Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
201111623/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 27 oktober 2011 heeft de Rb. zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van de vreemdeling, gericht tegen de, naar hij heeft gesteld, hem op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) opgelegde maatregel van bewaring. (…) Uit het vorenstaande blijkt dat de vreemdeling gedetineerd is op grond van een bevel van de Congolese autoriteiten en dat deze detentie thans op verzoek en onder verantwoordelijkheid van het Strafhof op grond van artikel 93, zevende lid, van het Statuut, artikel 192 van het Reglement en de tussen de Congolese autoriteiten en het Strafhof gesloten overeenkomst plaatsvindt in een detentiecentrum dat onder beheer en gezag van het Strafhof staat. Ingevolge artikel 88 van de Uitvoeringswet is de Nederlandse wet niet van toepassing op vrijheidsontneming ondergaan op last van het Strafhof binnen in Nederland aan het Strafhof ter beschikking gestelde ruimten. Reeds daarom kan detentie van de vreemdeling niet berusten op de uitoefening of gepretendeerde uitoefening van enige in de Vw 2000 aan de minister verleende bevoegdheid. Derhalve heeft de Rb. terecht geoordeeld dat de vreemdelingenrechter niet bevoegd is om over de rechtmatigheid van deze detentie te oordelen. Gelet hierop klaagt de vreemdeling eveneens tevergeefs dat de Rb. in strijd met artikel 8:71 van de Awb niet in haar uitspraak heeft vermeld dat slechts een vordering bij de burgerlijke rechter mogelijk is.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringswet Internationaal Strafhof
Uitvoeringswet Internationaal Strafhof 88
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1057
JV 2012/213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111623/1/V3.

Datum uitspraak: 22 maart 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 27 oktober 2011 in zaak nr. 11/31019 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 27 oktober 2011, verzonden op 28 oktober 2011, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van de vreemdeling van 26 september 2011, gericht tegen de, naar hij heeft gesteld, hem op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) opgelegde maatregel van bewaring. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 4 november 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat en voor zover thans van belang, overwogen dat Trial Chamber I de griffie van het Internationaal Strafhof (hierna: het Strafhof) heeft verzocht in overleg te treden met de Nederlandse autoriteiten over de overdracht van de vreemdeling, dat niet in geschil is dat de Nederlandse autoriteiten hebben geweigerd aan een dergelijke overdracht mee te werken en dat niet is gebleken dat het Strafhof de Nederlandse staat eenzijdig tot deze overdracht kan verplichten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat de Nederlandse autoriteiten zich bereid hebben verklaard te bezien of de vreemdeling voor het verlenen van bescherming in aanmerking komt en het Strafhof hebben verzocht de detentie van de vreemdeling voort te zetten, niet leidt tot het oordeel dat deze detentie op gezag en/of onder beheer van de Nederlandse autoriteiten plaatsvindt, gelet op de brief van de Griffier van het Strafhof van 19 oktober 2011. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen, omdat de detentie niet gelijk gesteld kan worden aan een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000.

2.1.1. In de eerste tot en met vijfde grief klaagt de vreemdeling, samengevat, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard van het beroep kennis te nemen.

De vreemdeling betoogt hiertoe, samengevat, dat de rechtbank zijn standpunt op verschillende onderdelen onjuist heeft weergeven en ten onrechte niet heeft verwezen naar de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof (Stb. 2002, 314; hierna: de Uitvoeringswet) en de notitie van de Minister van Justitie van 3 juli 2002 (Kamerstukken II, 2001/02, 28 098 en 28 099, nr. 13; hierna: de notitie), waaruit volgt dat de Nederlandse staat rechtsmacht heeft.

Voorts betoogt de vreemdeling dat het Strafhof de Nederlandse autoriteiten heeft verzocht de controle over hem over te nemen, welk verzoek Nederland niet kon weigeren, gelet op de artikelen 34 en 93, eerste lid, onder 1, van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2000, 120; hierna: het Statuut) en de artikelen 1, eerste lid en 45, tweede lid, van de Uitvoeringswet. Deze weigering heeft geleid tot het voortduren van de detentie, terwijl het Strafhof niet langer bevoegd is de vreemdeling gedetineerd te houden. De rechtbank diende het beroep op de artikelen 1 en 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bij de beoordeling te betrekken, nu ook de weigering gezag uit te oefenen ertoe leidt dat Nederland rechtsmacht heeft.

Tevens betoogt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de verklaring van de griffier van het Strafhof van 19 oktober 2011, omdat deze strijdig is met de uitspraak van Trial Chamber I, waaruit volgt dat er geen bevoegdheid meer is de vreemdeling gedetineerd te houden.

Ten slotte betoogt de vreemdeling dat de rechtbank de zaak ten onrechte niet naar de burgerlijke rechter heeft doorverwezen, nu hij de voortduring van zijn detentie niet bij het Strafhof aan de orde kan stellen.

