Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0146

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
201100984/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2010 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning aan de [locatie] te Nijmegen onmiddellijk te verlaten en deze tot 6 december 2010 niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Bij dat besluit heeft de burgemeester [appellant] voorts verboden om gedurende deze periode contact op te nemen met [echtgenote] en [kind], zijnde onderscheidenlijk echtgenote en kind van [appellant] en woonachtig in de woning op het voormelde adres.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100984/1/A3.

Datum uitspraak: 28 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nijmegen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 13 december 2010 in zaak nrs. 209211 / FA RK 10-13171 en 209212 / FA RK 10-13172 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Nijmegen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2010 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning aan de [locatie] te Nijmegen onmiddellijk te verlaten en deze tot 6 december 2010 niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Bij dat besluit heeft de burgemeester [appellant] voorts verboden om gedurende deze periode contact op te nemen met [echtgenote] en [kind], zijnde onderscheidenlijk echtgenote en kind van [appellant] en woonachtig in de woning op het voormelde adres.

Bij besluit van 3 december 2010 heeft de burgemeester het opgelegde huisverbod verlengd tot 24 december 2010.

Bij uitspraak van 13 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 februari 2011.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek heeft de burgemeester twee processen-verbaal aan de Afdeling toegezonden. Daarbij heeft de burgemeester medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling ervan kennis zal mogen nemen. Op 22 maart 2011 heeft de Afdeling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is en [appellant] en [echtgenote] gevraagd om toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). [appellant] heeft deze toestemming verleend. [echtgenote] heeft deze toestemming aanvankelijk geweigerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. H. Pasman, advocaat te Nijmegen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. V.H.G. Rikken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [echtgenote] van [appellant], gehoord. Zij heeft ter zitting alsnog toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en [appellant] in de gelegenheid gesteld twee nader omschreven stukken aan de Afdeling toe te zenden.

Bij brief van 3 oktober 2011 heeft [appellant] deze stukken aan de Afdeling toegezonden.

Bij brief van 25 oktober 2011 heeft de burgemeester gereageerd op de door [appellant] toegezonden stukken.

[appellant] en [echtgenote] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting behandeld op 23 januari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. H. Pasman, advocaat te Nijmegen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. V.H.G. Rikken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [echtgenote] van [appellant], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge het vierde lid bevat het huisverbod in ieder geval:

a. een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt;

b. de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod, en

c. de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt.

Ingevolge het zesde lid geeft de uithuisgeplaatste aan waar of op welke wijze hij bereikbaar is. Indien de uithuisgeplaatste dit niet terstond kan doorgeven, geeft hij dit binnen 24 uur nadat het huisverbod is opgelegd door aan de burgemeester.

Ingevolge het negende lid kan de burgemeester het huisverbod in ieder geval intrekken indien de uithuisgeplaatste een aanbod tot hulpverlening heeft aanvaard en dit door de instantie voor advies of hulpverlening, aangewezen ingevolge het achtste lid, is bevestigd, en deze aanvaarding tevens inhoudt dat de uithuisgeplaatste hulpverlening aan één of meer personen die met de uithuisgeplaatste in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven niet zal belemmeren en zal meewerken indien dit van hem wordt gevraagd door de instantie voor advies of hulpverlening.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, draagt de burgemeester, indien de uithuisgeplaatste dat wenst, zorg dat deze binnen 24 uur nadat hij die wens te kennen heeft gegeven, voor de duur van de behandeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening wordt bijgestaan door een raadsman.

Ingevolge artikel 6, derde lid, betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het tweede lid heeft het beroep of hoger beroep tegen het huisverbod mede betrekking op een beschikking tot verlenging van het huisverbod als bedoeld in het eerste lid, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Ingevolge het tweede lid hebben de in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

2.2. Het besluit tot oplegging van het huisverbod is gebaseerd op een ingevuld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) en twee processen-verbaal van de politie Gelderland-Zuid. In het RiHG is bij twee beoordelingsmomenten "laag/geen risico" aangekruist en bij één beoordelingsmoment "hoog risico". Als belangrijkste signalen die hebben geleid tot oplegging van een huisverbod zijn vermeld de omstandigheid dat [appellant] volgens zijn echtgenote en oudste zoon geweld tegen hen pleegt, dat hij zijn echtgenote duwt, dat hij zijn oudste zoon probeert te slaan als hij tussenbeide komt en dat [appellant] gewelddadige en vernederende handelingen verricht in het bijzijn van of tegen de kinderen. In het proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie voor oplegging van een huisverbod is voorts vermeld dat de echtgenote uit angst voor toekomstig geweld tezamen met haar kinderen de woning heeft verlaten. Tevens is daarin vermeld dat de echtgenote heeft verklaard geen of weinig contact te mogen hebben met buitenstaanders of haar eigen familieleden.

Aan het besluit tot verlenging van het huisverbod is een advies van het Meldpunt Bijzondere Zorg van de GGD Nijmegen van 3 december 2010 ten grondslag gelegd. Daarin is als conclusie vermeld dat het risico op herhaling van huiselijk geweld onverminderd aanwezig is en dat dit risico volgens de betrokken hulpverleners en de expertgroep diversiteit van de politie zelfs toeneemt. Verder is daarin vermeld dat [appellant] geen hulp voor vermindering van dat risico accepteert en dat hij ontkent dat er relatieproblemen zijn. Voorts is vermeld dat het organiseren van de juiste vervolghulp voor de achterblijvers complex is en dat daar tijd voor nodig is, mede omdat er kinderen bij betrokken zijn en omdat de echtgenote hoogzwanger is. Op grond van dit advies heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat de belangen van de achterblijvers zwaarder wegen dan het belang van [appellant] bij terugkeer naar de woning.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte mede op grond van twee processen-verbaal van de politie Gelderland-Zuid uitspraak heeft gedaan. Hij voert aan dat het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces is geschonden, nu hij geen kennis heeft kunnen nemen van en geen verweer heeft kunnen voeren tegen de inhoud van de processen-verbaal. Verder voert hij aan dat hem niet is gevraagd om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2001 in zaak nr. 200003274/1; LJN: AB6602), bevat artikel 6 van het EVRM minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, maar zijn deze normen niet absoluut. De nationale wetgever mag met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het publieke belang of van de belangen van derden, bepaalde procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt aangetast. Het eerste lid van artikel 8:29 van de Awb houdt een beperking in van het beginsel van openbaarheid en dat van "equality of arms". Het artikel bepaalt evenwel dat deze beperking slechts om "gewichtige redenen" kan worden aangebracht. Het derde lid draagt de toetsing daarvan aan de rechter op. Indien de rechter de beperking gerechtvaardigd acht, dan is het ingevolge het vijfde lid aan de andere partij overgelaten om te beslissen of de rechter mede op grondslag van de aan kennisneming door haar onttrokken inlichtingen of stukken uitspraak kan doen. De beperking is op deze wijze met zodanige waarborgen omkleed dat het recht op een eerlijke procesvoering daardoor niet in zijn essentie wordt beperkt.

In hoger beroep heeft de Afdeling beperking van de kennisneming van de processen-verbaal gerechtvaardigd geacht ter voorkoming van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken personen. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht gewichtige redenen aanwezig geacht om kennisneming van de processen-verbaal door [appellant] te beperken.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 september 2006 in zaak nr. 200602097/1), volgt uit artikel 8:29 van de Awb dat de procespartij die geen kennis mag nemen van stukken waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht, daadwerkelijk door de rechtbank in de gelegenheid moet worden gesteld om al dan niet de toestemming als bedoeld in het vijfde lid van dat artikel te verlenen. Uit de aangevallen uitspraak noch uit het dossier van de rechtbank kan worden opgemaakt dat [appellant] om deze toestemming is gevraagd. Het dient er daarom voor te worden gehouden dat [appellant] deze toestemming niet heeft verleend. De voorzieningenrechter heeft daarom ten onrechte mede op grond van de processen-verbaal uitspraak gedaan.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen de besluiten van de burgemeester van 26 november 2010 en 3 december 2010 ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.5. [appellant] heeft betoogd dat de burgemeester ten onrechte heeft nagelaten krachtens artikel 5 van de Wth zorg te dragen voor bijstand door een raadsman. Hij voert aan dat uit e-mailberichten van 26 en 28 november 2010 volgt dat hij zich niet met het huisverbod kon verenigen en dat hij bescherming wenste. Gezien de grove inbreuk die het huisverbod op zijn grondrechten maakt, had de burgemeester daar aanleiding in moeten zien om zorg te dragen voor bijstand door een raadsman, aldus [appellant].

