Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
201106704/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft het college aan ZorgID B.V. onder verlening van ontheffing ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een verzorgingshuis met nevenruimten aan de Diekjansweg 1 te Rijssen (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106704/1/A1.

Datum uitspraak: 28 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 12 mei 2011 in zaak nrs. 11/354 en 11/355 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft het college aan ZorgID B.V. onder verlening van ontheffing ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een verzorgingshuis met nevenruimten aan de Diekjansweg 1 te Rijssen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 juli 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Door vergunninghouder is een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Vergunninghouder heeft tevens nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2011, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. C. van Bart, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is gehoord ZorgID B.V. vertegenwoordigd door [gemachtigden], en bijgestaan door mr. L.J. Wildeboer en mr. A. Koppert, beiden advocaat te Utrecht.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten en vernieuwen van een verzorgingshuis met nevenaccommodaties op het perceel, deels ter vervanging van een reeds bestaand verzorgingshuis met nevenaccommodaties.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Braakmanslanden 1996" rust op het perceel de bestemming "Maatschappelijke doeleinden", met de aanduiding "bijzondere woonvormen".

Ingevolge artikel 5, eerste lid (doeleinden), van de planvoorschriften zijn, voor zover hier van belang, de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor bijzondere woonvormen een en ander met bijbehorende bebouwing, groen, verkeers- en parkeervoorzieningen en (on)bebouwde terreinen.

Ingevolge het derde lid (bouwvoorschriften), voor zover hier van belang, dient de bebouwing te voldoen aan de volgende voorschriften:

a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken worden opgericht;

b. de hoogte van gebouwen bedraagt 12 m met uitzondering van hetgeen op de plankaart is aangegeven.

2.3. [appellant] betoogt dat het bouwplan in strijd is met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" en de nadere aanduiding "bijzondere woonvormen". Hij voert daartoe aan dat sprake is van zelfstandige appartementen, nu deze over twee slaapkamers beschikken. Voorts stelt hij dat in de zelfstandig te bewonen wooneenheden personen worden gehuisvest die geen gebruik maken van de ondersteunende diensten en centrale voorzieningen van het verzorgingshuis. Volgens [appellant] bestaat er daarom geen verband tussen wonen en mogelijk benodigde zorg.

2.3.1. In het bestemmingsplan is geen definitie van het begrip "bijzondere woonvormen" opgenomen. Derhalve dient voor de vraag wat daaronder moet worden verstaan te worden uitgegaan van het normale spraakgebruik. Uit de bouwaanvraag en de bijbehorende bouwtekeningen blijkt dat het bouwwerk en de bijbehorende terreinen zullen worden gebruikt voor de gezondheidszorg en dat het bouwplan voorziet in 43 als aanleunwoningen aan te merken woningen, 12 inpandige appartementen, 86 kamers, alsmede voorzieningen voor 24 uurszorg. Voor zover het bouwplan voorziet in zelfstandige wooneenheden, te weten de 43 als aanleunwoningen aan te merken woningen en de 12 inpandige appartementen, kunnen de bewoners tegen betaling gebruik maken van de zorgvoorzieningen die op het terrein worden aangeboden.

Om in aanmerking te komen voor woonruimte in het zorgcentrum is een indicatie verblijf van het Centrum Indicatiestelling Zorg noodzakelijk. Dat geldt ook voor de 12 appartementen waarvan de bewoners zijn aangewezen op de aanwezige zorgvoorzieningen. De bewoners zijn ouderen en mensen met lichamelijke en/of verstandelijke beperkingen die niet zelfstandig kunnen wonen en over een zorgindicatie "verblijf" beschikken. Gelet hierop moeten zowel de te realiseren zelfstandige als niet-zelfstandige wooneenheden worden aangemerkt als bijzondere woonvormen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften. Het bouwplan voorziet derhalve niet in de oprichting van gebouwen voor een ander gebruik dan op grond van het bestemmingsplan is toegelaten.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat niet deugdelijk is gemotiveerd waarom het bouwplan met 56 parkeerplaatsen voldoet aan artikel 2.5.30 van de Bouwverordening. Hij voert daartoe aan dat het college de parkeerkencijfers uit de Aanbevelingen Stedelijke Verkeervoorzieningen 2004 (hierna: ASVV 2004) van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (thans Stichting CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer, en openbare ruimte), zonder meer heeft toegepast en daarbij de minimale aantallen heeft gehanteerd, zonder zich te verdiepen in de achtergrond en de uitleg van het parkeeronderzoek. Volgens [appellant] wordt met de aanleg van 56 parkeerplaatsen niet voldaan aan de parkeerbehoefte omdat voor de zelfstandige appartementen is uitgegaan van de onjuiste categorie. Onder verwijzing naar het rapport second opinion parkeerbalans "Het Overbos" van Goudappel Coffeng van 16 november 2009 stelt [appellant] dat voor een seniorenwoning bij voorkeur een parkeernorm van 1,4, maar ten minste een parkeernorm van 1,0 gehanteerd zou moeten worden. Tevens stelt [appellant] dat bij de berekening van de parkeerbehoefte geen rekening is gehouden met het feit dat negen parkeerplaatsen zijn gereserveerd en derhalve niet meetellen bij het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Voorts is bij de berekening ten onrechte geen rekening gehouden met de overige ruimten en voorzieningen van het verzorgingshuis, aldus [appellant].

2.4.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Rijssen-Holten (hierna: de Bouwverordening) moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

2.4.2. Uitgangspunt voor berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen is de behoefte die voortvloeit uit realisering van het bouwplan waarop de verleende bouwvergunning betrekking heeft. Daarbij hoeft geen rekening te worden gehouden met een bestaand tekort, maar uitsluitend met de additionele parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan.

2.4.3. Het college heeft ter zitting gesteld dat het bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen in het algemeen de vermelde minimale aantallen in de ASVV 2004 als uitgangspunt neemt. Alleen in bijzondere gevallen, zoals bij ernstige parkeerproblemen, wijkt het daarvan af. Dit uitgangspunt is niet onredelijk.

De voorzieningenrechter heeft voorts terecht overwogen dat het college niet gehouden was af te wijken van dat algemene uitgangspunt. Daarbij is van belang dat het college onweersproken heeft gesteld dat het aantal bewoners en wooneenheden ten opzichte van de huidige capaciteit niet of nauwelijks zal veranderen en alle interne en gemeenschappelijke voorzieningen, behalve de tafeltjedekjeservice, ook reeds aanwezig zijn in de bestaande situatie. Ten slotte heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het college dat er in de bestaande situatie geen parkeerproblemen zijn, onjuist is. Gelet op het bovenstaande heeft de voorzieningenrechter op goede gronden geoordeeld dat het college geen onjuiste parkeernormen heeft toegepast.

2.4.4. Het bouwplan waarvoor bouwvergunning is verleend, ziet op de eerste fase (fase A) van een groter bouwplan bestaande uit de fasen A en B. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van het bouwplan voor zowel fase A als de latere bouwfase B.

De voorzieningenrechter heeft op goede gronden overwogen dat het college bij het vaststellen van de parkeernormen rekening heeft gehouden met de specifieke kenmerken van de functie van de gebouwen en dat geen grond bestaat voor het oordeel dat onjuiste parkeernormen zijn toegepast. Mede gelet op het specifieke gebruik van de gebouwen heeft het college voor de 43 als aanleunwoningen aan te merken woningen en 12 inpandige appartementen, kunnen aansluiten bij de parkeerkencijfers voor serviceflat/aanleunwoningen" (0,3 parkeerplaats per woning) en voor de overige 86 kamers waarbij geen sprake is van zelfstandige bewoning, bij de parkeerkencijfers voor "verpleeg-/verzorgingshuis" (0,5 parkeerplaats per kamer, waarvan 0,3 voor bezoek) als bedoeld in de ASVV 2004. Voor wat betreft de appartementen kon het college aansluiten bij de parkeerkencijfers van serviceflat/aanleunwoningen aangezien het gaat om appartementen met gemeenschappelijke zorgvoorzieningen waarvoor een indicatie "verblijf" is vereist. De zorg wordt overwegend verleend vanuit andere bouwblokken en het te handhaven gebouw Maranatha.

De voorzieningenrechter heeft verder terecht overwogen dat de voor personeel gereserveerde parkeerplaatsen niet in mindering behoefden te worden gebracht op het benodigde aantal plaatsen, omdat deze zijn voorzien op de 17 bestaande parkeerplaatsen bij het hoofdgebouw die bij het bouwplan buiten beschouwing zijn gelaten.

Dat in een rapport van Goudappel Coffeng voor een zorgcentrum in Heemstede hogere parkeernormen worden gehanteerd, is voor de onderhavige situatie niet van belang, reeds omdat het een ander bouwplan in een andere gemeente betreft. Dat in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een bouwplan voor een zorgcomplex van een psycho-geriatrische instelling op een andere locatie in Rijssen een andere parkeernorm wordt gehanteerd, maakt evenmin dat voor het onderhavige bouwplan is uitgegaan van onjuiste parkeernormen. Deze gevallen zijn niet vergelijkbaar, reeds omdat het in het laatste geval niet gaat om renovatie, maar om nieuwbouw.

2.4.5. Volgens de parkeerbehoefteberekening zijn voor de nieuwe ontwikkeling in totaal 60 parkeerplaatsen nodig, waarvan blijkens het schema, opgenomen in de brief van vergunninghouder van 5 oktober 2011, 49 voor fase A en 11 voor fase B. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het college een aantal van 56 parkeerplaatsen voldoende kon achten, door rekening te houden met de omstandigheid dat er 56 wooneenheden zijn, voor de bewoning waarvan een zware zorgindicatie is vereist en bewoners met een dergelijke zorgindicatie niet over eigen vervoermiddelen beschikken.

Het onderhavige bouwplan, dat alleen betrekking heeft op fase A, genereert een parkeerbehoefte van 49 parkeerplaatsen terwijl op het terrein wordt voorzien in 56 parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet daarmee in de berekende parkeerbehoefte.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012

17-702.