2.1.2. Artikel 93, zevende lid, van het Statuut luidt:

'(a) The Court may request the temporary transfer of a person in custody for purposes of identification or for obtaining testimony or other assistance. The person may be transferred if the following conditions are fulfilled:

(i) The person freely gives his or her informed consent to the transfer; and

(ii) The requested State agrees to the transfer, subject to such conditions as that State and the Court may agree.

(b) The person being transferred shall remain in custody. When the purposes of the transfer have been fulfilled, the Court shall return the person without delay to the requested State.'

Artikel 192 van het Reglement van Proces- en Bewijsvoering (www.icc-cpi.int; hierna: het Reglement) luidt:

'Transfer of a person in custody

1. Transfer of a person in custody to the Court in accordance with article 93, paragraph 7, shall be arranged by the national authorities concerned in liaison with the Registrar and the authorities of the host State.

2. The Registrar shall ensure the proper conduct of the transfer, including the supervision of the person while in the custody of the Court.

3. The person in custody before the Court shall have the right to raise matters concerning the conditions of his or her detention with the relevant Chamber.

4. In accordance with article 93, paragraph 7 (b), when the purposes of the transfer have been fulfilled, the Registrar shall arrange for the return of the person in custody to the requested State.'

Artikel 8, eerste lid, van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland (Trb. 2007, 125; hierna: het Zetelverdrag) luidt:

'The premises of the Court shall be under the control and authority of the Court, as provided under this Agreement.'

Artikel 88 van de Uitvoeringswet luidt:

'De Nederlandse wet is niet van toepassing op vrijheidsontneming ondergaan op last van het Strafhof binnen in Nederland aan het Strafhof ter beschikking gestelde ruimten.'

Artikel 8:71 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:

'Voor zover uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld, wordt dit in de uitspraak vermeld. De burgerlijke rechter is aan die beslissing gebonden.'

2.1.3. De vreemdeling, die in de Democratische Republiek Congo (hierna: de DRC) reeds gedetineerd was, is op 27 maart 2011 als 'defence Witness 19' samen met drie andere getuigen op grond van artikel 93, zevende lid, van het Statuut, artikel 192 van het Reglement en de tussen het Strafhof en de Democratische Republiek Congo gesloten overeenkomst naar het Strafhof overgebracht, teneinde als getuige te worden gehoord in de zaak van de Aanklager tegen Thomas Lubanga Dyilo onderscheidenlijk de zaak van de Aanklager tegen Germain Katanga en Mathieu Ngudjolo Chiu. Na het afleggen van zijn getuigenverklaring heeft de vreemdeling het Strafhof verzocht op grond van artikel 68 van het Statuut passende maatregelen te nemen om zijn veiligheid te beschermen. De vreemdeling heeft voorts een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bij de Nederlandse autoriteiten ingediend.

2.1.4. In overweging 2 van de uitspraak van het Strafhof van 5 augustus 2011 in zaak nr. ICC-01/04-01/06-2766-Red (www.icc-cpi.int) betreffende de vreemdeling staat:

'Although he had been detained in the Democratic Republic of the Congo ("DRC") pending the determination of criminal proceedings against him, the Congolese authorities agreed to his transfer, subject to certain conditions in the Standard Operating Procedure that they negotiated with the Registry of the Court ("Registry").

(…)

He was transferred together with three other detained witnesses (…) who have each testified before Chamber II.'

In overweging 3 staat:

'On his arrival in the Netherlands, defence Witness 19 was sent to the United Nations Detention Unit ("UNDU") of the International Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia in Scheveningen, where he was detained at the request of the Court.'

In overweging 80 van de uitspraak van het Strafhof van 9 juni 2011 in zaak nr. ICC-01/04-01/07-3003-tENG (www.icc-cpi.int) betreffende de drie voormelde getuigen in de zaak van de Aanklager tegen Germain Katanga en Mathieu Ngudjolo Chiu staat:

'For the time being, the witnesses under a detention order issued by the Congolese authorities shall remain detained in the custody of the Court pursuant to article 93(7) of the Statute and rule 192 of the Rules. The Chamber does not endorse the Registry's argument that their continued detention would have no legal basis now that they have completed their testimony before the Court.'

In overweging 87 van voormelde uitspraak van het Strafhof van 5 augustus 2011 staat:

'(…) The asylum application is directed at the Dutch Authorities and it is for them to decide whether it is necessary to intervene in order to take control of the witness until such time as the application and any appellate phase in those proceedings are determined. The Chamber therefore orders the Registry, in consultation with the Dutch authorities, to file a report on the procedure that needs to be followed in order for the Host State to be able to discharge its international obligations pursuant to this asylum request before defence Witness 19 is returned to the DRC (unless the request is granted).'

