Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0155

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
201101936/1/T1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Deurningen, Deurningerstraat 49 en Borgdijk ongenummerd" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/235

Uitspraak

201101936/1/T1/R1.

Datum uitspraak: 28 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

[appellant sub 1], wonend te Deurningen, gemeente Dinkelland, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Dinkelland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Deurningen, Deurningerstraat 49 en Borgdijk ongenummerd" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen en de raad van de gemeente Dinkelland hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2012, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.J.G. [appellant sub 10], en de raad, vertegenwoordigd door T.G.J. Snoeijink en H.H.J. Pronk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [partij], vertegenwoordigd door mr. J. Hasper, en Ambiq, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (hierna: WRvS), voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Het plan voorziet in de mogelijkheid op het perceel Deurningerstraat 49 een woonzorgaccomodatie te realiseren ten behoeve van verblijf met behandeling voor jongeren met een licht verstandelijke beperking en verblijf en dagbesteding voor (jong)volwassenen met een verstandelijke beperking. Hierbij wordt gebruik gemaakt van vrijkomende agrarische bebouwing. Verder voorziet het plan in bouwmogelijkheden voor een woning in het kader van de regeling "Rood voor rood met gesloten beurs in de gemeente Dinkelland" (hierna: Rood-voor-Rood-regeling).

Belanghebbendheid

2.3. De raad betwist dat [appellant sub 1] en anderen als belanghebbenden kunnen worden beschouwd, omdat zij allen op te grote afstand van de bestreden plandelen wonen en geen zicht hebben op die plandelen. Omdat het agrarisch bedrijf aan de Borgdijk 3 niet door het plan wordt belemmerd kan volgens de raad ook de eigenaar van dit bedrijf niet als belanghebbende worden aangemerkt.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3.2. Het beroep is ingesteld door [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 1], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17] en [appellant sub 18].

2.3.2.1. Over de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 6], [appellant sub 1], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 10]-Weghorst, [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 14], [appellant sub 18], [appellant sub 17] en [appellant sub 18], (hierna gezamenlijk: [appellant sub 6] en anderen) overweegt de Afdeling als volgt.

[appellant sub 6] en anderen wonen allen op een afstand van ruim 250 m of meer van de plandelen met de bestemming "Wonen" en "Maatschappelijk". De Afdeling is van oordeel dat de omstandigheid dat [appellant sub 7] enig zicht heeft vanuit zijn woning op het plangebied onvoldoende is om een rechtstreeks bij het plan betrokken belang aan te nemen, gelet op de afstand tot het plangebied en de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse. Wat betreft [appellant sub 6] en anderen, met uitzondering van [appellant sub 7], is niet gebleken dat zij vanuit hun woningen zicht hebben op de betrokken plandelen.

[appellant sub 6] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit wordt geraakt. De Afdeling is van oordeel dat [appellant sub 6] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de ruimtelijke uitstraling van de woonzorgaccomodatie zodanig is dat zij als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. Dat de jongeren zich in de omgeving vrij kunnen bewegen is, gelet op hetgeen door [appellant sub 6] en anderen is aangevoerd, daarvoor onvoldoende. De door [appellant sub 6] en anderen aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 8 oktober 2008, in zaak nr. 200706103/1 en van 2 juni 2010, in zaak nr. 200808739/1/R2, kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat in die gevallen de eventuele toename van verkeer invloed had op de kwaliteit van de directe woonomgeving. Daar is in dit geval geen sprake van. Ook de andere door [appellant sub 6] en anderen aangehaalde jurisprudentie ziet op andere situaties.

De conclusie is dat [appellant sub 6] en anderen geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep kunnen instellen.

Het beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 6] en anderen, zal in de einduitspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.3.2.2. Over de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] (hierna gezamenlijk: [appellant sub 2] en anderen) overweegt de Afdeling als volgt.

Gebleken is dat de gronden behorend tot het agrarisch bedrijf dat door [appellant sub 2] en anderen wordt uitgeoefend op ongeveer 10 m afstand liggen van het plangebied. Gelet hierop hebben [appellant sub 2] en anderen een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang, zodat zij als belanghebbenden bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moeten worden aangemerkt en derhalve ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, beroep kunnen instellen. Het betoog van de raad dat [appellant sub 2] en anderen niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt omdat het plan geen belemmering vormt voor de agrarische bedrijfsvoering kan daar niet aan af doen, nu gelet op de kleine afstand tussen het plangebied en de gronden van [appellant sub 2] en anderen gevolgen van het bestemmingsplan voor de gronden van [appellant sub 2] en anderen niet op voorhand zijn uitgesloten.

Voor zover de raad de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 2] en anderen, betwist, is dit betoog ongegrond.

Formele aspecten

2.4. De raad stelt dat een aantal van de door [appellant sub 2] en anderen naar voren gebrachte beroepsgronden niet is genoemd in de door hen naar voren gebrachte zienswijze, waardoor deze niet in de beoordeling van het bestreden besluit betrokken kunnen worden. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat er geen rechtsregel aan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.

[appellant sub 2] en anderen hebben in hun zienswijze de plandelen met de bestemming "Maatschappelijk" en "Wonen" bestreden. De beroepsgronden betreffen naar het oordeel van de Afdeling dezelfde plandelen als bestreden in de zienswijzenfase. Anders dan de raad heeft betoogd bestaat er geen grond om het beroep van [appellant sub 2] en anderen in zoverre in de einduitspraak niet-ontvankelijk te verklaren.

Mogelijkheden van het plan

2.5. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan wat betreft de woonzorgaccomodatie meer mogelijk maakt dan de raad heeft beoogd. Volgens hen stelt het plan ten onrechte geen beperkingen aan de doelgroep die van de woonzorgaccomodatie gebruik kan maken of aan de aard van individuele personen. De zinsnede "AWBZ-gerelateerd" in de definitie van woonzorgaccomodatie slaat op de inrichting en niet op de daar op te vangen personen, aldus [appellant sub 2] en anderen. Voorts stellen zij dat de thans ter plaatse aanwezige loopstal in het plan als zodanig is bestemd, terwijl uit de plantoelichting volgt dat deze gesloopt zal worden. Zij vrezen dat de woonzorgaccomodatie door gebruik te maken van de loopstal aan meer personen plaats zal bieden dan het aantal dat in de plantoelichting wordt genoemd. Verder is dit volgens hen in strijd met de Rood-voor-Rood-regeling, nu in het kader daarvan door de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" bouwmogelijkheden voor een woning zijn toegekend.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ingevolge de definitie van het begrip "woonzorgaccomodatie" en hetgeen is bepaald in artikel 5.4 van de planregels is gewaarborgd dat ter plaatse van de bestemming "Maatschappelijk" uitsluitend een woonzorgaccomodatie kan worden gevestigd. Volgens de raad kan het plan uitsluitend regels bevatten wat betreft het soort inrichting dat ter plaatse wordt gevestigd en is het uitsluiten van bepaalde groepen niet ruimtelijk relevant. Volgens de raad blijkt uit de toelichting dat het de bedoeling is dat de thans ter plaatse aanwezige silo en loopstal worden gesloopt. Tevens stelt de raad dat voor de sloop van de loopstal op 19 september 2011 een omgevingsvergunning is verleend en dat de sloop van de loopstal tevens is voorzien in de Rood-voor-Rood-overeenkomst die de gemeente met de initiatiefnemer heeft gesloten.

2.5.2. Ingevolge artikel 1 van de planregels moet onder "woonzorgaccomodatie" worden verstaan een voorziening voor de zorg en gecombineerde woonfunctie voor mensen met lichamelijke en/of verstandelijke beperkingen en/of ouderenzorg, AWBZ-gerelateerd, met de daarbij behorende voorzieningen, hetzij als vervolgfunctie op een agrarisch bouwperceel, hetzij als niet-agrarische neventak, waarbij het meewerken in het agrarische bedrijf of bij het kleinschalig houden van dieren dan wel het beleven van een agrarische omgeving een wezenlijk onderdeel is van de therapie.

Ingevolge artikel 1 moet onder "bestaand" worden verstaan ten aanzien van de bij of krachtens de Woningwet aanwezige bouwwerken, en de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, en het overige gebruik: bestaand ten tijde van het inwerkingtreden van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder a, zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van een woonzorgaccomodatie.

Ingevolge lid 5.2, onder 5.2.1, voldoen de gebouwen aan de kenmerken dat:

a. uitsluitend de bestaande gebouwen zijn toegestaan;

b. de goot- en bouwhoogte maximaal de bestaande goot- en bouwhoogte bedragen.

Ingevolge lid 5.4, onder a, wordt tot strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een inrichting voor verslaafdenzorg, penitentiaire zorg of resocialisatie van (ex)gedetineerden, psychiatrische patiënten en asielopvang.

2.5.3. Op het perceel Deurningerstraat 49 staan thans een woonhuis met aangekoppelde schuur, twee karakteristieke bijgebouwen, een kapschuur, een loopstal en een silo. Het perceel was voorheen in gebruik als agrarisch bedrijf en het perceel en het omliggende terrein hadden beide een agrarische bestemming.

In de plantoelichting staat dat de loopstal en de silo zullen worden gesloopt.

2.5.4. De Afdeling stelt voorop dat wat betreft de aard van de ter plaatse te behandelen groep of individuele personen geen aanleiding bestaat om in het kader van een goede ruimtelijke ordening regulerend op te treden. Voor zover [appellant sub 2] en anderen betogen dat de gronden voor de woonzorgaccomodatie op andere wijze gebruikt zullen worden dan waarin het bestemmingsplan voorziet, overweegt Afdeling dat voor zover het gebruik van de gronden afwijkt van de daaraan toegekende bestemming daartegen handhavend kan worden opgetreden.

Met betrekking tot de loopstal overweegt de Afdeling als volgt. Nu [appellant sub 2] en anderen voor afloop van de beroepstermijn een verzoek hebben ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening en dit verzoek bij uitspraak van 26 mei 2011 in zaak nr. 201101936/2/R3, is afgewezen, moet worden vastgesteld dat het plan op 27 mei 2011 in werking is getreden. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat op die datum de loopstal op de gronden voor Deurningerstraat 49 aanwezig was. Gelet op de definitie die ingevolge het plan wordt gehanteerd voor het begrip bestaand, moet de loopstal als een bestaand gebouw worden aangemerkt. Nu de raad in artikel 5, lid 5.2.1, onder a, van de planregels niet de loopstal heeft uitgezonderd, kan deze ten behoeve van de woonzorgaccomodatie gebruikt worden. Vast staat dat het niet de bedoeling van de raad is geweest de loopstal op de gronden voor Deurningerstraat 49 ten behoeve van de woonzorgaccomodatie te bestemmen, zodat het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van de loopstal niet met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is vastgesteld.

2.5.5. Gelet op het voorgaande is voorts van belang dat het plandeel met de bestemming "Wonen" in het plan is opgenomen in het kader van de Rood-voor-Rood-regeling. De Rood-voor-Rood-regeling houdt in dat ter compensatie van de sloop van landschapsontsierende agrarische bedrijfsgebouwen onder voorwaarden een of meer bouwkavels voor een woning kunnen worden toegekend. Nu de loopstal als zodanig is bestemd en na sloop herbouwd kan worden, kan de bouwmogelijkheid voor de woning niet als compensatie voor de sloop daarvan worden gezien. Het plan is derhalve in zoverre in strijd met het door de raad gehanteerde beleid. De raad heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een afwijking van zijn beleid rechtvaardigen, zodat de raad het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft vastgesteld.

2.5.6. Ter zitting heeft de raad de Afdeling verzocht om zelf voorziend een planregeling op te nemen ingevolge waarvan de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" niet ten behoeve van deze bestemming mogen worden gebruikt zolang de loopstal niet is gesloopt. Hieraan kan echter niet tegemoet gekomen worden, reeds omdat gelet op het stelsel van de Wro een planregeling niet zo ver mag strekken dat door een toekomstige onzekere gebeurtenis een wijziging in de gebruiksmogelijkheden optreedt.

Strijd met beleid

2.6. Volgens [appellant sub 2] en anderen is het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" in strijd met het beleid voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (hierna: VAB-beleid). In dat verband voeren zij aan dat het bestemmingsplan in strijd is met het uitgangspunt van kleinschaligheid, nu het meer dan 500 m² ten behoeve van niet-agrarische activiteiten toestaat, en er geen bedrijfswoning als zodanig is bestemd.

2.6.1. De raad stelt dat de beleidsnota "Nieuwe woonzorgaccomodaties in het Buitengebeid" (hierna: de Nota) als specificatie van het beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing bepalend is en derhalve niet het VAB-beleid. Volgens de raad wordt in de Nota uitgegaan van kleinschalige initiatieven en wordt dit gewaarborgd door uit te gaan van de bestaande bebouwing en uitbreiding daarvan niet toe te staan.

2.6.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.3, van de planregels, voor zover van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 5.2.1, onder a, en toe te staan dat gebouwen worden gebouwd ter vervanging van de bestaande bebouwing met dien verstande dat de gezamenlijke inhoud van de gebouwen niet mag worden vergroot.

2.6.3. In de plantoelichting staat dat de gemeente voornemens is om in juni 2010 beleid vast te stellen ten aanzien van nieuwe woonzorgaccomodaties in het buitengebied. Op 22 juni 2010 heeft de raad de Nota vastgesteld. In de Nota staat dat deze de basis vormt voor toetsing van aanvragen om woonzorgaccomodaties toe te staan op vrijkomende agrarische erven vanuit het ruimtelijke spoor. Gelet op het voorgaande en op de omstandigheid dat de Nota een specificatie betreft van het VAB-beleid, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het VAB-beleid in het onderhavige geval niet van toepassing is.

2.6.4. In de Nota staat dat alleen aan kleinschalige woonzorginitiatieven medewerking zal worden verleend en dat om te waarborgen dat het initiatief kleinschalig blijft, de bestaande bebouwing leidend is en uitbreiding van de bebouwing niet aan de orde is. Nu uitsluitend de bestaande gebouwen met de bestaande goot- en bouwhoogten op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" zijn toegestaan en bij vervanging van deze gebouwen de inhoud niet mag worden vergroot, biedt het plan geen ruimte voor uitbreiding van de bebouwing. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan niet een kleinschalige woonzorgaccomodatie als bedoeld in de Nota toestaat.

Wat betreft het betoog dat de raad het bestemmingsplan niet heeft mogen vaststellen, omdat de initiatiefnemer blijkens de plantoelichting behoefte heeft aan 250 m² nieuwbouw voor de woonzorgaccomodatie en het toestaan van nieuwbouw op gronden van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing in strijd is met het beleid, overweegt de Afdeling dat de raad de wens van de initiatiefnemer niet in het plan heeft opgenomen. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad reeds vanwege de wens van de initiatiefnemer om de inhoud van de bebouwing te vergroten het plan niet heeft mogen vaststellen.

Voorts staat in de Nota dat de bedrijfswoning van het voormalige agrarische erf deel blijft uitmaken van de woonzorgaccomodatie als bedrijfswoning. In cursief staat daarbij dat afsplitsing van de eerste bedrijfswoning niet mogelijk is en dat dit conform huidig beleid al niet mogelijk is bij bestaande functies. Gelet op de versnippering die dit met zich brengt is dit ook bij de toekomstige woonzorgfunctie niet aanvaardbaar.

