Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0761

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201107937/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BV9079, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college aan [vergunninghouder] krachtens van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het oprichten van drie woningen op het perceel Groenestraat achter huisnummers 22 tot 28 te Hurwenen, gemeente Maasdriel (hierna: het perceel). Bij besluit van 8 januari 2007 heeft het aan [vergunninghouder] bouwvergunning eerste fase voor het bouwplan verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107937/1/A1.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3], allen wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel, (hierna: [appellanten])

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 juni 2011 in de zaken nrs. 10/2649 en 10/2650 in het geding tussen:

[appellanten] en [verzoeker rechtbank sub 1] en [verzoeker rechtbank sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college aan [vergunninghouder] krachtens van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het oprichten van drie woningen op het perceel Groenestraat achter huisnummers 22 tot 28 te Hurwenen, gemeente Maasdriel (hierna: het perceel). Bij besluit van 8 januari 2007 heeft het aan [vergunninghouder] bouwvergunning eerste fase voor het bouwplan verleend.

Bij besluit van 2 juni 2009 heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan voor het bouwplan verleend.

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het de door [appellanten] tegen het besluit van 8 januari 2007 gemaakte bezwaren gegrond verklaard, de daarbij verleende bouwvergunning ingetrokken en de aanvraag alsnog afgewezen.

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het de door [appellanten] tegen het besluit van 8 januari 2007 gemaakte bezwaren opnieuw gegrond verklaard, alsnog geweigerd om krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen en de tegen de besluiten van 2 juni 2009 en 8 januari 2007 gemaakte bezwaren ongegrond.

Bij uitspraak van 10 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] tegen het besluit van 23 februari 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 augustus 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2012, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [verzoeker rechtbank sub 1], en het college, vertegenwoordigd door J.J.W.G. van den Oetelaar en drs. D.E. van Lienden, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet op het besluit op bezwaar van 16 juni 2009 mocht terugkomen. De rechtszekerheid stond daaraan in de weg. Daartoe voeren zij aan dat het besluit van 16 juni 2009 ten tijde van dat van 23 februari 2010 in rechte onaantastbaar was en hun belangen zich tegen het terugkomen op het besluit van 16 juni 2009 verzetten.

2.1.1. Niet in geschil is dat ten tijde van het besluit van 16 juni 2009 een besluit van 2 juni 2009 voorlag, waarbij het college ten behoeve van het bouwplan krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan had verleend en [appellanten] tegen dit besluit bezwaar hadden gemaakt, waarop het college nog niet had beslist. Het besluit van 2 juni 2009 wordt in het besluit van 16 juni 2009 niet vermeld. Anders dan [appellanten] stellen, kan uit dat besluit niet worden afgeleid dat, voor zover het college daarbij heeft geweigerd vrijstelling voor het bouwplan te verlenen, daaronder ook moet worden begrepen weigering om dat krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO te doen.

Uit het voorgaande volgt dat het voor [appellanten] duidelijk kon en moest zijn dat het besluit van 16 juni 2009 een kennelijke vergissing was, voor zover de bouwvergunning daarbij is ingetrokken. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat, voor zover het besluit van 16 juni 2009 ten tijde van dat van 23 februari 2010 in rechte onaantastbaar was, de rechtszekerheid zich tegen het terugkomen op de in dit besluit vervatte weigering bouwvergunning te verlenen verzette.

Het betoog faalt.

2.2. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college hen in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet opnieuw heeft gehoord, nu het besluit van 16 juni 2009 een weigering om vrijstelling te verlenen impliceerde.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 augustus 2008 in zaak nr. 200708414/1), is het verlenen van vrijstelling in bezwaar krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO, nadat dat aanvankelijk krachtens het tweede lid was gebeurd, geen feit of omstandigheid, als bedoeld in voormelde bepaling. De rechtbank heeft dan ook terecht de wijziging van de grondslag van de verleende vrijstelling bij het besluit van 2 juni 2009 niet als een feit of omstandigheid in de zin van artikel 7:9 van de Awb aangemerkt.

Het betoog faalt.

2.3. [appellanten] betogen ook dat de rechtbank heeft miskend dat het college het nadere advies van het waterschap Rivierenland van 10 april 2007 in strijd met artikel 3:11 van de Awb niet ter inzage heeft gelegd.

2.3.1. Voor zover al moet worden aangenomen dat het nadere advies van het waterschap van 10 april 2007 niet bij het ontwerpbesluit tot het verlenen van vrijstelling ter inzage is gelegd, is gesteld noch gebleken dat [appellanten] hierdoor zijn benadeeld en kon dat gebrek door de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd.

Het betoog faalt.

2.4. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Hurwenen, herziening '82". Het college heeft, teneinde er niettemin bouwvergunning eerste fase voor te kunnen verlenen, daarvan krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.5. Ingevolge die bepaling kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling van het geldende bestemmingsplan verlenen, mits dat project van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel gemotiveerd, waarom het te realiseren project binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied past. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid aan burgemeester en wethouders delegeren.

2.6. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het ontwerpbestemmingsplan "Rossum-Hurwenen" aan de planologische aanvaardbaarheid van het bouwplan in de weg staat en het in strijd is met het gemeentelijk beleid, zoals dat is gepubliceerd in de StructuurvisiePlus Maasdriel 2004-2015 (hierna: StructuurvisiePlus).

2.6.1. De ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling is neergelegd in de "Gemeente Maasdriel Ruimtelijke onderbouwing Groenestraat te Hurwenen" van 23 oktober 2008.

2.6.2. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat, zoals [appellanten] betogen, in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte niet op het ontwerpbestemmingsplan "Rossum-Hurwenen", waarmee het bouwplan in strijd is, is ingegaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 februari 2011 in zaak nr. 201006116/1/H1), heeft het ontwerpbestemmingsplan "Rossum-Hurwenen" een conserverend karakter en strekt het er toe het gevoerde ruimtelijk beleid voort te zetten. In de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan is het bouwplan als nieuwe ontwikkeling vermeld. Het college heeft voorts toegelicht dat het nog niet in het ontwerp is verwerkt, omdat de vrijstellingsprocedure nog niet was afgerond. Onder deze op zichzelf niet bestreden omstandigheden heeft het college in de ruimtelijke onderbouwing mogen volstaan met een motivering van zijn oordeel dat het bouwplan binnen het gevoerde ruimtelijk beleid past.

In de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet dat het bouwplan binnen het ruimtelijk beleid van de gemeente, neergelegd in de StructuurvisiePlus, past, nu de realisatie ervan binnen de rode contour valt en door de bouw van de drie woningen achter die aan de Groenestraat optimalisering van de open ruimten in het dorp plaatsvindt. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat dit onjuist is. Niet in geschil is dat de locatie binnen de rode contour valt. Voor zover [appellanten] betogen dat het bouwplan op een locatie is voorzien die in de StructuurvisiePlus niet als bouwlocatie is aangewezen, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de in de StructuurvisiePlus aangewezen bouwlocaties betrekking hebben op grote projecten en niet op kleinschalige, als waar het hier om gaat en het aanwijzen van bouwlocaties voor grote projecten niet in de weg staat aan het realiseren van kleinschalige projecten op andere locaties. De rechtbank heeft in het aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college daarmee een onjuiste uitleg aan de StructuurvisiePlus heeft gegeven.

Het betoog faalt.

2.7. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de adviezen van het waterschap Rivierenland van 29 juni 2006 en 10 april 2007 overwogen dat de uitvoerbaarheid van het bouwplan onvoldoende is verzekerd, nu de vereiste ontheffing op de Keur van het waterschap en de ontheffing die nodig is ten behoeve van de ontsluiting van het perceel ten tijde van het besluit van 23 februari 2010 niet waren verleend en het college daarbij niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt, op welke wijze in de benodigde waterberging in combinatie met de vereiste verbreding en verharding van de ontsluitingsweg zal worden voorzien.

2.8. Voor zover [appellanten] betogen dat de rechtbank het advies van het waterschap Rivierenland van 10 april 2007 ten onrechte bij de beoordeling heeft betrokken, omdat de besluitvorming van het college niet op dit advies is gebaseerd, en voorts heeft miskend dat het bouwplan reeds door het ontbreken van een ontsluitingsweg niet bereikbaar en daarmee niet uitvoerbaar is, wordt overwogen dat deze betogen geen betrekking hebben op door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen gronden. Het kan daarom niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

2.9. Voor het aanvullen van de aangevallen uitspraak met een overweging dat een aantal beroepsgronden onbehandeld is gebleven, zoals [appellanten] verzoeken, bestaat voorts geen grond.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

580.