In overweging 10 van de uitspraak van het Strafhof van 15 augustus 2011 in zaak nr. ICC-01/04-01/06-2785 (www.icc-cpi.int) betreffende de vreemdeling staat:

'As set out by the Chamber, it is for the Dutch authorities to decide whether, according to its national and international obligations, it will take control of the witness until such time as the application and any appellate phase in those proceedings are determined. The Host State is urged to consider without delay whether it intends to defer defence Witness 19's departure from the Netherlands. The Registry is to consult with the Dutch authorities on the transfer of the witness into the "control" of the Netherlands if the Host State intends to defer his departure pending its decision on the asylum application. (…)'

In overwegingen 12, 13 en 15 van de door de vreemdeling overgelegde uitspraak van het Strafhof van 1 september 2011 in zaak nr. ICC-01/04-01/06-2804, betreffende de vreemdeling, staat:

'As the Host State has now informed the Chamber that it does not intend to defer the transfer of defence Witness 19 back to the DRC and it has declined to consult with the Registry on the transfer of custody to the Host State, the request for reconsideration of the Chamber's Implementation Order is moot.

The judges are of the view that the Chamber has provided the Registry with clear guidance, namely that deferring the departure of defence Witness 19 was subject to the condition that custody of the witness is transferred to the Host State pending the latter's decision on the asylum application. The Chamber has discharged its obligations under Article 21(3) of the Statute and it is now for the Host State, to whom the asylum application is directed, to decide whether it is necessary to intervene in order to take control of the witness until such time as the application and any appellate phase in those proceedings are determined.

(…)

If at any time before he finally leaves for the DRC the Dutch authorities indicate that they intend to take control of the witness, the Registrar is to cooperate in the transfer of defence Witness 19 to the Host State.'

2.1.5. De brief van de Griffier van het Strafhof aan het ministerie van Buitenlandse Zaken van 19 oktober 2011 vermeldt, voor zover thans van belang:

'On the specific matter of the detained witnesses, the Registrar hereby confirms the position that the four detained witnesses, one attached to the case The Prosecutor vs. Thomas Lubanga Dyilo (ICC 01/04-01/06), and the remaining three attached to the case The Prosecutor vs. Germain Katanga and Mathieu Ngudjolo Chui (ICC-01/04-01/07), are currently detained under the exclusive authority of the Democratic Republic of the Congo ("DRC") following the requests of both Trial Chamber I and Trial Chamber II, respectively, to facilitate their viva voce testimonies at the seat of the Court, pursuant to Article 93(7) of the Rome Statute. These persons are currently detained under the custody of the Court, pursuant to Rule 192(2) of the Rules of Procedure and Evidence of the Court and to an agreement between the Congolese authorities and the Court.

(…)

For its part, Trial Chamber I has ordered the Registry to also consult with the Dutch authorities on the transfer of the witness into the control of the Host State pending its decision on the asylum application. With this background into consideration, the Registrar further confirms that the ICC judges have, at no stage, issued any decision requesting the Host State to assume the custody of the four detained witnesses.'

2.1.6. Uit het vorenstaande blijkt dat de vreemdeling gedetineerd is op grond van een bevel van de Congolese autoriteiten en dat deze detentie thans op verzoek en onder verantwoordelijkheid van het Strafhof op grond van artikel 93, zevende lid, van het Statuut, artikel 192 van het Reglement en de tussen de Congolese autoriteiten en het Strafhof gesloten overeenkomst plaatsvindt in een detentiecentrum dat onder beheer en gezag van het Strafhof staat.

2.1.7. Ingevolge artikel 88 van de Uitvoeringswet is de Nederlandse wet niet van toepassing op vrijheidsontneming ondergaan op last van het Strafhof binnen in Nederland aan het Strafhof ter beschikking gestelde ruimten. Reeds daarom kan detentie van de vreemdeling niet berusten op de uitoefening of gepretendeerde uitoefening van enige in de Vw 2000 aan de minister verleende bevoegdheid. Derhalve heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de vreemdelingenrechter niet bevoegd is om over de rechtmatigheid van deze detentie te oordelen.

Gelet hierop klaagt de vreemdeling eveneens tevergeefs dat de rechtbank in strijd met artikel 8:71 van de Awb niet in haar uitspraak heeft vermeld dat slechts een vordering bij de burgerlijke rechter mogelijk is. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:71 van de Awb blijkt, dat deze bepaling is geschreven voor situaties waarin onduidelijk is of de Nederlandse bestuursrechter dan wel de Nederlandse burgerlijke rechter bevoegd is, maar wel vaststaat dat enige Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. In de thans voorliggende zaak staat, gelet op artikel 88 van de Uitvoeringswet, geenszins vast dat enige Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dus ook niet dat een vordering bij de burgerlijke rechter mogelijk is. Derhalve heeft de rechtbank terecht geen toepassing gegeven aan artikel 8:71 van de Awb.

Gelet op het voorgaande kan hetgeen de vreemdeling voor het overige heeft aangevoerd niet leiden tot het ermee beoogde doel.

De grieven falen.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Vonk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2012

345-699.

Verzonden: 22 maart 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser