Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0174

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
201104670/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Benoordenhout (Internationaal Strafhof)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/240

Uitspraak

201104670/1/R4.

Datum uitspraak: 28 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

De vereniging Wijkvereniging Benoordenhout, gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante,

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Benoordenhout (Internationaal Strafhof)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Wijkvereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 14 juni 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Wijkvereniging heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2012, waar de Wijkvereniging, vertegenwoordigd door mr. C.M.E. Buter-de Haas, W.E. Hoekstra, M. Boekholt en A. van Sonsbeek, en de raad vertegenwoordigd door mr. R. Sakkee en M.L. Mos, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet voornamelijk in de vestiging van het Internationaal Strafhof ter plaatse van de Alexanderkazerne te Den Haag. Voor het overige is het plan conserverend van aard. Het plangebied wordt begrensd door de Van Alkemadelaan in het westen, de Waalsdorperweg en de hieraan grenzende groenvoorziening in het zuiden, de gemeentegrens in het oosten en de ontsluitingsweg van NATO/TNO en de direct achter de Alexanderkazerne gelegen groenstrook in het noorden.

2.2. Het beroep van de Wijkvereniging richt zich onder meer tegen de bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan, zoals opgenomen in artikel 5, lid 5.4, aanhef en onder d, van de planregels. Volgens de Wijkvereniging moet in dit artikel van de planregels de voorwaarde worden toegevoegd dat de verhoging van de bebouwing geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu teweegbrengt. Of hiervan sprake is moet middels een visualisatie vanuit de omringende straten worden nagegaan, aldus de Wijkvereniging. Volgens de Wijkvereniging is een visualisatie temeer van belang omdat het een heuvelachtig terrein betreft. De Wijkvereniging betoogt in dit verband dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de voorgestelde voorwaarde om af te wijken van de bouwhoogte zoals opgenomen in de verbeelding, niet overneemt in de planregels. Een enkele toezegging over het maken van een visualisatie bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen is volgens de Wijkvereniging onvoldoende.

2.2.1. Aan de gronden waarop het Internationaal Strafhof is voorzien is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend. Binnen het bouwvlak is de aanduiding "maximale bouwhoogte 25 meter" opgenomen.

Ingevolge artikel 5, lid 5.4, aanhef en onder d, van de planregels is het bevoegd gezag bevoegd af te wijken van het tweede lid, sub 1, onder c, tot een maximum bouwhoogte van 45 meter op voorwaarde dat de oppervlakte en langste zijde van de bebouwing met een hoogte van meer dan 25 meter, respectievelijk niet meer dan 2.000 m2 en 50 meter bedragen, de bebouwing op stedenbouwkundig verantwoorde wijze kan worden ingepast en geen onevenredig nadelige gevolgen voor de aanwezige natuurwaarden teweegbrengt.

2.2.2. Ter zitting heeft de raad erkend dat het mogelijk was om de zienswijze van de Wijkvereniging op dit punt te honoreren, omdat met de voorwaarde dat de bebouwing op stedenbouwkundige wijze kan worden ingepast ook het woonmilieu is bedoeld. Volgens de raad had in het belang van de rechtszekerheid tegemoetkomend aan de wens van de Wijkvereniging in de planregel tussen "natuurwaarden" en "teweegbrengt" de woorden “of voor het woonmilieu” kunnen worden ingevoegd.

2.2.3. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Het betoog slaagt.

2.3. De Wijkvereniging voert aan dat niet duidelijk is op welke wijze de hoogte van de bebouwing wordt gemeten, omdat het terrein waarop het Internationaal Strafhof is voorzien hoogteverschillen bevat.

2.3.1. Ingevolge artikel 1, onder 54, van de planregels wordt in deze regels verstaan onder peil: 0 = + 8 NAP.

Ingevolge artikel 2, aanhef en lid 2.4, wordt bij de toepassing van deze regels de (bouw)hoogte/nokhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3.2. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de hoogte van het maaiveld in het plangebied varieert van circa 9,5 meter boven NAP tot circa 6,5 meter boven NAP. Om een eenduidig uitgangspunt te hebben is volgens de raad voor de hoogtebepaling een nieuw peil genomen waarbij peil 0 is gesteld op 8 meter NAP. De woningen in de omgeving zijn lager gelegen. De raad heeft als voorbeeld naar voren gebracht dat de bebouwing ter hoogte van de Waalsdorperweg 185 op een hoogte van 4,5 meter boven NAP ligt en dat er vanuit deze bebouwing zicht is op de nieuwbouw van het Internationaal Strafhof. Het hoogteverschil ten opzichte van het peil is volgens de raad 3,5 meter extra, zodat de beleving van de hoogte vanuit deze bebouwing maximaal 48,5 meter zal bedragen.

