Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201105502/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Willige Laagt, Liessel" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:3
Wet voorkeursrecht gemeenten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/127
JOM 2012/578

Uitspraak

201105502/1/R3.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Liessel, gemeente Deurne,

2. [appellant sub 2], wonend te Liessel, gemeente Deurne,

en

de raad van de gemeente Deurne,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Willige Laagt, Liessel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2011, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 15 juni 2011. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 20 juni 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.E.H.G. Paping-Driessen en ing. H.J. Smit, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein Willige Laagt in de kern Liessel.

2.2. [appellant sub 1] richt zich tegen de bestemming "Agrarisch-Dorpsgebied onbebouwd (A)" die aan zijn perceel is toegekend. [appellant sub 1] voert aan dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, nu de bestemming "Bedrijf (B)" volgens hem slechts is toegekend aan gronden in eigendom van de gemeente of aan gronden die naar verwachting vóór de vaststelling van het plan konden worden verworven. Hij voert aan dat het plan is vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening, aangezien de raad geen planologische redenen heeft aangevoerd waarom aan zijn perceel geen bedrijfsbestemming is toegekend. Volgens hem is, ten onrechte, de voornaamste reden om aan zijn perceel die bestemming niet toe te kennen, de door de raad gestelde onmogelijkheid de exploitatiekosten te verhalen via een exploitatieplan. Verder bestrijdt [appellant sub 1] de juistheid van de motivering van de raad dat geen bedrijfsbestemming is toegekend aan zijn perceel vanwege een kleinere behoefte aan uitbreiding van het bedrijventerrein dan waarvan bij het voorontwerp van het plan werd uitgegaan. Volgens [appellant sub 1] bedroeg zowel in het ontwerp van het plan als in het vastgestelde plan de uitbreidingsbehoefte 5,9 ha, terwijl in het voorontwerp nog werd uitgegaan van 5,7 ha. Dat de raad vanwege die kleinere behoefte geen bedrijfsbestemming heeft toegekend aan zijn perceel, klemt volgens [appellant sub 1] temeer nu de raad zonder motivering heeft besloten de grens van het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" aan de zuidwestzijde van het plangebied uit te breiden ten opzichte van het voorontwerp en het ontwerp van het plan. Ten slotte heeft [appellant sub 1] ter zitting naar voren gebracht dat het gehele plangebied een bedrijfsbestemming heeft, zodat het onlogisch is zijn perceel op te nemen in het plangebied en er geen bedrijfsbestemming aan toe te kennen.

2.2.1. De raad betoogt dat bij de beslissing om aan het perceel van [appellant sub 1] niet de bestemming "Bedrijf (B)" toe te kennen belang is gehecht aan de voorziene behoefte aan bedrijventerreinen in Liessel voor de komende tien jaar, te weten een uitbreiding van 5,9 ha.

2.2.2. Ten tijde van het voorontwerp van het bestemmingsplan is, blijkens het verhandelde ter zitting, de raad uitgegaan van een behoefte aan uitbreiding van het bedrijventerrein Willige Laagt met 6,2 ha.

Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van de provincie Noord-Brabant, waarin volgens de raad te kennen is geven dat het niet de bedoeling is om meer grond als bedrijventerrein te bestemmen dan noodzakelijk is, heeft de raad een nadere behoefteraming opgesteld. Daaruit heeft de raad de conclusie getrokken dat de behoefte aan uitbreidingsruimte niet 6,2 ha maar 5,9 ha bedraagt. Bij zowel het ontwerp als de vaststelling van het plan is de laatstgenoemde behoefte aan uitbreidingsruimte tot uitgangspunt genomen. In de toelichting op het plan is vermeld dat bij het bepalen van die behoefte onder meer rekening is gehouden met de uitkomsten van een enquête onder Liesselse ondernemers en met een inventarisatie van bedrijven in het gebied rond Liessel die zijn gevestigd op een volgens de raad planologisch onwenselijke locatie.

Ter zitting is komen vast te staan dat de uitbreidingsruimte van 5,7 ha zoals opgenomen in paragraaf 4.10 van de toelichting op het voorontwerp van het plan een kennelijke verschrijving is, zodat, anders dan [appellant sub 1] beweert, de uitbreidingsbehoefte in het vastgestelde plan niet is toegenomen ten opzichte van het voorontwerp. Ten tijde van het voorontwerp ging de raad, zoals uit het vorenstaande blijkt, immers nog uit van een uitbreidingsbehoefte van 6,2 ha.

