Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0783

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201107810/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ9252, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2009 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan stichting Stichting De Seyster Veste ten behoeve van de realisering van het project "De Buurtschap" te Zeist ontheffing verleend van het verbod op het beschadigen, vernielen of verstoren van nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de eekhoorn, de bosuil, de grote bonte specht en de kleine bonte specht.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 11
Flora- en faunawet 75
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/536
NJB 2012/1332
Milieurecht Totaal 2012/6094
Milieurecht Totaal 2012/5726

Uitspraak

201107810/1/A1.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de stichting Stichting Milieuzorg Zeist en omstreken, gevestigd te Zeist (hierna: SMZ),

2. de stichting Stichting Behoud Sanatoriumbos Zeist, gevestigd te Zeist (hierna: SBSZ),

3. de vereniging Vereniging Bewoners Belangen Dichterbij, voorheen de Vereniging Belangen Overleg Groep Dichterswijck, gevestigd te Zeist (hierna: de Vereniging),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 juni 2011 in zaken nrs. 10/712 e.v. in de gedingen tussen:

SMZ,

SBSZ,

de Vereniging,

bewoners Patijnlaan/Sanatoriumlaan e.o.

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Zeist,

2. de raad van de gemeente Zeist,

3. de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2009 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan stichting Stichting De Seyster Veste ten behoeve van de realisering van het project "De Buurtschap" te Zeist ontheffing verleend van het verbod op het beschadigen, vernielen of verstoren van nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de eekhoorn, de bosuil, de grote bonte specht en de kleine bonte specht.

Bij onderscheiden besluiten van 23 juni 2009 heeft het college aan De Seyster Veste en stichting Stichting Reinaerde vrijstelling van het bestemmingsplan en een monumentenvergunning verleend ten behoeve van de realisering van het project "De Buurtschap".

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft de raad van de gemeente Zeist een deel van de Thorbeckelaan te Zeist onttrokken aan het openbaar verkeer.

Bij uitspraak van 3 februari 2010 in zaak nr. 200905501/1/H1 heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard om van de daartegen ingestelde beroepen kennis te nemen.

Bij mondelinge uitspraak van 16 juni 2011, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 21 juni 2011, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door SMZ, SBSZ en de Vereniging daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben SMZ bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2011, SBSZ bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2011, en de Vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben De Seyster Veste en Reinaerde een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Vereniging en SBSZ hebben nog nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd met het beroep in zaak nr. 201003407/1/R2 behandeld op 29 november 2011, waar SMZ, vertegenwoordigd door [gemachtigde], SBSZ, vertegenwoordigd door mr E.D.B. Groeneweg en [gemachtigde], de Vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigden], het college en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. H. van Veldhuizen, mr. G.A.J. Pongers en D. van Vulpen, werkzaam bij de gemeente en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.M. van der Hofstede-de Jong, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen. Voorts zijn daar De Seyster Veste en Reinaerde, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. De besluiten van 22 en 23 juni 2009 zijn genomen ten behoeve van de realisering van het project "De Buurtschap". Het project voorziet in de oprichting van een buurtschap bestaande uit 107 woningen en 17 zorgwoningen in een gedeelte van het Sanatoriumbos, grenzend aan de Schermerslaan en de Thorbeckelaan te Zeist.

2.2. De voorbereiding en de bekendmaking van voormelde besluiten zijn met toepassing van artikel 41c, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) gecoördineerd. Bij besluit van 10 juli 2007, dat is gewijzigd op 15 juli 2008, heeft de gemeenteraad hiertoe besloten. Na inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) op 1 juli 2008 wordt ingevolge artikel 9.1.16, eerste lid, van de Invoeringswet Wro een besluit tot toepassing van artikel 41c van de WRO gelijk gesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3.30 van de Wro.

2.3. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt de verlening van de vrijstelling geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kunnen bij besluit van de gemeenteraad gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd.

Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, worden, indien toepassing is gegeven aan artikel 3.30, eerste lid, onder a, de daarbedoelde besluiten voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb als één besluit aangemerkt.