De Afdeling overweegt dat uit de cursieve toelichting volgt dat dit beleid wordt gehanteerd om te voorkomen dat de bedrijfswoning wordt afgesplitst wanneer die na de omzetting van een agrarisch bedrijf naar een woonzorgaccomodatie niet meer nodig is. Nu de voormalige bedrijfswoning ligt binnen het plandeel voor de woonzorgaccomodatie en daaraan derhalve tevens de bestemming "Maatschappelijk" is toegekend, is van afsplitsing van de voormalige bedrijfswoning geen sprake. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat de voormalige bedrijfswoning in het bestemmingsplan niet als bedrijfswoning voor de woonzorgaccomodatie is bestemd niet tot versnippering zal leiden.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad met de vaststelling van het bestemmingsplan in zoverre van het in de Nota neergelegde beleid is afgeweken.

2.7. Volgens [appellant sub 2] en anderen heeft de raad het plan wat betreft de plandelen met de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Wonen" vastgesteld terwijl hij niet beschikte over alle op grond van het beleid vereiste informatie. Volgens hen ontbreken het bedrijfsplan en het ruimtelijk kwaliteitsplan die volgens de Nota benodigd zijn. Ook ontbreken het aanvraagformulier in het kader van de Rood-voor-Rood-regeling en het daarbij behorende eerste schetsplan van de nieuwbouw en een landschapsplan, aldus [appellant sub 2] en anderen.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat niet relevant is dat het aanvraagformulier in het kader van de Rood-voor-Rood-regeling ontbreekt, omdat de initiatiefnemers op 23 december 2009 een verzoek tot herziening van het bestemmingsplan hebben gedaan. Voorts stelt de raad dat het aan hem als vaststeller van het bestemmingsplan is om te beoordelen welke informatie hij nodig heeft om tot een zorgvuldige besluitvorming te komen. Volgens de raad hebben de uitkomsten van de voorbereiding van het plan voldoende informatie verschaft om tot een weloverwogen beslissing te kunnen komen.

2.7.2. In de Rood-voor-Rood-regeling staat dat ten behoeve van de aanvraag tot deelname aan de regeling een standaardformulier ingevuld en ingediend dient te worden, dat vergezeld moet gaan van een eerste schetsplan van de nieuwbouw en een landschapsplan. In de Nota staat dat een plan voor een woonzorgaccomodatie vergezeld dient te gaan van een bedrijfsplan en dat in een later stadium een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld dient te worden. Niet in geschil is dat deze documenten bij de vaststelling van het plan niet bij de raad waren ingediend.

De Afdeling overweegt dat met de Rood-voor-Rood-regeling wordt beoogd de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied te verbeteren door middel van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en overige verbeteringen van de ruimtelijke kwaliteit. Aan de hand van het aanvraagformulier met het bijbehorende schetsplan en landschapsplan kan worden overgegaan tot het sluiten van een Rood-voor-Rood-overeenkomst. Deze stukken vormen echter niet rechtstreeks de basis voor het vaststellen van een bestemmingsplan. Het betoog dat het plan niet in stand kan blijven omdat daarbij het volgens de Rood-voor-Rood-regeling vereiste aanvraagformulier met het bijbehorende schetsplan en landschapsplan niet is betrokken, kan derhalve niet slagen.

In de Nota staat dat in het buitengebied reeds zorgboerderijen bestaan, die als functionerende agrarische bedrijven dagbesteding bieden aan doelgroepen die zorg ontvangen, en dat omdat deze functie onder de agrarische hoofdbestemming valt daarvoor geen bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is. De Nota vormt de basis voor het toetsen van aanvragen voor het toestaan van woonzorgaccomodaties in vrijkomende agrarische bebouwing vanuit het ruimtelijke spoor. Uit het voorgaande leidt de Afdeling af dat de Nota uitgaat van een wijziging van het bestemmingsplan voor het toestaan van een woonzorgaccomodatie. Nu in de Nota staat dat een plan voor een woonzorgaccomodatie vergezeld dient te gaan van een bedrijfsplan en dat in een later stadium een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld dient te worden, zijn deze documenten derhalve nodig bij het vaststellen van een bestemmingsplan waarin een woonzorgaccomodatie mogelijk wordt gemaakt. Nu bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen bedrijfsplan, waarin onder meer wordt ingegaan op de financiële uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling, en evenmin een ruimtelijk kwaliteitsplan bij de raad waren ingediend, is het bestemmingsplan op dit punt onzorgvuldig is voorbereid.