Gelet op de omvang van de behoefte aan uitbreidingsruimte op het bedrijventerrein in de planperiode heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten om aan het perceel van [appellant sub 1] niet de bestemming "Bedrijf (B)" toe te kennen. Bij zijn keuze om juist aan deze gronden niet die bestemming toe te kennen, heeft de raad betekenis mogen toekennen aan het belang dat de gronden ten behoeve van de uitbreiding aan elkaar zijn gelegen. Daarbij is van belang dat de gronden van [appellant sub 1] zijn gelegen aan de rand van en buiten de in het voorontwerp voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein.

Wat betreft de door [appellant sub 1] bedoelde verschuiving van de plangrens aan de zuidwestzijde en het toekennen van een bedrijfsbestemming aan die gronden wordt overwogen dat aan deze gronden ook in het voorheen geldende plan reeds een bedrijfsbestemming was toegekend, zodat in zoverre geen sprake is van een uitbreiding.

Dat aan een groot deel van de gronden in het plangebied een bedrijfsbestemming is toegekend, betekent niet dat, nu het perceel van [appellant sub 1] ook deel uitmaakt van dat plangebied, de raad ook daaraan een bedrijfsbestemming toe had moeten kennen. Daarbij is van belang dat aan de raad een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het toekennen van bestemmingen.

Gelet op het vorenstaande faalt het betoog dat de raad geen planologische argumenten ten grondslag heeft gelegd aan het niet toekennen van een bedrijfsbestemming aan het perceel van [appellant sub 1] en dat de argumentatie van de raad beperkt is tot het argument met betrekking tot het verhaal van exploitatiekosten.

Het betoog faalt.

2.3. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat hij door zijn inspraakreactie ten onrechte in een ongunstigere positie is gekomen omdat zijn perceel in het voorontwerp van het plan de bestemming "Bedrijf (B)" had, faalt dit betoog. Het voorontwerp maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. [appellant sub 1] kon aan het voorontwerp van het plan niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat het plan ten opzichte van het voorontwerp niet ten nadele van hem zou worden vastgesteld. De omstandigheden dat op zijn perceel een voorkeursrecht rustte ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten en dat gesprekken met vertegenwoordigers van de gemeente hebben plaatsgevonden omtrent de verwerving van zijn perceel maken dit niet anders.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant sub 2] richt zich tegen de bestemming "Wonen - Vrijkomende Agrarische Bebouwing (W-VAB)" die aan zijn perceel is toegekend. Hij exploiteerde in het verleden een varkenshouderij op het perceel. Hij voert aan dat aan zijn perceel ten onrechte de bestemming "Wonen - Vrijkomende Agrarische Bebouwing (W-VAB)" en niet de bestemming "Bedrijf (B)" is toegekend, aangezien het perceel binnen dit plan ligt en het daarom in de rede had gelegen een bedrijfsbestemming aan zijn perceel toe kennen. De toegekende bestemming is volgens hem in strijd met een goede ruimtelijke ordening, aangezien ingevolge de planregels wel bedrijfsactiviteiten op het perceel zijn toegestaan maar toch geen bedrijfsbestemming aan het perceel is toegekend. In dit verband voert hij aan dat de oude stallen op zijn perceel een totale oppervlakte hebben van 1.800 m² en dat hij daar, nu geen bedrijfsbestemming is toegekend, slechts 1.000 m² van mag gebruiken voor opslag. In dit verband voert hij verder aan dat hij gestopt is met de exploitatie van zijn varkenshouderij, zodat het perceel een bedrijfsbestemming kan krijgen. Een bedrijfsbestemming sluit volgens hem aan bij het plan, omdat aan alle andere percelen wel een bedrijfsbestemming is toegekend. Ter zitting heeft [appellant sub 2] naar voren gebracht dat de raad handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel, aangezien de raad heeft toegezegd dat aan zijn perceel een bedrijfsbestemming zou worden toegekend.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat naar aanleiding van de vooroverlegreactie van de provincie Noord-Brabant in reactie op het voorontwerp van het plan de uitbreidingsruimte voor bedrijfspercelen in het plan is teruggebracht van 6,2 ha naar 5,9 ha. Hierdoor is aan het perceel van [appellant sub 2] niet de bestemming "Bedrijf (B)" toegekend maar de bestemming "Wonen - Vrijkomende Agrarische Bebouwing (W-VAB)". Deze bestemming is volgens de raad een passende bestemming, aangezien uit controles is gebleken dat ten tijde van de vaststelling van het plan al ongeveer vijf jaar geen dieren op het perceel worden gehouden en de op 7 december 2001 verleende milieuvergunning onherroepelijk is ingetrokken.

