Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0148

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
201108622/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij factuur van 8 juli 2010 is van de voormalige fractie € 2.476,49 aan scholingsgelden en fractiegelden voor het tweede kartaal van 2010 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108622/1/A2.

Datum uitspraak: 28 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

De voormalige fractie van de Ouderenpartij Haarlem te Haarlem (hierna: de voormalige fractie),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 juli 2011 in zaak nr. 11/875 in het geding tussen:

[wederpartij], fractievoorzitter van de voormalige Ouderenpartij Haarlem (lees: de voormalige fractie, vertegenwoordigd door haar voormalig fractievoorzitter [wederpartij]);

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij factuur van 8 juli 2010 is van de voormalige fractie € 2.476,49 aan scholingsgelden en fractiegelden voor het tweede kartaal van 2010 teruggevorderd.

Bij besluit van 7 januari 2011 heeft het college het door de voormalige fractie hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door de voormalige fractie daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de voormalige fractie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voormalige fractie heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.W. Baars, werkzaam bij de gemeente Haarlem, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De voormalige fractie stelt dat zij de betaling van € 2.476,49 heeft opgevat als een laatste betaling aan haar. Volgens de voormalige fractie is het bedrag overgemaakt aan de fractieassistente, die inmiddels is overleden, en beschikt de voormalige fractie dus niet meer over dit bedrag. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte het besluit van 7 januari 2011 in stand gelaten.

2.2. De betaling van € 2.476,49 betreft een tegemoetkoming op grond van de Verordening geldelijke voorzieningen raadsleden, wethouders, commissieleden en fracties (hierna: de Verordening) over het tweede kwartaal van 2010. In dit kwartaal maakte de voormalige fractie geen deel meer uit van de raad. In aanmerking genomen het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, waarin is neergelegd dat de vergoeding voor de werkzaamheden en de onkostenvergoeding eindigt op het tijdstip van beëindiging van het raadslidmaatschap, kan het betoog dat de betaling van € 2.476,49 een laatste betaling aan de voormalige fractie was, niet worden gevolgd. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college terecht heeft geconcludeerd dat de voormalige fractie geen aanspraak maakt op dit bedrag.

De enkele stelling dat de voormalige fractie het bedrag van € 2.476,49 reeds heeft besteed en dat zij geen middelen heeft om dit terug te betalen, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college van de terugvordering had behoren af te zien.

Van een terugvordering op de voormalig fractievoorzitter [wederpartij] is niet gebleken en het betoog dat hij het bedrag niet kan betalen en dat hij hiervoor ook niet persoonlijk verantwoordelijk is, doet dan ook niet ter zake.

In hetgeen de voormalige fractie heeft aangevoerd, is derhalve geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid het bedrag van € 2.476,49 van de voormalige fractie heeft kunnen terugvorderen.

Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012

47-615.