2.3.3. Gelet op artikel 1, onder 54, van de planregels in samenhang bezien met artikel 2, aanhef en lid 2.4, en het verhandelde ter zitting, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de planregels onvoldoende duidelijkheid bieden over de wijze waarop de bouwhoogte van de bebouwing van het Internationaal Strafhof moet worden gemeten. Het betoog faalt.

2.4. De Wijkvereniging vreest voorts voor parkeeroverlast in de omgeving vanwege de voorziene vestiging van het Internationaal Strafhof op de locatie van de Alexanderkazerne. Daartoe voert zij aan dat ten onrechte in het bestemmingsplan niet is geconcretiseerd op welke locaties binnen de bestemming "Maatschappelijk" parkeerplaatsen zijn voorzien. Zij wijst er daarbij op dat de geplande parkeergarage om financiële redenen niet zal worden gerealiseerd en dat een ondergrondse garage niet realiseerbaar is vanwege de bodemgesteldheid. Op basis van een rekensom met betrekking tot aantal werkenden, aantal bezoekers en aantal parkeerplaatsen voert de Wijkvereniging aan dat er een tekort bestaat van 235 parkeerplaatsen. De raad heeft volgens haar onvoldoende onderzoek gedaan naar de haalbaarheid om binnen de bestemming "Maatschappelijk" zelf te voorzien in de benodigde parkeerplaatsen. Voorts wijst de Wijkvereniging op artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder f, van de planregels, waarin volgens haar ten onrechte een bevoegdheid is opgenomen voor het bevoegd gezag om af te wijken van de in het plan gehanteerde parkeernormen.

2.4.1. De raad stelt dat vanwege de bouwplanontwikkeling de parkeerplaatsen niet dwingend zijn vastgelegd in het bestemmingsplan. Volgens de raad is wel onderzocht of het terrein van de Alexanderkazerne groot genoeg is om te voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Daartoe verwijst de raad naar het milieueffectrapport (hierna: MER) waarin rekening is gehouden met de gemeentelijke parkeernorm van 1 parkeerplaats per twee werknemers en 1 parkeerplaats per 20 werknemers voor bezoekers. Deze norm is tevens opgenomen in het bestemmingsplan evenals de voorwaarde dat het voor de bestemming benodigde aantal parkeerplaatsen binnen het bestemmingsvlak dient te worden gerealiseerd. De raad stelt dat gangbare parkeernormen zijn gehanteerd. Verder wijst de raad erop dat indien nodig het plan voorziet in de mogelijkheid om twaalf meter beneden peil te bouwen.

2.4.2. Het plan maakt binnen de bestemming "Maatschappelijk" parkeren mogelijk.

Ingevolge artikel 5, lid 5.5, onder b, van de planregels dient het voor de bestemming benodigde aantal parkeerplaatsen binnen het bestemmingsvlak te worden gerealiseerd.

Ingevolge lid 5.5, onder c, dient het bestemmingsverkeer, waartoe fietsers, motoren, bussen en motorvoertuigen worden gerekend, binnen het bestemmingsvlak te parkeren.

Ingevolge lid 5.5, onder d, bedraagt het benodigde aantal parkeerplaatsen ten behoeve van personeel 1 parkeerplaats per 2 werkenden en voor bezoekers 1 parkeerplaats per 20 werkenden.

Ingevolge lid 5.5, onder e, mogen maximaal 1386 parkeerplaatsen voor personeel en bezoekers binnen het bestemmingsvlak worden gerealiseerd.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder d, mag er maximaal tot 12 meter beneden peil worden gebouwd.

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder f, voor zover hier van belang, is het bevoegd gezag bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 16, lid 16.4, ten behoeve van de parkeernormen die gehanteerd worden voor het parkeren of stallen van auto’s, fietsen, bromfietsen en voor het laden en lossen van goederen, indien: op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien; nadere besluitvorming ten aanzien van het parkeerbeleid en of parkeernormen aanleiding geeft om af te wijken van de in de regels opgenomen parkeernormen; het voldoen aan de parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw.

2.4.3. In het MER dat is opgesteld ten behoeve van de permanente huisvesting van het Internationaal Strafhof op gronden van de Alexanderkazerne is onder meer de parkeerbehoefte betrokken. In tabel 7.6 van het MER is vermeld dat maximaal 1386 parkeerplaatsen nodig zijn. In het MER is uitgegaan van de gemeentelijke parkeernorm die geldt voor kantoren, zoals vastgelegd in artikel 5, lid 5.5, onder d, van de planregels. De raad heeft ter zitting uiteengezet dat het bouwvlak een oppervlakte heeft van 46.375 m2, waarvan volgens de planregels 66 procent, ofwel 30.607 m2, mag worden bebouwd. De voorziene grondoppervlakte voor de bebouwing van het Internationaal Strafhof bedraagt volgens de raad 19.250 m2, zodat nog 11.358 m2 overblijft aan te bebouwen oppervlakte. Voor het realiseren van 1386 parkeerplaatsen is volgens de raad 37.700 m2 bruto vloeroppervlakte nodig. Indien echter een parkeergarage van 4,5 laag wordt gebouwd, zoals het bestemmingsplan toestaat, is een oppervlakte nodig van 9.000 m2, zodat nog 2.358 m2 bebouwingsoppervlakte resteert, aldus de raad. Het maximaal aantal parkeerplaatsen is volgens de raad dan ook deels op maaiveld en deels in een garage realiseerbaar.

2.4.4. Niet aannemelijk is geworden dat een onjuiste parkeernorm is gehanteerd. Gelet op het verhandelde ter zitting heeft de raad voldoende duidelijk gemaakt dat er naast kantoorruimte voor het Internationaal Strafhof voldoende ruimte binnen het bouwvlak beschikbaar is voor het realiseren van de parkeerplaatsen. Voor zover de Wijkvereniging heeft gesteld, dat de realisatie van een ondergrondse parkeergarage niet mogelijk is, wat daar ook van zij, staat vast dat bovengronds de parkeerplaatsen zijn te realiseren. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare parkeeroverlast in de omgeving. Ten aanzien van de in artikel 17, lid 17.1, onder f, van de planregels neergelegde bevoegdheid af te wijken van de parkeernorm, overweegt de Afdeling dat indien - in het thans niet voorziene geval - toch ontheffing van de parkeernorm nodig is, daar rechtsmiddelen tegen kunnen worden aangewend. Het betoog faalt.

2.5. In hetgeen de Wijkvereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover in artikel 5, lid 5.4, onder d, van de planregels niet is bepaald dat de bebouwing geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu teweegbrengt, in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is genomen. Het beroep is op dit punt gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

Nu de raad en de Wijkvereniging het eens zijn over hoe artikel 5, lid 5.4, onder d, van de planregels moet komen te luiden, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, artikel 5, lid 5.4, onder d, van de planregels zelf voorziend vast te stellen door de ter zitting overeengekomen passage toe te voegen en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat derde belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad. Aangezien de Wijkvereniging ter zitting naar voren heeft gebracht dat met de toevoeging van de door haar gewenste voorwaarde in artikel 5, lid 5.4, onder d, van de planregels aan haar bezwaren met betrekking tot de hoogte van de bebouwing wordt tegemoetgekomen, behoeven de overige daarop betrekking hebbende gronden geen bespreking meer.

2.6. In hetgeen de Wijkvereniging voor het overige heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Den Haag van 10 februari 2011, voor zover in artikel 5, lid 5.4, onder d, van de planregels niet is bepaald dat de bebouwing geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu teweegbrengt;

III. bepaalt dat in artikel 5, lid 5.4, onder d, tussen "natuurwaarden" en "teweegbrengt" worden ingevoegd de woorden "of voor het woonmilieu";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 10 februari 2011;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Den Haag aan de vereniging Wijkvereniging Benoordenhout het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Alderlieste

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012

590.