Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0759

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201108370/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ9779, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 14 april en 27 oktober 2009 heeft het college aan Landschot B.V. onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van enkele zeugen-, biggen- en vleesvarkensstallen met aanverwante voorzieningen op het perceel Van de Veldenweg 4 te Diessen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201108370/1/A1.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3], allen wonend te [woonplaats], gemeente Hilvarenbeek, (hierna: [appellanten]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juni 2011 in zaak nr. 10/4856 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 14 april en 27 oktober 2009 heeft het college aan Landschot B.V. onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van enkele zeugen-, biggen- en vleesvarkensstallen met aanverwante voorzieningen op het perceel Van de Veldenweg 4 te Diessen.

Bij besluit van 28 september 2010 heeft het het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door A.P. d'Haens, mr. J. Gillen en mr. P.L.J.M. van Dun, allen werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar Landschot, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. J.A.J.M. van Houtum, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan dient ter verplaatsing van de veehouderij aan de Straatsedijk 2b te Westelbeers. Het is in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied", omdat het bestaande agrarische bouwblok wordt overschreden. Teneinde er niettemin bouwvergunning voor te kunnen verlenen, heeft het college daarvan krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.2. Ingevolge die bepaling kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling van het geldende bestemmingsplan verlenen, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel gemotiveerd, waarom het te realiseren project binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied past. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid aan burgemeester en wethouders overdragen.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien en gedeputeerde staten daarvoor ten onrechte een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan in strijd is met de doelstellingen van de correctieve herziening van het Reconstructieplan Beerze-Reusel (hierna: het reconstructieplan). Het voorziene bouwblok ligt voorts in twee verschillende zoneringen in de correctieve herziening van het reconstructieplan, te weten een verwevingsgebied en een secundair landbouwontwikkelingsgebied, hetgeen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, en wordt doorsneden door een "harde grens". In dit kader verwijzen zij naar de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2007 in zaak nr. 200506283/1 (www.raadvanstate.nl). De locatie kan volgens hen bovendien niet worden aangeduid als "duurzame locatie" in de zin van het reconstructieplan. Zij voeren verder aan dat ten onrechte voor een bouwblok van 2,5 hectare vrijstelling is verleend, nu de beoogde ontwikkeling daar niet binnen past. Anders dan gedeputeerde staten hebben aangenomen levert de vernietiging van de verleende milieuvergunningen door de Afdeling voorts wel degelijk milieuplanologische belemmeringen op. Verder is onvoldoende gewicht toegekend aan de ligging van het perceel ten opzichte van de meanderende beek, de oorspronkelijke loop van de rivier de Reusel die in het natuurontwikkelingsgebied 't Tuurkaa is gelegen. In deze meanderende beek komt de drijvende waterweegbree voor en gedeputeerde staten hebben dit gebied ten onrechte niet opgenomen in het Natura 2000-gebied Kempenland-West, aldus [appellanten].

2.3.1. De ruimtelijke onderbouwing is neergelegd in de "Ruimtelijke onderbouwing Van de Veldenweg 4, te Diessen, gemeente Hilvarenbeek" van 27 juni 2008.

2.3.2. Bij de voormelde uitspraak van 4 april 2007 heeft de Afdeling het reconstructieplan gedeeltelijk vernietigd, onder meer omdat het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel voorziet in zogenoemde doorsneden bouwblokken, voorzien van twee zoneringsaanduidingen. In de correctieve herziening van het reconstructieplan is op de doorsneden bouwblokken in het geval van een "harde grens", te weten de afstand van 220 meter rond A-gebieden en van 1000 meter rond Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en Natuurbeschermingswetgebieden, het zwaarste regime, en in de andere gevallen het lichtste regime van toepassing verklaard op het hele bouwblok. Het bouwblok is gelegen in een gebied dat in de correctieve herziening als secundair landbouwontwikkelingsgebied is aangewezen. De Afdeling heeft het door [appellanten] tegen de herziening van het reconstructieplan ingestelde beroep bij uitspraak van 24 februari 2010 in zaak nr. 200807643/1/R1 ongegrond verklaard.

Het door [appellanten] in beroep aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen grond gegeven voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met de correctieve herziening van het reconstructieplan. Niet in geschil is dat de te verplaatsen veehouderij in een gebied is gelegen dat in de correctieve herziening als verwevingsgebied is aangewezen en het voorziene bouwblok voor het grootste deel zal zijn gelegen in een gebied dat in deze correctieve herziening is aangewezen als secundair landbouwontwikkelingsgebied, dat verder is verwijderd van kwetsbare natuurgebieden dan het verwevingsgebied, en voor een kleiner deel in een gebied dat als verwevingsgebied is aangewezen. Het bouwplan is dan ook niet met de in de correctieve herziening neergelegde doelstelling om intensieve veehouderij te verplaatsen naar gebieden die op grotere afstand van natuurgebieden zijn gelegen in strijd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2007 valt voorts niet af te leiden dat het bouwplan in strijd is met de rechtszekerheid, omdat het binnen twee verschillende gebieden is voorzien, nu die uitspraak geen bouwplan, maar het toetsingskader voor bestaande bouwblokken betreft. In de correctieve herziening is voorts niet bepaald dat de uitbreiding van een bouwblok geheel moet zijn voorzien binnen hetzelfde gebied als het bestaande bouwblok.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het regime voor het secundaire landbouwontwikkelingsgebied op de aanvraag toepasselijk is, waarbij het onder meer in aanmerking heeft genomen dat het grootste deel van het voorziene bouwblok binnen het secundaire landbouwontwikkelingsgebied is gelegen. Het door [appellanten] in beroep aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen grond gegeven voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat niet is gesteld dat de "harde grens", als bedoeld in het reconstructieplan, ten aanzien van het voorziene bouwblok in het geding is, zodat daarin geen reden is gelegen om van het zwaarste regime, dat van het verwevingsgebied, uit te gaan.

Volgens de correctieve herziening van het reconstructieplan is in landbouwontwikkelingsgebieden hervestiging van intensieve veehouderij op een bouwblok toegestaan, ongeacht de daaraan gegeven bestemming en is uitbreiding van bouwblokken tot een maximum van 3 hectare toegestaan. Het voorziene bouwblok van 2,5 hectare is daarmee niet in strijd. Dat, zoals [appellanten] stellen, het bouwplan niet binnen het bouwblok van 2,5 hectare kan worden gerealiseerd, omdat voor de beoogde inrichting, gelet op de aan te leggen voorzieningen zoals erfbeplanting, een bouwblok van 3 hectare nodig zal zijn, leidt niet tot een ander oordeel, nu in de correctieve herziening met betrekking tot uitbreidingen van bouwblokken binnen landbouwontwikkelingsgebieden is bepaald dat een oppervlakte van 3 hectare is toegestaan. Dat het, als gesteld, niet om een duurzame locatie, als bedoeld in het reconstructieplan, gaat, leidt daar evenmin toe, nu aan de hervestiging in een secundair landbouwontwikkelingsgebied de eis van een duurzame locatie niet wordt gesteld.

2.3.3. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat de omstandigheid dat de Afdeling de aan Landschot krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleende vergunningen bij uitspraken van 22 oktober 2008 in zaak nr. 200709052/1 en 2 juni 2010 in zaak nr. 200905007/1/M2 heeft vernietigd, niet met zich brengt dat gedeputeerde staten zich in de verklaring van geen bezwaar van 13 januari 2009 ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat zich geen milieuplanologische belemmeringen voordoen. Dat ten tijde van de afgifte van die verklaring geen zodanige vergunning (hierna: milieuvergunning) was veleend, heeft de rechtbank terecht onvoldoende voor die conclusie geacht. Uit die uitspraken volgt niet dat het college ten tijde van belang ernstig moest betwijfelen dat voor het in werking hebben van de inrichting milieuvergunning verleend zal kunnen worden en aan de in de milieuwetgeving opgenomen normen met betrekking tot geluid, stank, ammoniakemissie en fijnstof kan worden voldaan. Hierbij wordt mede in aanmerking wordt genomen dat de Afdeling de beroepsgronden van [appellanten] met betrekking tot stankhinder en stofreductie in de uitspraak van 2 juni 2010 heeft verworpen en deze uitspraak geen betrekking heeft op de milieugevolgen gezondheid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geluid.

2.3.4. Of de meanderende beek ten onrechte niet in het Natura 2000-gebied Kempenland-West is opgenomen, heeft de rechtbank voorts terecht niet ter beoordeling geacht. Dit stond derhalve, wat daar verder van zij, niet aan de vrijstelling in de weg.

Ook in zoverre faalt het betoog.

2.4. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college, gelet op de betrokken belangen, niet in redelijkheid tot vrijstelling heeft kunnen besluiten. Volgens hen heeft het college, gelet op stankoverlast, ammoniakemmissie en een toename van fijnstof en geluid, daarmee onvoldoende belang toegekend aan de negatieve gevolgen voor hun gezondheid en verstoring van het woon- en leefklimaat en het karakteristieke open landschap. Zij wijzen er in dit kader op dat de milieuvergunningen zijn vernietigd en thans geen geldige zodanige vergunning bestaat. Voorts is het algemeen belang volgens hen niet gediend met realisering van het bouwplan. Er is geen reden om het belang van Landschot zwaarder te laten wegen dan hun belangen en het algemeen belang bij het behoud van natuur, een open landschap en een cultuurhistorisch gebied, aldus [appellanten].

2.4.1. De rechtbank heeft in het door hen in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat realisering van het bouwplan, mede gelet op de afstand van meer dan 300 meter tussen onderhavige locatie en de woningen van Gimbrère en Lagendijk en gelet op het uitsluitend recreatieve gebruik dan Van Strijdhoven van zijn perceel maakt, zodanige negatieve gevolgen voor de gezondheid en het woon- en leefklimaat van [appellanten] zal hebben, dat het college in verband daarmee in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen. Dat ten tijde van belang geen geldige milieuvergunning bestond, is onvoldoende voor dat oordeel, nu, zoals hiervoor overwogen, het college geen aanleiding had om ernstig te betwijfelen dat voor het in werking hebben van de inrichting een milieuvergunning zal kunnen worden verleend. De rechtbank heeft daarin voorts terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het algemeen belang met de verplaatsing van de intensieve veehouderij van een verwevingsgebied naar een locatie die grotendeels is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied is gediend, nu dat verder is verwijderd van kwetsbare natuurgebieden dan het verwevingsgebied.

Uit het voorgaande volgt dat ook dit betoog faalt.

2.5. [appellanten] hebben voor het overige verwezen naar hetgeen zij in hun zienswijze van 14 augustus 2008 hebben aangevoerd. Zij hebben niet betoogd, dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het aangevoerde kan daarom evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

580.