2.4. De rechtbank heeft de ingestelde beroepen tegen het besluit waarbij krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling is verleend van het ten tijde van dit besluit ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zeist-Noord" niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vrijstelling uitsluitend ziet op bouwvergunningplichtige activiteiten en ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet eerst in het kader van de hiervoor verleende bouwvergunning rechtsmiddelen tegen het vrijstellingsbesluit kunnen worden aangewend. De rechtbank heeft voorts overwogen dat dit oordeel, gelet op het bepaalde in artikel 8.3 van de Wro, tot de conclusie leidt dat de beroepen, voor zover deze zien op de andere tot de coördinatieregeling behorende besluiten, het lot volgen van het beroep tegen het vrijstellingsbesluit en derhalve eveneens niet-ontvankelijk zijn.

2.5. SMZ, SBSZ en de Vereniging betogen dat de rechtbank de ingestelde beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet niet van toepassing is, nu het vrijstellingsbesluit gecoördineerd is voorbereid met drie wel appellabele besluiten. SMZ en de Vereniging hebben voorts aangevoerd dat het vrijstellingsbesluit het karakter heeft van een postzegelbestemmingsplan, dat niet louter betrekking heeft op bouwvergunningplichtige activiteiten, maar ook op het kappen van bomen en het bouwrijp maken van de gronden, en artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet ook om die reden niet van toepassing is. SMZ, SBSZ en de Vereniging hebben verder aangevoerd dat niet-ontvankelijkverklaring van de tegen het vrijstellingbesluit ingestelde beroepen niet in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de ingestelde beroepen tegen de overige drie besluiten. Zij wijzen er in dit verband op dat aan alle procedurele vereisten voor het instellen van beroep tegen deze drie op zelfstandig rechtsgevolg gerichte besluiten is voldaan en het oordeel van de rechtbank tot gevolg heeft dat deze besluiten onherroepelijk zullen worden zonder dat belanghebbenden de mogelijkheid hebben gehad hiertegen op te komen.

2.5.1. Bij besluit van 16 februari 2010 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan "Buurtschap" vastgesteld. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 201003407/1/R2, heeft de Afdeling de tegen dat vaststellingsbesluit ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Het bestemmingsplan is daarmee onherroepelijk geworden. Thans kan het project, waarop de verleende vrijstelling betrekking heeft, zonder vrijstelling worden gerealiseerd, indien dit niet in strijd is met dat bestemmingsplan. Niet betwist is dat van zodanige strijd geen sprake is. SMZ, SBSZ en de Vereniging hebben derhalve geen belang meer bij een oordeel van de Afdeling over de door hen aangevoerde beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de beroepen tegen het vrijstellingsbesluit van 23 juni 2009 niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan voor SMZ een belang kan worden aangenomen bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak, voor zover die ziet op de verleende vrijstelling, moet worden geoordeeld dat het procesbelang bij beoordeling van de aangevallen uitspraak, voor zover die ziet op de verleende vrijstelling, voor SMZ is vervallen. Voor SBSZ en de Vereniging wordt evenwel in zoverre uitsluitend nog procesbelang aangenomen, voor zover zij in hoger beroep tevens de beslissing van de rechtbank over de proceskosten en griffierechten bestrijden.

2.5.2. Vorenstaande laat onverlet dat de Afdeling zich voor de vraag ziet gesteld of de rechtbank aan de niet-ontvankelijkverklaring van de tegen het vrijstellingsbesluit ingestelde beroepen terecht de gevolgtrekking heeft verbonden dat de door SMZ, SBSZ en de Vereniging ingestelde beroepen tegen de ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw), de monumentenvergunning en het besluit tot onttrekking van de weg aan het openbaar verkeer, eveneens niet-ontvankelijk zijn.

2.5.3. De in de Wro opgenomen gemeentelijke coördinatieregeling heeft tot doel om de procedures rondom de voor de verwezenlijking van ruimtelijk beleid benodigde vergunningverlening te stroomlijnen. De omstandigheid dat de met toepassing van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro gecoördineerde besluiten ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro voor de mogelijkheid van beroep worden aangemerkt als één besluit, neemt niet weg dat de rechter de beroepen tegen de betreffende besluiten ieder binnen zijn eigen beoordelingskader dient te beoordelen. Nu artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro een in het bijzonder procedurele bepaling bevat om het instellen van beroep te coördineren, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de niet-ontvankelijkheid van de beroepen tegen het vrijstellingsbesluit tot gevolg heeft dat ook de beroepen tegen de overige in de coördinatie betrokken besluiten om die reden niet-ontvankelijk moeten worden geacht. Het betoog slaagt.

2.6. SBSZ en de Vereniging betogen tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om vergoeding van de gemaakte proceskosten en betaalde griffierechten heeft afgewezen. De beslissing van de rechtbank om bij een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep over te gaan tot een proceskostenveroordeling ten laste van het college dan wel het college op te dragen de betaalde griffierechten te vergoeden betreft de aanwending van een bevoegdheid, waarbij de rechtbank beoordelingsvrijheid heeft. De Afdeling is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de rechtbank niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van honorering van voormelde verzoeken.

2.7. Nu de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan de bespreking van de SMZ, SBSZ en de Vereniging in beroep aangevoerde gronden, zal de Afdeling uit een oogpunt van finale geschilbeslechting deze gronden alsnog beoordelen.

Ten aanzien van de monumentenvergunning

2.8. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Monumentenverordening is het verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge het tweede lid is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders of in strijd met bij een zodanige vergunning gestelde voorschriften:

a. een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, vragen burgemeester en wethouders advies aan de monumentencommissie voordat zij beslissen op de aanvraag.

2.9. Het Sanatoriumbos, waarin het project "De Buurtschap" wordt gerealiseerd, staat vanwege de parkinrichting en het karakteristieke historische padenpatroon ervan op de gemeentelijke Monumentenlijst vermeld en is daarop aangeduid als "Gebied categorie 2". Om de realisering van dat project mogelijk te maken, heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Monumentenverordening verleend.

2.10. SMZ en SBSZ betogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de monumentenvergunning heeft verleend. Volgens hen leidt realisatie van het project "De Buurtschap" tot een onevenredige aantasting van de monumentale waarde van het Sanatoriumbos, met name wat het karakteristieke historische padenpatroon en het eikenstrubbenbos betreft, zodat het college die vergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

2.10.1. Het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Monumentenverordening is een discretionaire bevoegdheid van het college. Het college dient bij de beslissing op de aanvraag om een monumentenvergunning voor een project als het onderhavige het belang bij realisering van het project af te wegen tegen het belang bij het behoud van de monumentale waarden van het Sanatoriumbos, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de monumentenvergunning te verlenen heeft kunnen komen.

2.10.2. Aan de monumentenvergunning heeft het college een advies van de Monumentencommissie Zeist van 28 mei 2008 ten grondslag gelegd. Die commissie heeft in hoofdlijnen ingestemd met het stedenbouwkundige plan. Voorts heeft het college ter nadere onderbouwing van het besluit verwezen naar de zienswijzennota. Daarin wordt er onder meer op gewezen dat de ontwikkeling van "De Buurtschap" niet een op zichzelf staand besluit is, maar onderdeel uitmaakt van een brede afweging, waarin vele belangen zijn afgewogen. Uiteen wordt gezet dat het project een uitwerking betreft van het Programma Hart van de Heuvelrug, dat moet leiden tot een kwaliteitsverbetering op de totale Utrechtse Heuvelrug. De realisering van "De Buurtschap" is gekoppeld aan de ontmanteling van de zorginstelling Dennendal in Den Dolder-Noord. Binnen dit clusterproject zal de bestaande bebouwing verdwijnen ten behoeve van natuurontwikkeling. Volgens de zienswijzennota is dit "groene" project gekoppeld aan twee "rode" projecten, te weten de realisering van (zorg)woningen aan de Amersfoortseweg en de realisering van (zorg)woningen ter plaatse van de gronden waarop "De Buurtschap" wordt voorzien en de uitplaatsing van 60 bewoners van Dennendal naar een nader te bepalen locatie. Het college erkent dat het project zal leiden tot een aantasting van het Sanatoriumbos, maar wijst erop dat het project slechts betrekking heeft op een gering deel van de oppervlakte van dat bos en, in samenhang met de andere voorziene ontwikkelingen, zal leiden tot een kwaliteitsverbetering van de Utrechtse Heuvelrug.

Ter zitting heeft het college in dit verband voorts toegelicht dat de monumentale waarde van het Sanatoriumbos in het bijzonder wordt gevormd door de kern en de noordzijde van het Sanatoriumbos en minder door de Zuidzijde, waar het project is voorzien. Voorts is van de zijde van het college ter zitting vermeld dat het bospadenpatroon weliswaar niet geheel kan worden behouden en het Coniferenlaantje zal verdwijnen, maar dat de tevens van het padenpatroon deel uitmakende Beukenlaan wel wordt behouden en dat het bij de afweging heeft betrokken dat de coniferen ter plaatse van het Coniferenlaantje in het uitgevoerde bomenonderzoek als minder waardevol zijn aangemerkt. Ten slotte heeft het college van belang geacht dat een wijziging van gemeentelijk beleid in voorbereiding is op grond waarvan de monumentale structuur van het deel van het Sanatoriumbos, waarop het project "De Buurtschap" is voorzien, zal komen te vervallen.

2.10.3. SMZ heeft niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de Monumentencommissie wat inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college zich daarop niet heeft mogen baseren en derhalve geen grond bestaat voor het oordeel dat aan het aanwezige padenpatroon en eikenstrubbenbos een zodanige waarde moet worden toegekend, dat iedere aantasting daarvan niet aanvaardbaar is. Gelet hierop en de in 2.10.2 weergegeven motivering van het college, moet worden geoordeeld dat het college na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gebaat bij de verlening van de monumentenvergunning ten behoeve van het project "De Buurtschap" dan aan de belangen die zijn gebaat bij de instandhouding van het Sanatoriumbos. Voor het oordeel dat het college het besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet heeft voorzien van een deugdelijke motivering, bestaat geen grond. Het betoog faalt.

2.11. De beroepen van SMZ en SBSZ zijn, voor zover gericht tegen de monumentenvergunning, ongegrond.

Ten aanzien van de ontheffing

2.12. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Voor beantwoording van de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 75, derde lid, voor zover thans van belang, kan de minister ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens artikel 11.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, worden ontheffingen slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, wordt voor soorten genoemd in bijlage IV van de richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206), voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten zijn als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde (lees: zesde) lid, onderdeel c, van de wet aangewezen de bescherming van flora en fauna.

2.13. Ten behoeve van het project "De Buurtschap" heeft de minister ontheffing verleend van de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw voor zover dit betreft het beschadigen, vernielen of verstoren van nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de eekhoorn, de bosuil, de grote bonte specht en de kleine bonte specht. Deze ontheffing geldt voor de periode van 1 november 2009 tot en met 1 november 2013. De minister heeft zich hierbij mede gebaseerd op de door Bureau Waardenburg B.V. opgestelde rapporten "Natuurwaarden Sanatoriumterrein te Zeist" van 29 augustus 2005 en "Ecologisch onderzoek Buurtschap Sanatoriumbos, Zeist" van 17 februari 2006.

2.14. Het door de staatssecretaris ingenomen standpunt dat SMZ en SBSZ niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij de ontheffing ingevolge de Ffw, omdat de statutaire doelstelling van beide stichtingen onvoldoende onderscheidend is nu deze geen betrekking heeft op de in de ontheffing genoemde diersoorten, volgt de Afdeling niet. Zoals de Afdeling heeft overwegen bij tussenuitspraak van 15 februari 2012 in zaak nr. 201104545/1/T1/A3 wordt voor de belanghebbendheid niet de eis gesteld dat de statuten vermelden dat de rechtspersoon opkomt voor het behoud van de specifieke in de verleende ontheffing genoemde planten en dieren. In het verlengde daarvan mag evenmin de eis worden gesteld dat de feitelijke werkzaamheden betrekking moeten hebben op dan wel voldoende verband moeten houden met de in de ontheffing genoemde dier- en of plantensoorten. Nu de statutaire doelstellingen van SMZ en SBSZ overigens voldoende zijn bepaald en gelet voorts op de verrichte feitelijke werkzaamheden teneinde deze doelstellingen te bereiken, is de Afdeling van oordeel dat SMZ en SBSZ een rechtstreeks bij de verleende ontheffing van de verbodsbepaling in artikel 11 van de Ffw betrokken belang behartigen. SMZ en SBSZ zijn derhalve belanghebbende in de zin van de Awb bij de verleende ontheffing.

2.15. Evenmin wordt gevolgd het door de staatssecretaris ingenomen standpunt dat het beroep van SBSZ tegen de verleende ontheffing niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu SBSZ voor de motivering ervan volstaat met een verwijzing naar de door haar ingebrachte zienswijzen. In de Awb noch in de Ffw kan steun gevonden worden voor dit standpunt. Nu de naar voren gebrachte zienswijzen voldoende zijn geconcretiseerd en gelet op hun inhoud kunnen worden geacht te zijn gericht tegen de aangevallen uitspraak, is het beroep in zoverre, gelet op het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb wel ontvankelijk.

2.16. SMZ en SBSZ betogen dat de minister de ontheffing niet mocht verlenen. Daartoe voert SMZ aan dat het project "De Buurtschap" afbreuk doet aan een gunstige staat van instandhouding van de eekhoorn en de bosuil, als bedoeld in artikel 75, vijfde lid, van de Ffw. Tevens voert SMZ aan dat alternatieven voor het project bestaan, zodat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op het belang van de bescherming van flora en fauna, als bedoeld in het zesde lid van dat artikel. Voorts voeren SMZ en SBSZ aan dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van andere beschermde diersoorten.

2.16.1. In het besluit van 22 juni 2009 heeft de minister uiteengezet dat de voorgenomen werkzaamheden naar verwachting de verstoring, beschadiging en vernieling van vaste rust- en verblijfplaatsen van de eekhoorn zullen betekenen. Opgemerkt wordt dat de eekhoorn op vrij veel plaatsen op de Utrechtse Heuvelrug voorkomt en dat het areaal bos dat verdwijnt beperkt is, zeker wanneer het omliggende bosgebied op de Utrechtse Heuvelrug in ogenschouw wordt genomen. Aangegeven wordt dat eekhoorns redelijk flexibel zijn en jaarlijks nieuwe nesten bouwen. Volgens de minister zijn binnen en buiten het plangebied voldoende alternatieve locaties om nesten te bouwen.

Wat de bosuil betreft heeft de minister gesteld dat door het plaatsen van nestkasten de aanwezige bosuilen gelegenheid hebben om relatief snel een nieuwe nestlocatie te vinden. Het plaatsen van één nestkast, als voorgesteld, acht de minister onvoldoende. Volgens hem is de plaatsing van tenminste drie kasten noodzakelijk om de kans op kolonisatie te vergroten.

Om negatieve effecten van de werkzaamheden op de eekhoorn en de bosuil tot een minimum te beperken, heeft de minister een aantal voorwaarden aan de ontheffing verbonden, onder meer dat bij de planning van de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met de seizoens-activiteiten van de soorten waarvoor de ontheffing wordt verleend, om verstoring in de meest kwetsbare perioden (voortplanting, winterrust) te voorkomen en dat bij aanwezigheid van bewoonde nesten van de eekhoorn de kapwerkzaamheden uitgevoerd dienen te worden in de periode van half september tot november en dat, indien bewoonde eekhoornnesten aanwezig zijn, de kap uitgesteld dient te worden totdat de (jonge) eekhoorns het nest verlaten hebben. Voorts dient het ongeschikt maken of verwijderen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de bosuil plaats te vinden buiten de broedperiode van deze soort en dienen voor aanvang van de kapwerkzaamheden drie voor de bosuil geschikte nestkasten te worden geplaatst die duurzaam dienen te worden onderhouden.

2.16.2. Gelet op die motivering en de aan de ontheffing verbonden voorwaarden, mocht de minister zich op het standpunt stellen dat de gunstige staat van instandhouding van de eekhoorn en de bosuil, als bedoeld in artikel 75, vijfde lid, van de Ffw, voldoende wordt gewaarborgd, indien wordt gehandeld conform de in het besluit en de daaraan ten grondslag liggende aanvraag vermelde maatregelen en overigens conform de aan de ontheffing verbonden voorwaarden. De enkele, niet met een rapport van een deskundige of andere concrete gegevens onderbouwde stellingen van SMZ dat door het project de gunstige staat van instandhouding van de eekhoorn wel degelijk in gevaar kan komen vanwege de geïsoleerde ligging en geringe omvang van het Sanatoriumbos en dat de plaatsing van nestkasten voor de bosuil een lapmiddel is dat het natuurlijke karakter van het bos geweld aandoet, bieden geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de minister.

2.16.3. Bij beantwoording van de vraag of er een andere bevredigende oplossing bestaat als bedoeld in artikel 75, zesde lid, van de Ffw, heeft de minister beoordelingsvrijheid. De minister heeft in het besluit van 22 juni 2009 gemotiveerd uiteengezet dat het project, kijkend naar de totale ontwikkeling van de Utrechtse Heuvelrug, een ecologisch positief effect heeft. Volgens hem zijn vele alternatieven afgewogen, maar komen deze niet in aanmerking, omdat ze niet kunnen voldoen aan de randvoorwaarden voor een buurtschap of te veel belemmeringen bestaan op grond waarvan op voorhand duidelijk was dat realisering ervan te laat of te onzeker zou zijn. Gelet op die motivering, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat geen andere bevredigende oplossing bestaat als bedoeld in artikel 75, zesde lid, van de Ffw, met het oog op het belang van de bescherming van flora en fauna. SMZ heeft gesteld dat een buurtschap op het terrein van Dennendal kan worden gerealiseerd, maar niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat het door haar voorgestelde alternatief eveneens leidt tot een bevredigende oplossing met het oog op de bescherming van flora en fauna. De enkele stelling dat ook elders een buurtschap kan worden gerealiseerd, betekent immers nog niet dat dat alternatief leidt tot een dergelijke oplossing.

2.16.4. Gelet op het voorgaande, biedt hetgeen SMZ naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat de minister niet krachtens artikel 75, derde lid, van de Ffw ontheffing had mogen verlenen van het bepaalde in artikel 11 van die wet. De stelling van SMZ en SBSZ dat nader onderzoek had moeten worden verricht naar mogelijk andere aanwezige beschermde diersoorten, kan, wat daar ook van zij, niet leiden tot het oordeel dat de ontheffing wat de eekhoorn, de bosuil, de grote bonte specht en de kleine bonte specht betreft niet had mogen worden verleend en leidt reeds daarom niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt.

2.17. De beroepen van SMZ en SBSZ zijn, voor zover gericht tegen de ontheffing, ongegrond.

Ten aanzien van het besluit tot onttrekking van een weg aan het openbaar verkeer.

2.18. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet, voor zover thans van belang, kan een weg aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van de raad der gemeente, waarin de weg is gelegen.

2.19. Voor zover de Vereniging in beroep heeft aangevoerd dat de raad ten onrechte niet alle indieners van zienswijzen heeft uitgenodigd voor de gehouden inspraakavond, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de raad in strijd met een wettelijk voorschrift heeft gehandeld. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het besluit. Het betoog faalt.

