Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201106708/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 september 2008 heeft het college aan de Stichting De Omslag onder ontheffing van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het verbouwen en gebruiken van het pand op het perceel Bedrijfsweg 55 te Best (hierna: het pand) ten behoeve van een dorpswerkplaats, kringloopwinkel en een kantoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201106708/1/A1.

Datum uitspraak: 4 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Beter voor Best Kringloop, gevestigd te Best,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 mei 2011 in zaak nr. 09/3567 in het geding tussen:

Beter voor Best

en

het college van burgemeester en wethouders van Best.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2008 heeft het college aan de Stichting De Omslag onder ontheffing van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het verbouwen en gebruiken van het pand op het perceel Bedrijfsweg 55 te Best (hierna: het pand) ten behoeve van een dorpswerkplaats, kringloopwinkel en een kantoor.

Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het het besluit van 2 september 2008 onder aanvulling van de motivering ervan gehandhaafd.

Bij uitspraak van 6 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Beter voor Best daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Beter voor Best bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 juli 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft De Omslag een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2012, waar Beter voor Best, vertegenwoordigd door R. Vervloet en mr.drs. F.K. van den Akker, de laatste advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door L. van der Vleuten, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar De Omslag, vertegenwoordigd door mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat te Best, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het pand, dat is gelegen op een bedrijventerrein, zal na de voorziene inpandige verbouwing mede worden gebruikt ten behoeve van een kringloopwinkel. Het bouwplan is in strijd met het geldende bestemmingsplan "Industrieterrein Noord". Om realisering ervan toch mogelijk te kunnen maken, heeft het college daarvan krachtens artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), gelezen in verbinding met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening, ontheffing verleend.

2.2. Beter voor Best betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid tot het verlenen van ontheffing heeft kunnen besluiten, omdat de komst van een nieuw kringloopbedrijf tot sluiting van de door haar gedreven onderneming ten behoeve van re-integratie zal leiden en daardoor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, richt zij zich op hetzelfde marktsegment als De Omslag. Voorts zijn beide ondernemingen afhankelijk van de kringloopactiviteiten en is de kringloopmarkt te klein voor beide, aldus Beter voor Best.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 november 2011 in zaak nr. 201105460), is voor het aannemen van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau niet doorslaggevend of er een overaanbod is en bestaande vestigingen in de desbetreffende sector mogelijk moeten sluiten, maar of de inwoners van de gemeente niet op aanvaardbare afstand van hun woonplaats van de desbetreffende voorzieningen gebruik kunnen maken.

Re-integratie is geen voorziening in even bedoelde zin. In de gestelde omstandigheid dat het voorzieningenniveau op het gebied van re-integratie door verlening van de bouwvergunning duurzaam zal worden ontwricht, heeft de rechtbank dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet tot het verlenen van ontheffing heeft kunnen besluiten.

Het betoog faalt.

2.3. Beter voor Best stelt niet ten onrechte dat de rechtbank niet uitdrukkelijk is ingegaan op hetgeen zij met betrekking tot het maatschappelijk belang van het kringloopbedrijf heeft aangevoerd, maar dat leidt niet tot het met het betoog beoogde doel. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het, gelet op het maatschappelijk belang van het bouwplan, aan het verlenen van ontheffing wenst mee te werken. Het heeft aan het besluit van 25 augustus 2009 een rapport van het adviesbureau Bureau ruimtelijke ordening van 29 april 2009 (hierna: het rapport) ten grondslag gelegd, waarin onder meer is uiteengezet dat de kringloopwinkel onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van het totaal concept voor het leveren van re-integratieproducten. Het maatschappelijk belang van het bouwplan heeft het gelegen geacht in de re-integratie van werklozen en het heeft de verkoop van producten aan dat belang ondergeschikt geacht. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden om het besluit van 25 augustus 2009 te vernietigen.

2.4. Beter voor Best betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat de voorziene parkeergelegenheid in strijd is met het in de gemeente gevoerde parkeerbeleid en onvoldoende rekening is gehouden met de parkeerbehoefte van andere ondernemingen en voorzieningen die in het pand aanwezig zijn.

2.4.1. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht evenmin grond gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het project in voldoende parkeergelegenheid voorziet. In het rapport is de parkeerbehoefte aan de hand van de richtlijnen van de Stichting CROW geschat op 29 plaatsen. Niet is gesteld dat aan het rapport ten aanzien van het parkeren zodanige gebreken kleven, dat het college daarop bij het beoordelen van het bouwplan niet mocht afgaan. Omdat parkeren op eigen terrein niet mogelijk is, wordt voorzien in parkeerplaatsen aan de openbare ruimte. Daarbij is volgens het rapport in aanmerking genomen dat in het verleden door hoge bebouwingspercentages, zoals hier het geval, niet altijd mogelijk is geweest om op eigen terrein te parkeren en derhalve op grote schaal aan de openbare ruimte wordt geparkeerd. Om aan de behoefte van 29 parkeerplaatsen te kunnen voldoen, worden parkeerplaatsen voor het pand en elders op het bedrijventerrein gerealiseerd. Voorts is volgens het rapport in aanmerking genomen dat de mogelijke piekmomenten in het weekend gelegen zijn, als de meeste andere ondernemingen gesloten zijn en derhalve de kans groot is dat er voor de bezoekers voldoende parkeergelegenheid zal zijn.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012

17-712.