Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0150

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
201201245/1/R3 en 201201245/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "De Beekse Tuin" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201245/1/R3 en 201201245/2/R3.

Datum uitspraak: 23 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

en

de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "De Beekse Tuin" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2012, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben [appellant A] en [appellant B] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] en Vastgoed B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 maart 2012, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan onderscheidenlijk vertegenwoordigd door mr. F.H. Damen, advocaat te Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. B.A.P.M. Achterbergh en H.F.C.E. Senders, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] en Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door ir. M.V.B. Roelofs, bijgestaan door mr. A.J.L. Claassen, advocaat te Eindhoven, verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet in de ontwikkeling van tien woningen in het gebied ten zuiden van de Beekstraat en ten oosten van de Beekse Tuin. Twee woningen in het noordelijke gedeelte van het plangebied zullen worden ontsloten op de Beekstraat. De overige woningen, die een hofje gaan vormen, zullen worden ontsloten op de Beekse Tuin. Het plan voorziet in deze ontsluitingen.

2.3. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de wijze waarop de raad hun naar voren gebrachte zienswijze heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

2.3.1. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

2.4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad ten onrechte niet heeft gekozen voor de door hen gewenste alternatieve ontsluiting van het plangebied, waarbij het plangebied wordt ontsloten op de Beekstraat en niet schuin tegenover hun woning op de Beekse Tuin. Zij voeren aan dat met deze alternatieve ontsluiting aantasting van hun uitzicht, de bestaande groenvoorziening en de verkeersveiligheid kan worden voorkomen. Daarnaast wijzen zij erop dat het Team Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente verschillende ontsluitingsvarianten heeft bezien en in een advies van 22 februari 2011 te kennen heeft gegeven dat dit alternatief ruimtelijk aanvaardbaar en uitvoerbaar is.

2.4.1. De voorzitter overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Het Team Ruimtelijke Kwaliteit, een adviescommissie van de gemeente, heeft twee adviezen uitgebracht ten behoeve van het plan. In het eerste advies, van 22 februari 2012, staat ten aanzien van de door [appellant A] en [appellant B] gewenste ontsluiting dat deze ontsluiting een acceptabel alternatief is, mits de ontsluiting van het hofje gedetailleerd wordt als ondergeschikt laantje. In het tweede advies, van 20 september 2011, dat is bedoeld als een verduidelijking van het eerste advies, staat over deze alternatieve ontsluiting dat een oprijlaan vanaf de Beekstraat naar het hof met acht woningen een te zwaar ruimtelijk element vormt voor dit bescheiden ensemble. Daarnaast komt deze ontsluiting op nog geen dertig meter afstand van de aansluitingen van de Beekse Tuin en de Van Duynhovenlaan op de Beekstraat te liggen, waardoor onnodig veel verkeersaansluitingen op een klein oppervlak tezamen komen. Dit is stedenbouwkundig en verkeerskundig verwarrend en daardoor minder wenselijk. De voorkeur gaat daarom uit naar een ontsluiting op de Beekse Tuin, zo staat in het advies. De raad heeft dit advies overgenomen en heeft deze bezwaren tegen de alternatieve ontsluiting, hoewel deze uitvoerbaar is, zwaarder laten wegen dan de eventuele nadelige gevolgen die [appellant A] en [appellant B] zullen ondervinden van een ontsluiting op de Beekse Tuin.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de door [appellant A] en [appellant B] gewenste alternatieve ontsluiting onvoldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken en niet in redelijkheid de alternatieve ontsluiting heeft kunnen afwijzen.

2.5. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat voor de aanleg van de ontsluiting van het plangebied op de Beekse Tuin en voor de verplaatsing van twee parkeerplaatsen naar elders langs deze straat gronden benodigd zijn die niet in eigendom zijn van de gemeente of de projectontwikkelaar. Het is volgens hen niet aannemelijk dat de projectontwikkelaar de gronden op minnelijke wijze zal verwerven. Zij wijzen erop dat eerdere pogingen daartoe zijn mislukt. Daarnaast is onduidelijk of de gemeente zal overgaan tot onteigening van de benodigde gronden. In de plantoelichting en in het voorstel tot vaststelling van het plan staat op dit punt tegenstrijdige informatie. Naar [appellant A] en [appellant B] vermoeden, heeft de raad tijdens de totstandkoming van het bestemmingsplan met de projectontwikkelaar afgesproken dat de raad het bestemmingsplan zal vaststellen op voorwaarde dat de projectontwikkelaar niet langer van de gemeente verlangt dat de gemeente zonodig tot onteigening zal overgaan. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet vaststaat.

2.5.1. Ter zitting heeft de raad verklaard dat de gronden die benodigd zijn om de ontsluiting van het plangebied op de Beekse Tuin en twee parkeerplaatsen te realiseren in het aldaar geldende bestemmingsplan een bestemming voor verkeersdoeleinden hebben, dat deze ontwikkelingen mogelijk maakt. Voorts heeft de raad ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat hij zonodig en indien mogelijk tot onteigening van de benodigde gronden zal overgaan.

Gelet op hetgeen de raad ter zitting heeft verklaard, is de voorzitter van oordeel dat voldoende is verzekerd dat de ontsluiting van het plangebied en de aanleg van twee parkeerplaatsen binnen de planperiode zal worden gerealiseerd.

2.6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de Beekse Tuin te smal is om de toename van verkeersbewegingen vanwege de acht voorziene woningen te kunnen verwerken. Daarnaast vrezen zij dat de voorziene ontsluiting zal leiden tot een vermindering van de verkeersveiligheid, omdat het verkeer op de Beekse Tuin met name oog zal hebben voor het verkeer uit het voorziene hofje en minder zal letten op hun oprit. Ten onrechte is geen onderzoek verricht naar deze verkeersaspecten. Voor zover de raad verwijst naar een verkeersstudie die ten behoeve van het plan is uitgevoerd, stellen zij dat die studie niet ziet op het verkeer op de Beekse Tuin. Daarnaast is het onderzoek opgesteld in opdracht van de projectontwikkelaar en derhalve niet objectief.

2.6.1. De Beekse Tuin is een doodlopende straat, die kan worden gecategoriseerd als een erftoegangsweg. Het is weliswaar een smalle straat, maar de raad heeft aannemelijk gemaakt dat er voldoende ruimte is voor twee auto's om elkaar te passeren. Voorts zal een beperkt aantal woningen op deze straat worden ontsloten. Dat de verkeersveiligheid in het geding zal komen doordat het verkeer op de Beekse Tuin alleen oog zal hebben voor de voorziene ontsluiting, acht de voorzitter niet aannemelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat voor deze straat een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt. Alles in overweging nemende, is de voorzitter van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd dat de ontsluiting van het plangebied op de Beekse Tuin zal leiden tot ernstige verkeersproblemen in die straat. Gelet hierop is het ontbreken van een verkeersonderzoek dat specifiek is gericht op de gevolgen van de gekozen ontsluiting van het plangebied voor de verkeersituatie op de Beekse Tuin, niet bezwaarlijk.

2.7. In het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat de in het plan voorziene mogelijkheid om de twee noordelijke woningen te kunnen splitsen zal leiden tot een vermindering van de rust en ruimte in het gebied, ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat deze mogelijkheid een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van de omgeving met zich zal brengen. Voorts faalt het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat de wettelijke procedure voor de totstandkoming van een bestemmingsplan opnieuw moet worden doorlopen, nu deze splitsingsmogelijkheid niet in het ontwerp van het plan was opgenomen. Naar het oordeel van de voorzitter is deze door de raad aangebrachte afwijking van het ontwerp naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt.

2.8. De voorzitter ziet in het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat de onzekerheid over de wijze waarop bestaande bomen en heggen in het plan zullen worden ingepast zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun woonomgeving, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in het plan is voorzien in een groenstrook, parallel aan de Beekse Tuin.

2.9. [appellant A] en [appellant B] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van hun zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant A] en Graag hebben in beroep geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.10. In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het plan anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.11. Gezien het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.I. Slagt, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Slagt

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2012

618.