfswoning feitelijk en duurzaam is beëindigd. Ook de raad heeft dit standpunt ingenomen en heeft derhalve geweigerd een voorbereidingsbesluit te nemen, aldus [appellant].

[appellant] wijst erop dat de woning ten tijde van de vaststelling van het plan ook als bedrijfswoning is aangemerkt.

[appellant] betoogt dat het college een onjuiste uitleg van de wijzigingsvoorwaarden geeft. In dit kader wijst zij erop dat het hebben van een privé-huishoudelijk leven niet is vereist om te kunnen concluderen dat de woning feitelijk als bedrijfswoning in gebruik is. Dat de woning tussen 2008 en 2010 niet permanent werd bewoond maakt volgens [appellant] evenmin dat het feitelijk gebruik van de bedrijfswoning is beëindigd.

Voorts stelt zij dat het bedrijfspand met bedrijfswoning is verhuurd in de jaren 2008 tot en met 2010 en dat de bedrijfswoning ook als zodanig werd gebruikt. Dit blijkt volgens [appellant] ook uit een rapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB), dat in verband met een andere gerechtelijke procedure van [appellant] is opgesteld.

Verder stelt [appellant] dat de intentie om de bedrijfswoning permanent te gaan bewonen, anders dan het college stelt, essentieel is voor de vraag of al dan niet sprake is van een feitelijke en duurzame beëindiging van het gebruik. [appellant] wijst erop dat het bedrijfspand met de bedrijfswoning per 1 januari 2011 aan een andere huurder wordt verhuurd. Verder stelt [appellant] dat onvoldoende overleg heeft plaatsgevonden met [appellant B], de eigenaar van de bedrijfswoning.

Ook betoogt [appellant] dat sprake is van ondeugdelijk onderzoek door het college. Zo is de in opdracht van het college uitgevoerde inspectie ondeugdelijk en zijn de bevindingen van de Milieudienst en de Brandweer ten onrechte in het bestreden besluit aangehaald.

[appellant] betoogt verder dat de noodzaak voor het laten vervallen van de aanduiding 'bedrijfswoning' ontbreekt. Volgens [appellant] is het laten vervallen van de aanduiding slechts ingegeven door het belang van de vestiging van [belanghebbende], dat zich op het tegenovergelegen perceel wil gaan vestigen, hetgeen door de bedrijfswoning niet mogelijk is. Voorts betoogt [appellant] dat het wegbestemmen van de bedrijfswoning niet bijdraagt aan het gemeentelijk beleid dat is gericht op revitalisering van het bedrijventerrein.

Tenslotte last [appellant] haar zienswijze in.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de term duurzaam dient te worden uitgelegd als een periode van anderhalf jaar en dat een feitelijke inrichting als woning niet voldoende is om te concluderen dat sprake is van daadwerkelijke bewoning. Het college betoogt dat al enkele jaren geen sprake is van feitelijk gebruik van de woning als bedrijfswoning. Het college verwijst in dit kader naar gegevens uit de Gemeentelijke Basis Administratie (hierna: GBA) en naar verklaringen van de voormalige huurder Marma Holding B.V.. De bij het StAB-rapport gevoegde foto's leveren volgens het college ook geen overtuigend bewijs, nu dit foto's van het interieur van een andere bedrijfswoning betreft, aldus het college.

Ten aanzien van de noodzaak voor het laten vervallen van de aanduiding 'bedrijfswoning', stelt het college zich op het standpunt dat de aanwezigheid van bedrijfswoningen belemmeringen kan opleveren voor de uitoefening van bedrijfsactiviteiten op percelen in de directe omgeving, onder andere vanwege geluid. In het bestemmingsplan is daarom nadrukkelijk het voornemen vastgelegd om het aantal bestaande bedrijfswoningen op termijn via natuurlijk verloop te doen afnemen.

2.3.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

2.3.3. Ingevolge artikel 1, lid 1.1, aanhef en onder k, van de planregels van het bestemmingsplan wordt onder bedrijfswoning verstaan:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts is bedoeld voor de huisvesting van het huishouden van een persoon, wiens huishouding daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, in relatie staat tot deze bestemming.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder d, van de planregels van het bestemmingsplan zijn de voor 'Bedrijf - 1' aangewezen gronden bestemd voor:

d. een bestaande bedrijfswoning, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'.

Ingevolge dit artikel, lid 4.15, aanhef en onder a, zijn burgemeester en wethouders overeenkomstig artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen voor wat betreft het laten vervallen van de aanduidingen die zijn genoemd in lid 4.1, onder b, c, d, e en f, indien de aangeduide functies feitelijk en duurzaam zijn beëindigd.

2.3.4. In de plantoelichting van het wijzigingsplan is vermeld dat duurzaam in de zin van artikel 4.15, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan dient te worden gelezen als 'voor een langere periode, zonder zicht op voortzetting van het gestaakte gebruik'. In vaste jurisprudentie wordt volgens de plantoelichting een termijn gehanteerd van 1,5 jaar voor feitelijke en duurzame beëindiging, aldus de plantoelichting van het wijzigingsplan en de nota van zienswijzen zoals die bij het bestemmingsplan is gevoegd. In voornoemde nota, zoals gevoegd bij het bestemmingsplan, is verder opgenomen dat het verwijderen van de nadere aanduiding "bedrijfswoning" altijd in overleg met belanghebbende(n) zal gebeuren.

2.3.5. Daargelaten in hoeverre het gebruik van de bedrijfswoning ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op 21 december 2010 feitelijk was beëindigd, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is geworden dat het gebruik van de bedrijfswoning ten tijde van het nemen van het bestreden besluit duurzaam was beëindigd. Volgens de plantoelichting is voor duurzame beëindiging mede bepalend dat geen zicht op voortzetting van het gebruik bestaat. In de zienswijze van [appellant], daterend van 12 november 2010, is vermeld dat de bedrijfswoning per 1 januari 2011 is verhuurd aan Y. Maijer B.V. Het college was er daardoor ten tijde van het nemen van het betreden besluit van op de hoogte dat de woning verhuurd zou worden en dat sprake was van zicht op voortzetting.

Verder is niet gebleken van het, volgens de nota van zienswijzen van het bestemmingsplan bij duurzame beëindiging gewenste, overleg met belanghebbenden. Weliswaar heeft in oktober 2010 een gesprek tussen [appellant B] en de wethouder plaatsgevonden, maar ter zitting is door [appellant B] gesteld en door het college bevestigd dat tijdens dat gesprek veeleer sprake was van een aankondiging van het voornemen tot wijziging, dan van overleg.

Nu gelet op het voorgaande ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet aan de wijzigingsvoorwaarden was voldaan, had geen toepassing mogen worden gegeven aan artikel 4, lid 4.15, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan.

2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro gelezen in samenhang met artikel 4, lid 4.15, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven verder geen bespreking.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen van 21 december 2010, waarbij het wijzigingsplan "Groot Mijdrechtstraat 34-36" is vastgesteld;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen tot vergoeding van bij [appellante A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen aan [appellante A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Tuit

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

425-704.