2.4.2. Dat aan een groot deel van de gronden in het plangebied een bedrijfsbestemming is toegekend, betekent niet dat, nu het perceel van [appellant sub 2] ook deel uitmaakt van dat plangebied, de raad ook daaraan een bedrijfsbestemming had moeten toekennen. Daarbij is van belang dat aan de raad een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het toekennen van bestemmingen.

De Afdeling is van oordeel dat de raad, gelet op de omvang van de behoefte aan uitbreidingsruimte op het bedrijventerrein in de planperiode, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om aan het perceel van [appellant sub 2] niet de bestemming "Bedrijf (B)" toe te kennen. Bij zijn keuze om aan deze gronden niet die bestemming toe te kennen heeft de raad betekenis mogen toekennen aan het belang dat de gronden ten behoeve van de uitbreiding aan elkaar zijn gelegen. In dit verband is van belang dat de gronden van [appellant sub 2] zijn gelegen ten oosten van de gronden waaraan de bestemming "Bedrijf (B)" is toegekend.

Voorts hoefde de raad bij zijn beslissing over het al dan niet toekennen van een bedrijfsbestemming, gelet op het vorenstaande, geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de omstandigheid dat in de voormalige stallen van [appellant sub 2], gelet op de omvang en de omstandigheid dat daarin geen dieren meer worden gehouden, meer bedrijfsmatige activiteiten ontwikkeld zouden kunnen worden dan die de in het plan toegekende bestemming mogelijk maakt.

Tot slot volgt uit hetgeen [appellant sub 2] ter zitting naar voren heeft gebracht omtrent de gemaakte afspraken tussen hem en de gemeente niet dat uit die afspraken volgt dat zijn perceel binnen de planperiode een bedrijfsbestemming zou krijgen, zodat reeds hierom de raad niet in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel door bij dit plan niet de bestemming "Bedrijf (B)" aan zijn perceel toe te kennen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad in strijd heeft gehandeld met het in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verbod van détournement de pouvoir. Hiertoe voert [appellant sub 1] aan dat de raad de waarde van de grond kunstmatig laag houdt door aan zijn perceel de bestemming "Agrarisch - Dorpsgebied onbebouwd (A)" toe te kennen terwijl het duidelijk is dat het perceel in de toekomst een bedrijfsbestemming krijgt. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat de gemeente enerzijds bevoegd is een bestemmingsplan vast te stellen en anderzijds grondverwerver van bouwgrond voor bedrijventerreinen is, zodat óf hij gedwongen was zijn grond te verkopen voor een te lage prijs óf aan zijn perceel de bestemming "Wonen - Vrijkomende Agrarische Bebouwing (W-VAB)" zou worden toegekend en dat dat laatste nu gebeurd is.

2.5.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben geen feiten of omstandigheden gesteld op basis waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat de raad zijn bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. De omstandigheden dat voorheen op het perceel van [appellant sub 1] een voorkeursrecht op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten rustte en dat de gemeente met [appellant sub 1] en [appellant sub 2] overleg heeft gevoerd over de aankoop van hun percelen, brengen niet met zich dat de raad in strijd met artikel 3:3 van de Awb heeft gehandeld door aan hun percelen niet de bestemming "Bedrijf (B)" toe te kennen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de aankoop van gronden geschiedt door de gemeente die tal van redenen kan hebben om gedurende een langere termijn over gronden te kunnen beschikken, terwijl de bevoegheid tot vaststelling van een bestemmingsplan toekomt aan de raad, die bij het toekennen van bestemmingen een grote mate van beleidsvrijheid heeft, en die zich daarbij slechts uitspreekt over de planperiode van tien jaar. Overigens is niet gebleken dat de raad de grenzen van die beleidsvrijheid heeft overschreden door bij de vaststelling van dit plan niet de bestemming "Bedrijf (B)" toe te kennen aan de gronden van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

Het betoog faalt.

2.6. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

288-682.