2.8. Wat betreft het betoog dat de raad het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" niet heeft mogen vaststellen omdat er geen tranche van de Rood-voor-Rood-regeling openstond, overweegt de Afdeling dat, gelet op hetgeen hiervoor in 2.7.2 is overwogen omtrent het doel van de Rood-voor-Rood-regeling, de enkele omstandigheid dat geen tranche van de Rood-voor-Rood-regeling openstond niet aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg hoeft te staan.

2.9. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan ten onrechte 100 m² aan bijgebouwen toestaat ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Wonen". Zij voeren in dat verband aan dat ingevolge de Rood-voor-Rood-regeling maximaal 75 m² aan bijgebouwen kan worden toegestaan bij een in het kader van deze regeling mogelijk gemaakte woning.

2.9.1. Volgens de raad is voor de planregeling voor de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Wonen" aangesloten bij de regeling voor erfbebouwing voor deze bestemming in het bestemmingsplan "Buitengebied".

2.9.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.2.2, onder c, van de planregels, voor zover van belang, zal ter plaatse van gronden met de bestemming "Wonen" de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw ten hoogste 100 m² bedragen.

2.9.3. Volgens de Rood-voor-Rood-regeling geldt voor de oppervlakte van erfbebouwing bij de compensatiewoning een maximum van 75 m². De Afdeling stelt vast dat het plan afwijkt van dit door de raad gehanteerde beleid. Dat het bestemmingsplan "Buitengebied" is vastgesteld is geen bijzondere omstandigheid die afwijking van het beleid rechtvaardigt. Wat betreft artikel 6, lid 6.2.2, onder c, van de planregels berust het plan niet op een deugdelijke motivering.

2.10. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de locatie van het plandeel met de bestemming "Wonen" in strijd is met de Rood-voor-Rood-regeling, omdat het plandeel niet aansluitend aan andere bebouwing is gesitueerd.

In de Rood-voor-Rood-regeling staat dat het uitgangspunt terugbouwen op locatie is, maar dat indien terugbouwen op locatie niet mogelijk is ook elders teruggebouwd kan worden. Bij terugbouwen elders moet de compensatiewoning aansluiten bij bestaande bebouwing, waarbij het kan gaan om kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing en bestaande erfstructuren. Gelet op de omstandigheden dat het plandeel met de bestemming "Wonen" naast het woonperceel van Borgdijk 2 ligt op ongeveer 27 m afstand, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit plandeel aansluit bij reeds bestaande bebouwing. Daarbij heeft de raad in redelijkheid kunnen betrekken dat het woonperceel in het buitengebied ligt, waar in het algemeen een grotere afstand tussen de bebouwing wordt aangehouden dan in stedelijke gebieden. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op dit punt van zijn beleid is afgeweken.

2.11. Volgens [appellant sub 2] en anderen is ingevolge de Rood-voor-Rood-regeling vereist dat aan meer dan de helft van het voormalige agrarisch bouwperceel een agrarische bestemming of een bos- of natuurbestemming wordt toegekend. Nu in het bestemmingsplan aan deze gronden de bestemming "Maatschappelijk" is toegekend is volgens hen het bestemmingsplan met dit beleid in strijd.

2.11.1. In de Rood-voor-Rood-regeling staat dat het grootste deel van de oorspronkelijke bouwkavel een agrarische gebiedsbestemming krijgt (zonder bouwmogelijkheden) dan wel een passende bestemming die samenhangt met de landschappelijke inpassing, zoals natuur of bos. Voorts moet bij gehele beëindiging van een agrarisch bedrijf het bestemmingsplan aangepast worden door de bestemming "Woondoeleinden" op te nemen en de aangrenzende gebiedsbestemmingen.

De Afdeling overweegt dat de Rood-voor-Rood-regeling niet in de vestiging van woonzorgaccomodaties in vrijkomende agrarische bebouwing voorziet, zodat dit beleid daarop niet van toepassing is. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Maatschappelijk" aan de gronden voor Deurningerstraat 49 heeft kunnen toekennen.

