Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
201201508/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 15 oktober 2009 in zaak nr. 200907306/1/V3; www.raadvanstate.nl) strekt inbewaringstelling ter fine van uitzetting, zodat de bevoegdheid van de minister om de vreemdeling in bewaring te stellen afhankelijk is van diens bevoegdheid om de vreemdeling uit te zetten. Derhalve bestaat, zolang de ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 aan een vreemdeling gegunde termijn om Nederland uit eigen beweging te verlaten niet is verstreken, gelet op voormelde bepaling, gelezen in samenhang met artikel 63, eerste lid, van de Vw 2000, geen ruimte om die vreemdeling in bewaring te stellen. Door er onder verwijzing naar de door de minister verschafte toelichting dat en waarom de vreemdeling de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten, bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel van uit te gaan dat de vreemdeling een vertrektermijn is onthouden, heeft de Rb. niet onderkend dat de vreemdeling in het terugkeerbesluit van 6 januari 2012 een vertrektermijn van 28 dagen is gegund. Dat is doorslaggevend. Dat dit niet op goede gronden zou zijn gebeurd, zoals de minister betoogt, is, wat daar verder ook van zij, in dit kader niet relevant. Uitsluitend een wijziging van dit besluit zou eventueel consequenties voor de vertrektermijn kunnen hebben. Het proces-verbaal van 9 januari 2012 kan niet als zodanige wijziging worden aangemerkt, reeds omdat de op de zaak betrekking hebbende stukken geen blijk geven van een rechtsgeldige bekendmaking daarvan aan de vreemdeling. Gelet op de hiervoor onder 2.4.1. weergegeven jurisprudentie klaagt de vreemdeling derhalve terecht dat haar inbewaringstelling onrechtmatig moet worden geacht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 62
Vreemdelingenwet 2000 63
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201508/1/V3.

Datum uitspraak: 28 maart 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 27 januari 2012 in zaak nr. 12/701 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 januari 2012, verzonden op 3 februari 2012, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 februari 2012, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft zij daarbij de Afdeling verzocht haar schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De minister van Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.2. Hetgeen in grief 1 is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) met dat oordeel volstaan.

2.3. De vreemdeling is op 6 januari 2012 in bewaring gesteld. Voorafgaand aan de inbewaringstelling is haar een terugkeerbesluit van die datum uitgereikt, waarin is aangekruist dat de vreemdeling binnen een termijn van 28 dagen de Europese Unie dient te verlaten. Blijkens een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 9 januari 2012 is die vertrektermijn abusievelijk gegund en was bedoeld in het terugkeerbesluit te bepalen dat de vreemdeling de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten.

2.4. In grief 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister voldoende gemotiveerd naar voren heeft gebracht dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk dient te verlaten, zodat ervan wordt uitgegaan dat haar een vertrektermijn van nul dagen is opgelegd, welke termijn ook is meegewogen bij de beslissing de vreemdeling in bewaring te stellen. Daartoe voert de vreemdeling aan dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat haar in het terugkeerbesluit van 6 januari 2012 een vertrektermijn van 28 dagen is gegund. Derhalve is niet relevant of zij "had moeten begrijpen" dat in plaats daarvan was bedoeld haar een vertrektermijn te onthouden. Subsidiair betoogt de vreemdeling dat het gebrek eerst op 9 januari 2012 is hersteld, zodat in ieder geval ten tijde van de inbewaringstelling een vertrektermijn van 28 dagen gold en de maatregel derhalve niet rechtmatig is opgelegd. Door te overwegen dat de vreemdeling aldus niet in haar belangen is geschaad, aangezien de termijn om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het terugkeerbesluit nog niet is verstreken, heeft de rechtbank voorts miskend dat ter zake geen ruimte bestond een belangenafweging te verrichten, aldus de vreemdeling.

2.4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 15 oktober 2009 in zaak nr. 200907306/1/V3; www.raadvanstate.nl) strekt inbewaringstelling ter fine van uitzetting, zodat de bevoegdheid van de minister om de vreemdeling in bewaring te stellen afhankelijk is van diens bevoegdheid om de vreemdeling uit te zetten. Derhalve bestaat, zolang de ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 aan een vreemdeling gegunde termijn om Nederland uit eigen beweging te verlaten niet is verstreken, gelet op voormelde bepaling, gelezen in samenhang met artikel 63, eerste lid, van de Vw 2000, geen ruimte om die vreemdeling in bewaring te stellen.

2.4.2. Door er onder verwijzing naar de door de minister verschafte toelichting dat en waarom de vreemdeling de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten, bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel van uit te gaan dat de vreemdeling een vertrektermijn is onthouden, heeft de rechtbank niet onderkend dat de vreemdeling in het terugkeerbesluit van 6 januari 2012 een vertrektermijn van 28 dagen is gegund. Dat is doorslaggevend. Dat dit niet op goede gronden zou zijn gebeurd, zoals de minister betoogt, is, wat daar verder ook van zij, in dit kader niet relevant. Uitsluitend een wijziging van dit besluit zou eventueel consequenties voor de vertrektermijn kunnen hebben. Het proces-verbaal van 9 januari 2012 kan niet als zodanige wijziging worden aangemerkt, reeds omdat de op de zaak betrekking hebbende stukken geen blijk geven van een rechtsgeldige bekendmaking daarvan aan de vreemdeling. Gelet op de hiervoor onder 2.4.1. weergegeven jurisprudentie klaagt de vreemdeling derhalve terecht dat haar inbewaringstelling onrechtmatig moet worden geacht.

Reeds hierom slaagt de grief.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot inbewaringstelling van 6 januari 2012 alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 6 januari 2012 tot 6 februari 2012, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

2.6. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 27 januari 2012 in zaak nr. 12/701;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 2555,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderdvijfenvijftig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker Dekker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Wijker-Dekker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012

562.

Verzonden: 28 maart 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser