Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0740

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201104820/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het verzoek van [appellant] om een wijzigingsplan vast te stellen ten behoeve van het realiseren van een tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie] te Waskemeer afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201104820/1/R4.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te Waskemeer, gemeente Ooststellingwerf,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het verzoek van [appellant] om een wijzigingsplan vast te stellen ten behoeve van het realiseren van een tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie] te Waskemeer afgewezen.

Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank Leeuwarden ingekomen op 25 februari 2011, beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, voor zover dat betrekking heeft op de weigering om het bestemmingsplan te wijzigen, naar de Afdeling doorgezonden, waar dit op 22 april 2011 is ingekomen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door ing. J.H. van Breda en dr. F.J.C.M. van Eerdenburg, en het college, vertegenwoordigd door H.J.W. van Wijk en ing. H.J. Geling, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het beroep van [appellant] richt zich tegen het besluit op bezwaar van 20 januari 2011, waarbij het college de bezwaren van [appellant] tegen de weigering gebruik te maken van de in het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor het realiseren van een tweede bedrijfswoning bij het melkrundveebedrijf van [appellant] aan de [locatie] te Waskemeer, ongegrond heeft verklaard.

2.2. [appellant] voert aan dat haar bedrijf aan de wijzigingsvoorwaarden voor het toekennen van een tweede bedrijfswoning voldoet en dat het college daarom ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan deze wijzigingsbevoegdheid. In dit verband betoogt zij dat de aard van haar bedrijf toezicht op haar dieren en daarmee een tweede bedrijfswoning noodzakelijk maakt. Daarnaast stelt zij dat het bedrijf, al dan niet na een geplande uitbreiding, een omvang van ten minste 1,75 volwaardige arbeidskracht heeft. [appellant] betoogt dat de door het college ingeschakelde Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen (hierna: de SAAB) bij de berekening van de bedrijfsomvang ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de normen van het Landbouw Economisch Instituut (hierna: LEI) en daarom tot een tegengestelde conclusie is gekomen. [appellant] wijst voorts nog op andere onjuistheden in het rapport van de SAAB en trekt bovendien de onafhankelijkheid en deskundigheid van de SAAB in twijfel. Ter onderbouwing van haar beroep heeft [appellant] een rapport van Van Eerdenburg van de Faculteit der Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht van 7 april 2008 en een advies van LTO-Noord van 4 augustus 2008 overgelegd.

2.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de omvang van het bedrijf van [appellant], zoals die was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, geen tweede bedrijfswoning op het bedrijf noodzakelijk maakte. Het college ziet dit standpunt bevestigd in de vergelijking met andere soortgelijke bedrijven die in het rapport van de SAAB is opgenomen. Het college stelt zich voorts op het standpunt dat de SAAB een onafhankelijke deskundige is en dat de eventuele onvolkomenheden uit het rapport geen afbreuk doen aan de inhoud hiervan.

2.2.2. Ingevolge artikel 20, aanhef en onder a, sub 4, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2006", voor zover thans van belang, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen in die zin dat de bouw van een tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf kan worden gerealiseerd, mits:

- de arbeidsbehoefte van het bedrijf een omvang heeft van ten minste 1,75 v.a.k. (volwaardige arbeidskracht);

- de noodzaak en levensvatbaarheid van het agrarisch bedrijf is aangetoond en mits deze woning noodzakelijk is met het oog op toezicht.

Gelet op de redactie van dit planvoorschrift diende het college bij het nemen van het besluit op bezwaar te beoordelen of het bedrijf op dat moment aan de gestelde wijzigingsvoorwaarden voldeed. De aanvaardbaarheid van de tweede bedrijfswoning kan immers pas als een gegeven worden beschouwd indien aan de gestelde wijzigingsvoorwaarden is voldaan.

2.2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat een melkrundveehouderij naar haar aard toezicht en controle op het vee noodzakelijk maakt en dat het bedrijf van [appellant] in zoverre in aanmerking zou kunnen komen voor een tweede bedrijfswoning. Partijen verschillen evenwel van mening over de vraag of de omvang van het bedrijf van [appellant] zodanig is dat aan de wijzigingsvoorwaarden uit artikel 20, aanhef en onder a, sub 4, van de planvoorschriften wordt voldaan.

2.2.4. Het college heeft de SAAB opdracht gegeven te onderzoeken of het bedrijf van [appellant] voldoet aan de voorwaarden van artikel 20, aanhef en onder a, sub 4, van de planvoorschriften, voor het toekennen van een tweede bedrijfswoning. Dit onderzoek is neergelegd in het rapport "Landbouwkundig advies inzake de noodzaak van een tweede bedrijfswoning aan de [locatie] te Waskemeer ten name van maatschap [appellant]" van 27 augustus 2010. Ten aanzien van de bedrijfsomvang staat in het rapport van de SAAB dat een volwaardige arbeidskracht 90 koeien onder zijn hoede kan hebben. Ter zitting is toegelicht dat deze norm als standaard geldt in de hedendaagse landbouwpraktijk. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet in redelijkheid van deze norm uit kon worden gegaan. Een bedrijf met 1,75 volwaardige arbeidskracht komt volgens de SAAB gelet op het voorgaande overeen met een bedrijf met een omvang van 155 koeien. Het bedrijf van [appellant] had ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een omvang van 122 melkkoeien, zodat op dat moment niet werd voldaan aan de norm van 1,75 volwaardige arbeidskracht. Voor zover [appellant] betoogt dat bij de berekening van de omvang van het bedrijf ten onrechte niet de normen van het LEI zijn toegepast, overweegt de Afdeling dat het hanteren van deze normen in artikel 20, aanhef en onder a, sub 4, van de planvoorschriften niet is voorgeschreven. Reeds hierom heeft het college geen aanleiding hoeven zien om de normen van het LEI te gebruiken.

2.2.5. Het door [appellant] overgelegde advies van LTO-Noord gaat hoofdzakelijk in op de aard van het bedrijf van [appellant], waarvan op zichzelf niet in geschil is dat het in zoverre een tweede bedrijfswoning noodzakelijk zou kunnen maken. De Afdeling ziet in het advies van LTO-Noord dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies uit het rapport van de SAAB met betrekking tot de omvang van het bedrijf van [appellant].

Van Eerdenburg is in zijn rapport uitgegaan van de situatie na de uitbreiding die [appellant] voor ogen heeft. Zoals hiervoor, onder 2.2.2. is overwogen, was het college bij de keuze omtrent het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid in dit geval echter gehouden te beoordelen of het bedrijf ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aan de in de wijzigingsvoorwaarden gestelde omvang voldoet. De uitbreidingsplannen van [appellant] konden in die beoordeling derhalve geen rol spelen. Ook in het rapport van Van Eerdenburg ziet de Afdeling daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies uit het rapport van de SAAB.

2.2.6. De door [appellant] aangevoerde onjuistheden hebben betrekking op de vaststelling en waardering van feiten die niet direct van belang zijn voor de toetsing aan de wijzigingsvoorwaarden. De mogelijke omstandigheid dat het rapport in zoverre enkele onjuistheden bevat is onvoldoende om aan de onafhankelijkheid en deskundigheid van de SAAB te twijfelen.

2.2.7. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid bij de bevindingen van het rapport van de SAAB heeft mogen aansluiten. Gelet op deze bevindingen heeft het college zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat wat betreft de omvang van het bedrijf van [appellant] niet aan de wijzigingsvoorwaarden van artikel 20, aanhef en onder a, sub 4, van de planvoorschriften wordt voldaan. Onder deze omstandigheden heeft het college de bezwaren van [appellant] tegen de weigering tot toepassing van de in dit artikelonderdeel opgenomen wijzigingsbevoegdheid terecht ongegrond verklaard.

2.3. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.4. Ter zitting heeft het college evenwel aangegeven het toekennen van een tweede bedrijfswoning in heroverweging te zullen nemen indien het bedrijf van [appellant] een omvang van ten minste 1,75 volwaardige arbeidskracht heeft bereikt.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Binnema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

589-731.