2.20. SMZ, SBSZ en de Vereniging betogen dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een deel van de Thorbeckelaan te Zeist te onttrekken aan het openbaar verkeer, waardoor de Thorbeckelaan zal worden afgesloten voor doorgaand verkeer. Volgens hen heeft de raad bij de voorbereiding van het besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaard, is het besluit niet voorzien van een deugdelijke motivering en is de raad bij de afweging van de betrokken belangen voorbij gegaan aan de negatieve gevolgen die de onttrekking voor bewoners van omliggende straten heeft. Zij wijzen er in dit verband op dat de afsluiting van de Thorbeckelaan, de zogenoemde knip, tot een aanzienlijke verkeerstoename op de omliggende straten zal leiden. Zij stellen dat dit onevenredige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid en de leefbaarheid in de wijk. Volgens de Vereniging zijn de in de onderzoeken gehanteerde verkeersgegevens uit 2005 niet meer actueel. Voorts voeren zij aan dat een proefafsluiting had dienen plaats te vinden teneinde de verkeerseffecten van de knip te beoordelen, alvorens het besluit te nemen.

2.20.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 juli 2008 in zaak nr. 200708822/1), is de in artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet neergelegde bevoegdheid discretionair van aard. Het bevoegd gezag komt bij de uitoefening ervan een ruime mate van beleidsvrijheid toe. De rechter dient de aanwending daarvan te beoordelen aan de hand van de maatstaf of er strijd is met wettelijke voorschriften dan wel of de betrokken belangen op zodanig onevenwichtige wijze zijn afgewogen, dat niet in redelijkheid tot onttrekking kan worden overgegaan.

2.20.2. De raad heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat een gedeelte van het project is voorzien op een deel van de Thorbeckelaan en dat ten gevolge van de knip het project kan worden gerealiseerd met behoud van een groter deel van het Sanatoriumbos. De raad erkent dat de knip invloed zal hebben op de directe leefomgeving van de omwonenden, maar heeft dit met verwijzing naar de uitkomsten van twee verkeersonderzoeken niet zodanig zwaarwegend geacht dat hij hierin reden moest zien om niet mee te werken aan realisering van de knip.

Mobycon heeft de verkeerskundige gevolgen van het project voor de infrastructuur in de directe omgeving van het plangebied onderzocht. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkeerskundige consequenties buurtschap Sanatoriumterrein" (hierna: het verkeersrapport) van 28 maart 2008. Daarin staat vermeld dat de verkeerstelgegevens van 2005 als basis zijn gehanteerd voor de in de bijlage opgenomen intensiteitenkaart. In aanvulling op het verkeersrapport is door Ingenieursbureau Oranjewoud in 2008 de verkeerssituatie als gevolg van het project nader in kaart gebracht met het verkeersmodel Zeist. Daarbij zijn vier scenario's doorgerekend. De resultaten daarvan staan weergegeven in de zienswijzennota. Hierin staat vermeld dat de verkeersintensiteiten in de omliggende woonbuurten in scenario drie, te weten de realisering van de buurtschap met de knip, niet onacceptabel zullen stijgen. Dit scenario laat een forse afname van het aantal verkeersbewegingen op de Thorbeckelaan, de Schermerslaan en de Sanatoriumlaan zien, maar het verkeer zal toenemen op de Burgemeester Patijnlaan en de Johan van Oldebarneveldtlaan.

2.20.3. Wat betreft het betoog dat sinds 2005 nieuwe ontwikkelingen hebben plaatsgevonden en dat met de daaruit voortvloeiende verkeersbewegingen geen rekening is gehouden, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat doorlopend verkeerstellingen worden uitgevoerd, waaruit kan worden afgeleid dat de groei van het verkeer in Zeist geringer is dan de landelijke trend. Uit 2.20.2 blijkt dat in 2008 een doorrekening van de verkeerssituatie heeft plaatsgevonden. Deze doorrekening is gebaseerd op recentere gegevens, omdat het gehanteerde verkeersmodel gekoppeld is aan actuele gegevens die afkomstig zijn van de voormelde verkeerstellingen, zo heeft de raad ter zitting uitgelegd. In zoverre is rekening gehouden met ontwikkelingen die na 2005 zijn gerealiseerd. Volgens de raad laten de doorlopende verkeerstellingen zien dat de verkeersintensiteiten niet wezenlijk verschillen van de verkeerintensiteiten uit 2005. In hetgeen in de beroepen is aangevoerd, wordt geen aanleiding gevonden om deze verklaring van de raad in twijfel te trekken. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het nemen van het bestreden besluit wat betreft de bestaande verkeersintensiteiten van onvoldoende actuele gegevens is uitgegaan.

