Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0163

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
201105485/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105485/1/A3.

Datum uitspraak: 28 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Waalre,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 maart 2011 in zaak nr. 10/2949 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 februari 2012, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 36, derde lid, kan de minister, voor zover dat voor een goede oordeelsvorming noodzakelijk is, inlichtingen omtrent de betrokkene inwinnen bij het openbaar ministerie en bij instellingen die op grond van artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995 bevoegd zijn om reclasseringswerkzaamheden te verrichten.

Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving, bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wjsg, worden de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen (hierna: de beleidsregels).

Volgens paragraaf 3, voor zover thans van belang, wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn. Wanneer de aanvrager in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium. Voor de functie van taxichauffeur geldt dat de aanvrager van een VOG vijf jaar voorafgaand aan het moment van toetsing niet mag voorkomen in de justitiële documentatie, althans dat er geen relevante antecedenten mogen zijn.

Volgens paragraaf 3.2, voor zover thans van belang, betreft het objectieve criterium de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Dit criterium is gebaseerd op artikel 35 van de Wjsg. Indien aan de hand van het objectieve criterium is vastgesteld dat het desbetreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de betreffende functie, wordt de VOG in beginsel geweigerd.

Volgens paragraaf 3.2.2, voor zover thans van belang, wordt getoetst of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. Het betreft een objectief criterium en het is derhalve niet relevant of er een reëel recidivegevaar is. Toepassing van dit criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie waarvoor de VOG wordt aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.3, voor zover thans van belang, kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat betrokkene bij het verstrekken van de VOG heeft zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven, ook als wordt voldaan aan het objectieve criterium voor weigering.

Volgens paragraaf 3.3.2, voor zover thans van belang, ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing. Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Omdat de VOG een betrouwbaar beeld dient te geven van de integriteit van de aanvrager kunnen naast justitiële gegevens ook gegevens uit het politieregister in het oordeel worden betrokken. Van deze mogelijkheid kan alleen gebruik worden gemaakt als er justitiële gegevens over de aanvrager zijn aangetroffen. Op grond van het voorgaande kan alleen informatie over de (achtergronden van) andere (strafbare) feiten, dan die in de justitiële documentatie zijn opgenomen, worden opgevraagd. In de politieregisters kunnen bijvoorbeeld mutaties omtrent strafbare feiten aanwezig zijn, opgemaakte processen-verbaal en (dag)rapporten. Ondanks het feit dat deze informatie niet in alle gevallen tot vervolging heeft geleid, kan deze bij de beoordeling van de aanvraag worden meegewogen. In beginsel wordt slechts terughoudend gebruik van deze bevoegdheid gemaakt.

De omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden, zijn alleen relevant indien na weging van de subjectieve criteria niet tot een goede oordeelsvorming kan worden gekomen en twijfel bestaat over de vraag of een VOG kan worden afgegeven.

2.2. [appellant] heeft om afgifte van een VOG verzocht ten behoeve van de aanvraag van een chauffeurspas ter uitoefening van de functie van taxichauffeur bij zijn eigen taxibedrijf.

