Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0772

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201105629/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Belkmerweg nabij 138 en Rijksweg 59 te Schagerbrug" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201105629/1/R1.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Schagerbrug, gemeente Zijpe,

2. de vereniging Houd Zijpe Leefbaar, gevestigd te Schagerbrug, gemeente Zijpe,

en

de raad van de gemeente Zijpe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Belkmerweg nabij 138 en Rijksweg 59 te Schagerbrug" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2011, en de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2011, beroep ingesteld. De vereniging heeft haar beroep aangevuld bij brief van 21 juni 2011. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2012, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. E. Eyken, de vereniging, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff, advocaat te Haarlem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.H. Moraal, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. R. Lagerweij, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een planologisch kader voor de verplaatsing van de natuurijsbaan van IJsvereniging Nut & Genoegen alsmede de verplaatsing van [belanghebbende] van het perceel aan de Rijksweg 59 naar het perceel aan de Belkmerweg 138 te Schagerbrug.

2.2. De raad betwist dat de vereniging kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit nu niet is gebleken dat zij feitelijke werkzaamheden verricht ter behartiging van haar doelstellingen.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2.2. Volgens artikel 2 van haar statuten heeft de vereniging ten doel de bevordering van natuurbehoud, een verantwoord milieubeheer, een verantwoorde ruimtelijke ordening, landschapsbescherming en het bewaken van de menselijke belevingswaarde met betrekking tot de leefomgeving, alles in de ruimste zin, in de gemeente Zijpe.

Ter zitting heeft de vereniging toegelicht dat haar werkzaamheden bestaan uit onder meer het verspreiden van een nieuwsbrief, het organiseren van discussieavonden, het informatie verstrekken aan media en het bijhouden van haar website. De raad heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Anders dan de raad stelt, verricht de vereniging aldus feitelijke werkzaamheden ter behartiging van haar doelstelling. Door het bestreden besluit wordt de vereniging getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. De vereniging kan derhalve als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt

2.3. De beroepen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Aannemersbedrijf" en de aanduiding "bedrijfswoning" voor het perceel aan de Belkmerweg 138 te Schagerbrug.

[appellant sub 1] en de vereniging betogen dat de raad in het plan ten onrechte heeft voorzien in een aannemersbedrijf op het desbetreffende perceel. [appellant sub 1] en de vereniging voeren hiertoe aan dat aan de keuze van de raad geen planologische afweging ten grondslag ligt en dat geen noodzaak bestaat voor de verplaatsing van het aannemersbedrijf naar het desbetreffende perceel, nu hiervoor alternatieve locaties beschikbaar zijn op bedrijventerreinen in de omgeving. [appellant sub 1] en de vereniging voeren voorts aan dat de verplaatsing van het aannemersbedrijf is ingegeven door de omlegging van de rijksweg N9, terwijl de omlegging zoals deze oorspronkelijk was voorzien niet meer aan de orde is. [appellant sub 1] stelt voorts dat de raad de noodzaak van het verplaatsen van de bedrijfswoning niet heeft aangetoond. Verder zal volgens [appellant sub 1] de vestiging van het aannemersbedrijf op het perceel aan de Belkmerweg 138 leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat en afbreuk doen aan de openheid van de omgeving. De raad heeft voorts volgens [appellant sub 1] niet onderkend dat de vestiging van een aannemersbedrijf in een landelijk gebied in strijd is met het provinciaal beleid, zoals vastgelegd in het Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord. Ten slotte heeft de raad volgens [appellant sub 1] gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.3.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het aannemersbedrijf niet meer op de huidige locatie tussen lintbebouwing met woningen past. Bovendien is ter plaatse uitbreiding niet meer mogelijk. Vanwege de aanleg van de nieuwe rijksweg N9 kan het perceel aan de Belkmerweg 138 volgens de raad niet meer worden aangemerkt als agrarisch landschap, zodat het belang dat met de verplaatsing van het aannemersbedrijf is gemoeid zwaarder dient te wegen dan het belang bij instandhouding van de agrarische bestemming van het desbetreffende perceel. Voorts zal de vestiging van het aannemersbedrijf op het desbetreffende perceel niet leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1], terwijl niet is gebleken dat alternatieve locaties voor het aannemersbedrijf beschikbaar zijn op in de nabijheid van het plangebied gelegen bedrijventerreinen, aldus de raad.

2.3.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a en b, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Aannemersbedrijf" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van een aannemersbedrijf en een bedrijfswoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning".

2.3.3. Anders dan [appellant sub 1] en de vereniging betogen, is de noodzaak voor de verplaatsing van het aannemersbedrijf niet uitsluitend ingegeven door de omlegging van de rijksweg N9, maar eveneens door de omstandigheid dat het aannemersbedrijf op de huidige locatie tussen lintbebouwing met woningen niet meer passend wordt geacht en hier voor het aannemersbedrijf geen uitbreidingsmogelijkheden bestaan. Dat de omlegging van de rijksweg N9 zoals deze oorspronkelijk was voorzien en als gevolg waarvan het aannemersbedrijf niet meer op het perceel aan de Rijksweg 59 kon blijven thans niet meer aan de orde is, betekent derhalve niet zonder meer dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bedrijfsverplaatsing noodzakelijk is. [appellant sub 1] en de vereniging hebben het standpunt van de raad, dat de huidige locatie van het aannemersbedrijf niet passend is en deze locatie geen uitbreidingsmogelijkheden biedt, niet betwist. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bedrijfsverplaatsing noodzakelijk is.

2.3.4. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene verplaatsing van het aannemersbedrijf niet zal leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1]. In de plantoelichting staat dat de raad aan de hand van de normen opgenomen in de brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) heeft onderzocht of het aannemersbedrijf naar het perceel aan de Belkmerweg 138 kan worden verplaatst. Volgens de VNG-brochure bedraagt de aanbevolen richtafstand voor een aannemersbedrijf in verband met geluidhinder 50 m. Vast staat dat de woning van [appellant sub 1] op een grotere afstand van het perceel waarop het aannemersbedrijf is voorzien is gelegen. [appellant sub 1] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het aannemersbedrijf desondanks zal zorgen voor overlast ter plaatse van zijn woning. Voor zover [appellant sub 1] ter zitting heeft gesteld dat het aannemersbedrijf zal zorgen voor een toename van verkeer kan dit niet slagen. Het aannemersbedrijf heeft ter zitting onweersproken verklaard dat de verkeerstoename hooguit twee voertuigen per dag zal bedragen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze verkeerstoename zodanig klein is dat dit niet tot aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] zal leiden.

2.3.5. De raad heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten tijde van het bestreden besluit op de in de nabijheid van het plangebied gelegen bedrijventerreinen geen alternatieve locatie voor het aannemersbedrijf beschikbaar was. Ter motivering hiervan wordt verwezen naar overweging 2.3.6 in de uitspraak van de voorzitter van 11 augustus 2011 in zaak nr. 201105629/2/R1. In hetgeen [appellant sub 1] en de vereniging hebben aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien voor een ander oordeel omtrent deze grond dan dat waartoe de voorzitter is gekomen. Voor zover [appellant sub 1] en de vereniging hebben gewezen op locaties op het bedrijventerrein Kolksluis, geldt dat de raad onweersproken heeft toegelicht dat nog onduidelijk is of het bestemmingsplan waarin dit bedrijventerrein zal worden geregeld tot stand zal komen, zodat hier evenmin een alternatieve locatie voor het aannemersbedrijf beschikbaar is.

2.3.6. Voorts bestaat, anders dan [appellant sub 1] betoogt, geen grond voor het oordeel dat aan de in het plan voorziene verplaatsing van het aannemersbedrijf naar het perceel aan de Belkmerweg 138 geen planologische afweging ten grondslag ligt. Zoals volgt uit de plantoelichting heeft de raad beoordeeld of het aannemersbedrijf past op de in het plan voorziene locatie, waarbij de raad onder meer de beeldkwaliteit van de omgeving en de door het bedrijf veroorzaakte overlast heeft betrokken. De raad heeft terecht het economische belang van het aannemersbedrijf bij bedrijfsverplaatsing als relevant belang bij de belangenafweging betrokken.

De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vestiging van één aannemersbedrijf met een beperkte omvang geen ernstige afbreuk doet aan de openheid van de omgeving. Vaststaat dat aan de achterzijde van het perceel waarop het aannemersbedrijf is voorzien de rijksweg N9 is gelegen en dat in de omgeving reeds bebouwing aanwezig is. Zoals de raad terecht stelt, is hierdoor ter plaatse van het perceel waarop het aannemersbedrijf is voorzien de openheid van het landschap reeds aangetast en zal de vestiging van het aannemersbedrijf slechts in beperkte mate bijdragen aan verdere aantasting van de openheid van het landschap.

2.3.7. Zoals de raad voorts ter zitting onweersproken heeft toegelicht, maakt de dienstwoning onlosmakelijk deel uit van het aannemersbedrijf en kan de verplaatsing van het bedrijf niet los worden gezien van de verplaatsing van die woning. Het aannemersbedrijf is een eenmansbedrijf en de aanwezigheid van een dienstwoning is noodzakelijk vanwege de bedrijfsvoering en om toezicht te kunnen houden op het bedrijf en op de aanwezige materialen. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verplaatsing van de bedrijfswoning eveneens noodzakelijk is.

2.3.8. De enkele omstandigheid dat het onder het voorheen geldende plan niet mogelijk was om op het desbetreffende perceel een aannemersbedrijf te realiseren, betekent, anders dan [appellant sub 1] verder betoogt, niet dat de raad niet heeft kunnen overgaan tot het vaststellen van een nieuw plan waarin deze ontwikkeling wel mogelijk wordt gemaakt.

2.3.9. Voorts is de raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Uit de plantoelichting volgt dat de raad bij de totstandkoming van het plan met het provinciaal beleid, zoals vastgelegd in het Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord, rekening heeft gehouden. Hetgeen [appellant sub 1] hieromtrent aanvoert, kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.3.10. Het betoog van [appellant sub 1] dat de raad met de vaststelling van het plan heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen. Ter motivering hiervan wordt verwezen naar overweging 2.4.1 in de hiervoor genoemde uitspraak van de voorzitter van 11 augustus 2011 in zaak nr. 201105629/2/R1. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien voor een ander oordeel omtrent dit betoog dan dat waartoe de voorzitter is gekomen.

2.4. De vereniging betoogt voorts dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 12 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie van 21 juni 2010.

2.4.1. Ingevolge artikel 1, onder 8, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie wordt onder bedrijventerrein verstaan een terrein van minimaal 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in een nieuw bedrijventerrein en kantoorlocatie of een uitbreiding van een bestaand terrein in het landelijk gebied.

2.4.2. Reeds omdat het in het plan voorziene aannemersbedrijf een oppervlakte heeft van ongeveer 2160 m², kan dit niet worden aangemerkt als een bedrijventerrein. Voorts maakt het aannemersbedrijf geen deel uit van een uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein en kan dit evenmin worden aangemerkt als een kantoorlocatie. Anders dan de vereniging betoogt, bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 12 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie van 21 juni 2010.

2.5. [appellant sub 1] en de vereniging betogen voorts dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte ontheffing heeft verleend van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland 2009 ten behoeve van het plan. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat dit besluit onzorgvuldig is genomen, nu het college van gedeputeerde staten geen kennis had van de mogelijkheden voor verplaatsing van het aannemersbedrijf naar de in de nabijheid van het plangebied aanwezige bedrijventerreinen. De vereniging voert aan dat niet is voldaan aan de vereisten dat het moet gaan om een bedrijfsbestemming met een lokaal karakter en er geen alternatieve locatie voorhanden is, alsmede dat onvoldoende aandacht is besteed aan de landschappelijke inpassing van het aannemersbedrijf.