2.20.4. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad gehouden was te kiezen voor een proefafsluiting om de effecten van de wegafsluiting te kunnen beoordelen. De raad mocht er voor kiezen de gevolgen van de afsluiting van de Thorbeckelaan in kaart te brengen met behulp van een computermodel. Geen grond bestaat om aan te nemen dat de berekeningen op basis van het verkeersmodel te zeer afwijken van de werkelijkheid, nu die stelling niet met objectieve gegevens is onderbouwd. Voor zover ter zitting is gewezen op de in de raadsvergadering van 16 februari 2010 aangenomen motie met betrekking tot een proefondervindelijk onderzoek van de verkeerssituatie naar aanleiding van de knip, overweegt de Afdeling dat deze omstandigheid dateert van na het nemen van het besluit en dat hieruit, gelet op het doel van de motie, niet kan worden afgeleid dat de raad zich bij zijn besluitvorming niet mocht baseren op de uitkomsten van de verkeersonderzoeken. Gelet op de uitkomsten van de verkeersonderzoeken kon de raad zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat geen onaanvaardbare verkeerssituaties in de omgeving van het te realiseren project zullen ontstaan. Gelet hierop kon de raad in redelijkheid het algemeen belang dat is gediend bij realisering van het project laten prevaleren boven de belangen van omwonenden. Het betoog faalt.

2.21. De beroepen van SMZ, SBSZ en de Vereniging zijn, voor zover gericht tegen het besluit tot onttrekking van de weg aan het openbaar verkeer, ongegrond.

2.22. Gelet op het vorenstaande zijn de hoger beroepen van SBSZ en de Vereniging ongegrond, voor zover die zijn gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de beroepen tegen de verleende vrijstelling ten behoeve van de realisering van het project "De Buurtschap" niet-ontvankelijk zijn. Het hoger beroep van SMZ is in zoverre niet-ontvankelijk.

De hoger beroepen van SMZ, SBSZ en de Vereniging zijn gegrond, voor zover deze zijn gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de beroepen tegen de ontheffing ingevolge de Ffw, de monumentenvergunning en het besluit tot onttrekking van een weg aan het openbaar verkeer niet-ontvankelijk zijn. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van SMZ, SBSZ en de Vereniging tegen het besluit van 23 juni 2009 van de raad tot onttrekking van een deel van de Thorbeckelaan aan het openbaar verkeer, alsmede de beroepen van SMZ en SBSZ tegen de ontheffing ingevolge de Ffw van 22 juni 2009 van de minister en de verleende monumentenvergunning van 23 juni 2009 van het college, ongegrond verklaren.

2.23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.24. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan SMZ, SBSZ en de Vereniging wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de stichting Stichting Milieuzorg Zeist en omstreken niet-ontvankelijk en de hoger beroepen van de stichting Stichting Behoud Sanatoriumbos Zeist en de vereniging Vereniging Bewoners Belangen Dichterbij ongegrond, voor zover die zijn gericht tegen de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot het vrijstellingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Zeist van 23 juni 2009;

II. verklaart de hoger beroepen van de stichting Stichting Milieuzorg Zeist en omstreken, de stichting Stichting Behoud Sanatoriumbos Zeist en de vereniging Vereniging Bewoners Belangen Dichterbij voor het overige gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 juni 2011 in zaak nr. 10/712 e.v. in zoverre;

IV. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Zeist van 23 juni 2009 tot onttrekking van een deel van de Thorbeckelaan aan het openbaar verkeer, het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedelkwaliteit van 22 juni 2009 en het besluit tot verlening van een monumentenvergunning van het college van burgemeester en wethouders van Zeist van 23 juni 2009 ongegrond;

V. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan de stichting Stichting Milieuzorg Zeist en omstreken, de stichting Stichting Behoud Sanatoriumbos Zeist en de vereniging Vereniging Bewoners Belangen Dichterbij het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Deen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

604.