2.3. De minister heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] bij onherroepelijk geworden uitspraak van 11 november 2008 is veroordeeld tot een geldboete van € 200,00, subsidiair 4 dagen hechtenis wegens overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Voorts is aan dat besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] bij onherroepelijk geworden uitspraken van 16 september 2008 en 18 maart 2008 wegens het overschrijden van de maximumsnelheid is veroordeeld tot een geldboete van € 220,00, subsidiair 4 dagen hechtenis onderscheidenlijk tot een geldboete van € 240,00, subsidiair 4 dagen hechtenis. Daarnaast is [appellant] op 25 januari 2008 een transactie overeengekomen van € 220,00 wegens rijden onder invloed en is hij op 26 september 2005 een transactie overeengekomen van € 270,00 wegens het overschrijden van de maximumsnelheid. Volgens de minister bestaat daarom een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. Hij heeft afgifte van een VOG op grond van het subjectieve criterium niet aangewezen geacht.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de beleidsregels in zijn geval op onredelijke wijze zijn toegepast. Volgens hem is er onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat de strafbare feiten van een geringe ernst zijn, hem strafrechtelijk niet zwaar zijn aangerekend en objectief gezien slechts een klein risico voor de veiligheid van de samenleving vormen en dat hij door de weigering van een VOG onevenredig hard wordt getroffen, nu deze leidt tot sluiting van het taxibedrijf, waarmee hij in zijn levensonderhoud voorziet. In het bestreden besluit zijn ten onrechte de omstandigheden waaronder de strafbare feiten hebben plaatsgevonden niet meegewogen en is niet gemotiveerd dat daadwerkelijk risico voor de samenleving bestaat, aldus [appellant]. Voorts heeft de rechtbank volgens hem met het oordeel dat een nader onderzoek naar zijn integriteit niet opportuun is, miskend dat door het achterwege laten van dat onderzoek niet is voldaan aan het in de beleidsregels vervatte uitgangspunt dat de VOG een betrouwbaar beeld dient te geven van de integriteit van de aanvrager.

2.4.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de strafbare feiten die aan de weigering ten grondslag zijn gelegd, in het bijzonder het rijden onder invloed en de herhaalde snelheidsovertredingen, bij uitstek niet te verenigen zijn met de functie van taxichauffeur en, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, aan een behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden als taxichauffeur in de weg staan.

Dat de strafbare feiten niet onder alle omstandigheden tot gevaarlijke situaties leiden, doet niet af aan het bestaan van een risico voor de samenleving, indien deze feiten worden herhaald. De minister behoefde niet te beoordelen of de strafbare feiten daadwerkelijk gevaar hebben opgeleverd of zullen opleveren. De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat de stelling van [appellant] dat de veroordeling voor het overtreden van de Wet wapens en munitie slechts het bezit van een busje pepperspray betrof, waarvan geen gebruik was gemaakt, niet kan leiden tot het door hem ermee beoogde resultaat. Een ongecontroleerd gebruik van pepperspray leidt immers tot gevaar voor de veiligheid van personen.

De omstandigheden waaronder de strafbare feiten zich hebben voorgedaan zijn, anders dan [appellant] betoogt, niet relevant in het kader van het objectieve criterium, omdat wordt uitgegaan van de strafrechtelijke veroordelingen en transacties, zoals deze voorliggen. De aangevoerde omstandigheden bieden dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het objectieve criterium is voldaan.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de minister bij de belangenafweging op grond van het subjectieve criterium in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het risico voor de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG. De minister heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat de strafbare feiten [appellant] weliswaar niet zwaar zijn aangerekend, maar dat hij meermalen met justitie in aanraking is gekomen in verband met voor de taxibranche relevante strafbare feiten, zodat de kans op recidive groter is. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat, gelet op het korte tijdsverloop in samenhang met de terugkijkperiode, het risico voor de samenleving niet voldoende is afgenomen. Anders dan [appellant] stelt, heeft de rechtbank in de omstandigheid dat de minister geen nader onderzoek naar zijn integriteit heeft ingesteld terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of een risico voor de samenleving bestaat. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de omstandigheid dat [appellant] door de weigering van de afgifte van de VOG de functie van taxichauffeur niet meer kan uitoefenen en de continuïteit van zijn taxi-onderneming in gevaar komt, een bij het vaststellen van de beleidsregels voorzien mogelijk gevolg van die weigering is en geen bijzondere omstandigheid in verband waarmee de minister niettemin tot afgifte van de VOG had moeten besluiten. De omstandigheden waaronder de strafbare feiten hebben plaatsgevonden zijn alleen relevant indien de minister na weging van de subjectieve criteria niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in deze zaak geen twijfel bestaat over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, zodat de omstandigheden waaronder de strafbare feiten hebben plaatsgevonden niet in het oordeel behoefden te worden betrokken.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012

280-598.