2.5.1. Bij besluit van 7 september 2010 heeft het college van gedeputeerde staten ten behoeve van het plan op grond van artikel 11, derde lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland 2009 ontheffing verleend van artikel 11, tweede lid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 februari 2012 in zaak nr. 201108381/1/R1) kunnen tegen het besluit tot het verlenen van ontheffing rechtsmiddelen worden aangewend in het kader van het beroep tegen het plan ten behoeve waarvan de ontheffing is verleend. Voor zover de beroepen van [appellant sub 1] en de vereniging betrekking hebben op het besluit van het college van gedeputeerde staten van 7 september 2010 tot verlening van de ontheffing, maken deze derhalve deel uit van dit geding.

2.5.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland 2009, wijzen bestemmingsplannen voor gronden in het uitsluitingsgebied geen bestemmingen aan en stellen die geen regels die nieuwe stedelijke functies of nieuwe niet-stedelijke functies met aanzienlijke ruimtelijke effecten mogelijk maken.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, kan het college van gedeputeerde staten van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen ten behoeve van kleinschalige ontwikkelingen waaronder in ieder geval begrepen een bedrijvenbestemming met een lokaal karakter, indien geen alternatief voorhanden is in de zoekgebieden.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, waarborgen bestemmingsplannen dat nieuwe stedelijke functies ruimtelijk aansluiten op bestaand stedelijk gebied.

Ingevolge het derde lid kan het college van gedeputeerde staten van het bepaalde in het tweede lid ontheffing verlenen. Artikel 8, tweede lid, is daarbij van toepassing.

2.5.3. Anders dan de vereniging stelt, heeft het aannemersbedrijf een lokaal karakter. Ter zitting is onweersproken toegelicht dat het een eenmansbedrijf met een kleinschalig karakter betreft, dat hoofdzakelijk lokaal werkzaam is. Anders dan de vereniging voorts betoogt, bestaat, zoals volgt uit 2.3.5, geen grond voor het oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste dat geen alternatieve locatie voorhanden is. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de raad ten onrechte niet aan het college van gedeputeerde staten heeft medegedeeld dat op de bedrijventerreinen in Schagerbrug en 't Zand ruimte was voor het aannemersbedrijf, waardoor het besluit van 7 september 2010 onzorgvuldig zou zijn voorbereid.

2.5.4. Uit het besluit van 7 september 2010 volgt dat dit is ingegeven door de ruimtelijke gevolgen van de omlegging van de rijksweg N9. Volgens het college van gedeputeerde staten betreft het perceel aan de Belkmerweg 138 door de omlegging van de rijksweg N9 geen open agrarisch perceel meer, maar een restperceel. Daarmee is de uitoefening van een agrarische functie op dit perceel niet meer realistisch en is invulling van dit perceel met een andere functie, ten behoeve van het aannemersbedrijf, acceptabel, aldus het college van gedeputeerde staten. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat het college van gedeputeerde staten zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld, kan dit niet slagen. Zoals het college van gedeputeerde staten ter zitting heeft toegelicht, is door de omlegging van de rijksweg N9 het perceel aan de Belkmerweg 138 volledig ingeperkt en in omvang verkleind. Het college van gedeputeerde staten heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitoefening van een agrarische functie op dit perceel niet meer realistisch is.

2.5.5. Hetgeen [appellant sub 1] en de vereniging hebben aangevoerd, biedt ten slotte geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de raad, met de in het plan opgenomen beeldkwaliteitsparagraaf, heeft voldaan aan het vereiste dat aandacht wordt besteed aan de landschappelijke inpassing van het aannemersbedrijf, het aspect cultuurhistorie en een goede uitwerking van de beeldkwaliteit op perceelsniveau. De enkele stelling dat een cultuurhistorisch waardevol gebied wordt aangetast is hiertoe onvoldoende, nu de vereniging deze stelling niet nader heeft gemotiveerd.

2.6. In hetgeen [appellant sub 1] en de vereniging hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

523.