2.12. Voor zover [appellant sub 2] en anderen betogen dat het mogelijk maken van de woonzorgaccomodatie op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" voor de gronden voor Deurningerstraat 49 in strijd is met het beleid van de raad inzake woonzorgaccomodaties, omdat in de nabijheid reeds de woonzorgaccomodatie De Marke is gevestigd, overweegt de Afdeling dat De Marke weliswaar aan dezelfde hoofdontsluitingsweg ligt, maar op ongeveer 1,8 km afstand van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en aan de andere kant van het dorp Deurningen. In de Nota staat dat woonzorgaccomodaties op afstand van elkaar moeten worden gesitueerd, maar er wordt geen minimumafstand genoemd. Gelet op de afstand tussen de woonzorgaccomodatie De Marke en het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woonzorgaccomodatie De Marke en de woonzorgaccomodatie die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt op afstand van elkaar zijn gesitueerd. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op dit punt van zijn beleid is afgeweken.

2.13. Voor zover [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" in strijd met het beleid zoals neergelegd in de Nota zelfstandige wooneenheden toestaat, overweegt de Afdeling dat in artikel 1 van de planregels een woonzorgaccomodatie is gedefinieerd als een voorziening voor de zorg en gecombineerde woonfunctie, zodat zelfstandige bewoning ingevolge de planregels niet is toegestaan.

2.14. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat het plan wat betreft de plandelen met de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Wonen" in strijd is met beleid van het Rijk en de provincie overweegt de Afdeling dat, hoewel de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal of rijksbeleid is gebonden, de raad daarmee wel rekening dient te houden. Dit betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In de plantoelichting is ingegaan op de verhouding van het bestemmingsplan tot het beleid van de provincie en in het verweerschrift heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd in met de Nota Ruimte. Uit de plantoelichting volgt verder dat overleg is gevoerd met de provincie en met de VROM-inspectie. Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat de raad het rijks- en provinciaal beleid in de belangenafweging heeft betrokken.

Planregels

2.15. Wat betreft het betoog dat de zinsneden die verwijzen naar de bestaande situatie in artikel 6, lid 6.2.2, onder a en onder c en artikel 8, onder a van de planregels overbodig zijn en daarom vernietigd dienen te worden, overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat niet op alle plandelen waarop deze planregels zien sprake is van een bestaande situatie slechts tot gevolg heeft dat deze planregels in zoverre niet van toepassing zijn. Door het opnemen van deze zinsneden ontstaat geen rechtsonzekere situatie of een situatie die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Bodemverontreiniging

2.16. [appellant sub 2] en anderen brengen ook naar voren dat de raad niet heeft mogen afzien van nader onderzoek naar verontreiniging van de bodem, gelet op de uitkomst van het verkennend onderzoek waarin een matige verontreiniging met barium is geconstateerd.

2.16.1. Volgens de raad kunnen de gehalten van van nature in de grond en het grondwater voorkomende stoffen de interventiewaarden overschrijden en leert de ervaring dat bij vervolgonderzoek de stof niet meer wordt aangetroffen, zodat in overeenstemming met de interne werkwijze van de gemeente vervolgonderzoek niet opportuun wordt geacht.

2.16.2. In het rapport "Verkennend bodemonderzoek Borgdijk nabij nr. 2" (hierna: het bodemonderzoek) staat dat in het grondwater een verhoogde concentratie aan nikkel en barium is geconstateerd en dat dit waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong heeft. Voorts staat in het bodemonderzoek dat in de regio Twente, met name in de gebieden met een zanderige ondergrond een aantal zware metalen van nature in verhoogde concentraties in het grondwater voorkomt, en dat deze gebieden worden gekenmerkt door een relatief grote mobiliteit van zware metalen in de bodem. In de conclusie van het bodemonderzoek staat voorts dat er geen stoffen in gehalten en/of concentraties zijn gevonden boven de tussenwaarde, zodat op basis van de Wet bodembescherming geen aanleiding bestaat voor het uitvoeren van nader onderzoek.

[appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat niet van de resultaten en conclusies van het bodemonderzoek uitgegaan kan worden. Gelet op de uitkomsten van het onderzoek heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen vervolgonderzoek nodig is naar eventuele verontreiniging van de bodem in het plangebied.

Belemmering bedrijfsvoering

2.17. [appellant sub 2] en anderen betogen dat als gevolg van het plan hun agrarische bedrijfsvoering wordt beperkt en hun bedrijf wordt belemmerd in zijn uitbreidingsmogelijkheden.

Het agrarisch bedrijf van [appellant sub 2] en anderen betreft een melkrundveehouderij. Aan de gronden voor het agrarisch bedrijf is ingevolge het daarop van toepassing zijnde bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarisch - 1" toegekend, met onder meer een aanduiding ten behoeve van een bouwperceel voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Het plandeel met de bestemming "Wonen" ligt ten westen van het agrarisch bouwperceel van het bedrijf van [appellant sub 2] en anderen op een afstand van ongeveer 220 m daarvan. Het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" ligt eveneens ten westen van het agrarisch bouwperceel op een afstand van ongeveer 260 m daarvan.

Gelet op de afstanden tussen het agrarisch bouwperceel van [appellant sub 2] en anderen en de plandelen met de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Wonen" en de omstandigheid dat ter zitting is toegelicht dat [appellant sub 2] en anderen geen uitbreidingsplannen hebben, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanwege het plan wat betreft de plandelen met de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Wonen" [appellant sub 2] en anderen niet in hun bedrijfsvoering zullen worden belemmerd.

Conclusie

2.18. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de WRvS op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen, voor zover het besluit ziet op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en het plandeel met de bestemming "Wonen".

De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 2.5.4 artikel 5, lid 5.2.1, onder a, van de planregels dusdanig te wijzigen dat de loopstal niet is toegestaan, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

De raad dient tevens met inachtneming van overweging 2.9.3 te motiveren welke bijzondere omstandigheid rechtvaardigt dat de raad is afgeweken van zijn beleid dat voor de oppervlakte van erfbebouwing bij de compensatiewoning een maximum van 75 m² geldt, dan wel het vaststellingsbesluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. Bij een eventuele wijziging behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

Voorts dient de raad met inachtneming van overweging 2.7.2 er zorg voor te dragen dat hij beschikt over een bedrijfsplan en een ruimtelijk kwaliteitsplan als bedoeld in de Nota. Op basis daarvan dient de raad te bezien of het besluit nadere motivering behoeft en indien nodig de motivering van het besluit van 14 december 2010 aan te vullen dan wel dat besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling, zonder dat bij een eventuele wijziging toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

Het nieuwe besluit dient vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden en aan belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend te worden medegedeeld.

2.19. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Tevens zullen in de einduitspraak, gelet op de samenhang met de geconstateerde gebreken, de overige beroepsgronden van [appellant sub 2] en anderen besproken worden.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Dinkelland op om binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van hetgeen in overweging 2.5.4 is overwogen artikel 5, lid 5.2.1, onder a, van de planregels dusdanig te wijzigen dat de loopstal niet is toegestaan en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en daarvan mededeling te doen;

- met inachtneming van overweging 2.9.3 te motiveren welke bijzondere omstandigheid rechtvaardigt dat de raad is afgeweken van zijn beleid dat voor de oppervlakte van erfbebouwing bij de compensatiewoning een maximum van 75 m² geldt, dan wel dat besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling, dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en daarvan mededeling te doen;

- met inachtneming van overweging 2.7.2 er zorg voor te dragen dat hij over een bedrijfsplan en een ruimtelijk kwaliteitsplan als bedoeld in de beleidsnota "Nieuwe woonzorgaccomodaties in het Buitengebeid" beschikt, op basis daarvan de motivering van het besluit van 14 december 2010 aan te vullen, dan wel dat besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en daarvan mededeling te doen;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012

270-655.