Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0735

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
201109782/1/R4 en 201109782/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hillegom Zuid-Zuid" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 1
Wet geluidhinder 40
Besluit omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht 2.1
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/255
Ruimtelijk Bestuursrecht 2012/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109782/1/R4 en 201109782/2/R4.

Datum uitspraak: 28 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

de gemeente Haarlemmermeer, de raad van de gemeente Haarlemmermeer en het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna tezamen en in enkelvoud: Haarlemmermeer),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Hillegom (hierna: de raad),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hillegom Zuid-Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Haarlemmermeer bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2011, heeft Haarlemmermeer de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 november 2011, waar Haarlemmermeer, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman en mr. M.P.N. Lemmens, beiden advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, en S. Eringa, werkzaam bij de gemeente Hillegom, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad van de gemeente Lisse, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, en R.B.M. Hermans, werkzaam bij de gemeente Lisse, en Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V. (hierna: BCB), vertegenwoordigd door mr. F.G. van Dam, advocaat te Schiphol, R.H. van Berkel, D. Vlieger en A. Stuvel.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Het plan

2.2. Het plan maakt enkele ontwikkelingen op het bedrijventerrein Hillegom-Zuid mogelijk, te weten de uitbreiding van het op het bedrijventerrein gevestigde bedrijf AW Handel en Logistiek B.V. (hierna: AW) met een puinbreker en een grondzeef, alsmede de vestiging van een betonmortelcentrale. Dit laatste houdt verband met de voorgenomen verplaatsing van de betonmortelcentrale van BCB vanaf de huidige locatie aan de Meerlaan te Hillegom naar het bedrijventerrein Hillegom-Zuid. Ten behoeve van deze ontwikkelingen maakt het plan de vestiging mogelijk van bedrijven van milieucategorie 4.2.

Het plan maakt op het beoogde terrein van BCB de vestiging mogelijk van inrichtingen behorende tot een in het Besluit omgevingsrecht aangewezen categorie van inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. De raad heeft daarom in het plan rond dit terrein tevens een zone vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Voor zover de zone rond het industrieterrein op het grondgebied van de gemeente Hillegom buiten het plangebied is gelegen, is deze vastgelegd in het bestemmingsplan "Parapluplan vanwege de geluidzone van de betoncentrale van Betonmortelbedrijven Cementbouw b.v." dat bij besluit van 30 juni 2011 is vastgesteld door de raad.

Ontvankelijkheid

2.3. De raad betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. In dit verband stelt de raad in de eerste plaats dat de rechtspersoon gemeente Haarlemmermeer (hierna: de gemeente) en de raad van de gemeente Haarlemmermeer geen zienswijzen over het ontwerpplan naar voren hebben gebracht. Daarnaast betoogt de raad dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit tot vaststelling van het plan, omdat het college niet optreedt ter behartiging van een aan hem toevertrouwd belang dat rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken.

2.4. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Uit de stukken blijkt dat door het college een zienswijze naar aanleiding van het ontwerpplan naar voren is gebracht. In de zienswijze is niet vermeld dat het college deze mede namens de gemeente en de raad van de gemeente Haarlemmermeer naar voren heeft gebracht. De gemeente en de raad van de gemeente Haarlemmermeer hebben derhalve geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6:13 van de Awb kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Niet gebleken is dat de gemeente en de raad van de gemeente Haarlemmermeer redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpplan naar voren hebben gebracht. Daarbij is mede van belang dat het beroep zich niet richt tegen de wijzigingen die bij het bestreden besluit ten opzichte van het ontwerpplan zijn aangebracht.

Het beroep is daarom niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door de gemeente en de raad van de gemeente Haarlemmermeer.

2.5. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het tweede lid worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

2.5.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 3 december 2008, nr. 200800581/1, is de ruimtelijke ordening van het grondgebied van een gemeente een mede aan het college van burgemeester en wethouders toevertrouwd belang. Uit deze uitspraak volgt verder dat de belangen van een goede ruimtelijke ordening van een gemeente onder omstandigheden rechtstreeks betrokken kunnen zijn bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan in een aangrenzende gemeente.

De voorzitter overweegt dat het plan de vestiging van bedrijven van milieucategorie 4.2, waaronder inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, mogelijk maakt op korte afstand van de gemeentegrens met Haarlemmermeer. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van dergelijke bedrijven, de aanwezigheid van enkele woningen in de gemeente Haarlemmermeer op korte afstand van het plangebied en de plannen voor grootschalige woningbouw in het nabij het plangebied gelegen deel van de gemeente Haarlemmermeer, is de voorzitter van oordeel dat het mede aan het college toevertrouwde belang van een goede ruimtelijke ordening van de gemeente Haarlemmermeer rechtstreeks bij de vaststelling van het plan is betrokken. Een verdere aanwijzing hiervoor ziet de voorzitter in het feit dat het gemeentebestuur van Haarlemmermeer blijkens de stukken bij de voorbereiding van het plan op uitnodiging van de raad als bestuur van een betrokken gemeente heeft deelgenomen aan het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding het beroep, voor zover het is ingesteld door het college, niet-ontvankelijk te verklaren.

Inhoudelijke beoordeling

2.6. Ter zitting heeft Haarlemmermeer aangevoerd dat met het plan ten onrechte de vestiging van categorie 4.2-bedrijven wordt toegestaan. Dit betoog is niet opgenomen in het door Haarlemmermeer ingediende beroepschrift en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6.1. Geen rechtsregel verbiedt dat na afloop van de voor het indienen van beroepsgronden gestelde termijn alsnog nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

Hetgeen Haarlemmermeer ter zitting over het toestaan van de vestiging van categorie 4.2-bedrijven heeft aangevoerd, is van een geheel andere aard dan hetgeen zij heeft aangevoerd in de zienswijze over het ontwerpplan, het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening en het beroepschrift. Gelet hierop heeft de raad niet de mogelijkheid gehad adequaat op dit betoog te reageren. Voorts heeft Haarlemmermeer geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het redelijkerwijs niet mogelijk was deze beroepsgrond in een eerder stadium naar voren te brengen. Daarom verzet de goede procesorde zich ertegen dat deze beroepsgrond bij de beoordeling van het beroep wordt betrokken.

2.7. Haarlemmermeer betoogt dat de raad er bij de vaststelling van het plan ten onrechte van is uitgegaan dat BCB en AW twee afzonderlijke inrichtingen vormen. Volgens haar bestaan er tussen de inrichtingen van BCB en AW zodanige bindingen, dat deze inrichtingen op grond van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer als één inrichting moeten worden beschouwd. Dit betekent volgens Haarlemmermeer dat de bedrijfsterreinen van BCB en AW tezamen hadden moeten worden aangemerkt als industrieterrein in de zin van artikel 1 van de Wet geluidhinder en dat daarvoor één geluidzone had moeten worden vastgesteld. Nu de ligging van de zone rond het industrieterrein in dat geval had moeten zijn gebaseerd op de geluidbelasting van BCB en AW samen, had volgens Haarlemmermeer een ruimere zone moeten worden vastgesteld. Haarlemmermeer stelt dat de zone zich bij een juiste vaststelling mede uitstrekt over het grondgebied van de gemeente Haarlemmermeer en belemmeringen oplevert voor de voorgenomen grootschalige woningbouw in het kader van het project Westflank Haarlemmermeer.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat door het plan slechts met betrekking tot het beoogde terrein van BCB een industrieterrein in de zin van artikel 1 van de Wet geluidhinder ontstaat. Volgens de raad kan daarom worden volstaan met een geluidzone rond het terrein van BCB. De raad stelt zich daarbij op het standpunt dat BCB en AW als twee afzonderlijke inrichtingen kunnen worden aangemerkt.

2.7.2. Ingevolge artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt onder industrieterrein verstaan: terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtingen, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie van inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken.

Ingevolge artikel 40 wordt, indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

De categorieën van inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken zijn aangewezen in artikel 2.1, derde lid, in samenhang met bijlage I, onderdeel D, van het Besluit omgevingsrecht.

2.7.3. In het plan is aan zowel het beoogde terrein van BCB als aan het terrein van AW de bestemming "Bedrijf" toegekend met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2". Aan het terrein van AW is tevens de aanduiding "geluidzone industrie" toegekend.

Uit artikel 3.1, aanhef en onder a, sub 1, van de planregels, in samenhang met de in bijlage I opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten, volgt dat op het terrein van AW de vestiging van bedrijven van milieucategorie 4.2 is toegestaan, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen. Gelet op artikel 1 van de planregels dient in dit verband onder een geluidzoneringsplichtige inrichting te worden verstaan: een inrichting waarbij ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet mag overschrijden. Uit artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels, in samenhang met de in bijlage I opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten, volgt dat de vestiging van geluidzoneringsplichtige inrichtingen op het beoogde terrein van BCB wel is toegestaan.

2.7.4. De raad is er bij de vaststelling van het plan van uitgegaan dat alleen een industrieterrein in de zin van artikel 1 van de Wet geluidhinder ontstaat voor zover het het beoogde terrein van BCB betreft. Gelet op het bepaalde in artikel 1 van de Wet geluidhinder ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat de raad niet slechts dit deel van het bedrijventerrein als industrieterrein had mogen beschouwen. Het plan laat immers alleen op het beoogde terrein van BCB de vestiging toe van inrichtingen uit een categorie die op grond van het Besluit omgevingsrecht is aangewezen als categorie van inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken en artikel 1 van de Wet geluidhinder biedt de mogelijkheid een industrieterrein als bedoeld in die bepaling te beperken tot de gronden waarop volgens het bestemmingsplan de vestiging van dergelijke inrichtingen is toegestaan.

2.7.5. De vraag of de inrichtingen van BCB en AW op grond van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer als één inrichting moeten worden beschouwd kan naar het oordeel van de voorzitter in deze procedure onbeantwoord blijven. Gelet op de regeling in artikel 3.1 van de planregels moet ervan worden uitgegaan dat de vestiging van inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken op het terrein van AW niet is toegestaan. Indien BCB en AW als één inrichting zouden moeten worden aangemerkt, zou die inrichting - ervan uitgaande dat de inrichting van BCB valt onder een in bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht aangewezen categorie - naar het oordeel van de voorzitter op grond van het plan derhalve niet mede op het terrein van AW gevestigd mogen zijn. Of BCB en AW als één inrichting moeten worden aangemerkt, zal in het kader van de beslissing op de door BCB en AW ingediende aanvragen om vergunningen op grond van de Wet milieubeheer moeten worden beoordeeld.

2.7.6. Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan niet van een onjuiste begrenzing van het industrieterrein in de zin van artikel 1 van de Wet geluidhinder is uitgegaan. Nu Haarlemmermeer de juistheid van de bepaling van de zone rondom het industrieterrein voor het overige niet heeft bestreden, bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 40 van de Wet geluidhinder.

Conclusie

2.8. In hetgeen Haarlemmermeer heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.9. Het beroep is niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door de gemeente en de raad van de gemeente Haarlemmermeer. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Proceskosten

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door de gemeente Haarlemmermeer en de raad van de gemeente Haarlemmermeer;

II. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond;

III. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012

483.