2.5.1. De burgemeester is ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wth slechts gehouden zorg te dragen voor bijstand van een uithuisgeplaatste door een raadsman indien daartoe de wens te kennen wordt gegeven. Uit de e-mailberichten van 26 en 28 november 2010 valt niet duidelijk op te maken of [appellant] een dergelijke wens te kennen geeft. De burgemeester heeft zorgvuldig gehandeld door bij e-mailbericht van 30 november 2010 [appellant] uitdrukkelijk te vragen of hij wenst dat de burgemeester voor bijstand door een raadsman zorg draagt. Op dit e-mailbericht is van de zijde van [appellant] niet gereageerd, hoewel hij te kennen had gegeven per e-mail bereikbaar te zijn. Onder die omstandigheden was de burgemeester niet gehouden om zorg te dragen voor bijstand van [appellant] door een raadsman.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] heeft betoogd dat de burgemeester het huisverbod niet mocht opleggen. Hij voert aan dat het besluit van de burgemeester is gebaseerd op een eenzijdige verklaring van zijn echtgenote, dat de politie zelf geen huiselijk geweld heeft waargenomen, dat hij altijd heeft betwist dat hij geweld heeft gebruikt en dat de strafrechtelijke vervolging is geëindigd in een sepot. Gelet hierop staat niet onomstotelijk vast dat zich huiselijk geweld heeft voorgedaan, hetgeen de oplegging van het huisverbod buitenproportioneel maakt, aldus [appellant].

2.6.1. Vooropgesteld wordt dat, gelet op de aard van een huisverbod, dat altijd in spoedeisende situaties wordt opgelegd, niet is vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaat. Voldoende is dat aannemelijk is dat die feiten en omstandigheden juist zijn en dat die feiten en omstandigheden voor de in het besluit genoemde personen een ernstig en onmiddellijk gevaar dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar opleveren.

2.6.2. De directe aanleiding om het opleggen van een huisverbod aan [appellant] te overwegen was het feit dat zijn echtgenote op 23 november 2010 de politie heeft gebeld over een incident waarbij [appellant] was betrokken en waarbij geweld werd gebruikt. De omstandigheid dat de noodzaak werd gevoeld de politie in te schakelen, vormt een aanwijzing dat zich een voor betrokkenen gevaarlijke situatie voordeed. Hoewel [appellant] heeft aangevoerd dat hij nimmer geweld heeft gebruikt jegens zijn echtgenote of zijn kinderen, heeft hij niet kunnen verklaren waarom zijn echtgenote de politie heeft gebeld. Voorts hebben de echtgenote en de oudste zoon van [appellant], zoals onder 2.2 is weergegeven, tegenover de politie verklaard dat hij geweld gebruikte dan wel dreigde te gebruiken en dat zij uit angst daarvoor de woning hadden verlaten. De burgemeester heeft zich dan ook op grond van de in het RiHG, het proces-verbaal van bevindingen en de processen-verbaal van de politie vermelde feiten en omstandigheden op het standpunt mogen stellen dat er een ernstig vermoeden was dat de aanwezigheid van [appellant] ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van zijn echtgenote en kinderen. De burgemeester heeft het huisverbod daarom in redelijkheid kunnen opleggen. Dat de echtgenote van [appellant] nadien heeft verklaard dat zij onvoldoende reden had de politie in te schakelen en dat haar in de stukken verklaringen in de mond zijn gelegd, kan aan dat oordeel niet afdoen. Ten tijde van zijn besluiten beschikte de burgemeester slechts over voormelde stukken en van de onjuistheid daarvan is in rechte geen objectieve bevestiging verkregen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr. 201008055/1/H3), is niet vereist dat wordt vastgesteld of aannemelijk is dat strafbare feiten zijn gepleegd. Het huisverbod heeft blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wth tot doel de preventie van strafbare feiten in de vorm van huiselijk geweld en het beschermen van de rechten en vrijheden van anderen. Meer specifiek wordt met het huisverbod beoogd de gezondheid en de lichamelijke integriteit van de betrokkenen ook te kunnen beschermen in crisissituaties waarin zich nog geen strafbare feiten voordoen (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3, blz. 7). Aan het voorgaande doet dan ook niet af dat de strafrechtelijke vervolging van [appellant] is geëindigd in een sepot.

Het betoog faalt.

2.7. Voorts heeft [appellant] betoogd dat de burgemeester het huisverbod niet heeft mogen verlengen. Hij heeft betwist dat het gevaar voor geweld was toegenomen. Voorts heeft [appellant] gesteld dat hij zich bereid heeft getoond om voor de financiële problemen hulp te aanvaarden. Verder heeft de burgemeester volgens hem misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot verlenging van het huisverbod. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat, nu uit de stukken volgt dat zijn echtgenote destijds echtscheiding overwoog, niet door middel van de verlenging van het huisverbod maar slechts bij vonnis van de burgerlijke rechter in het kader van een echtscheidingsprocedure de woning aan een van beide echtelieden had mogen worden toegekend.

2.7.1. Dat [appellant] zich, naar hij stelt, bereid heeft getoond om hulp te aanvaarden voor financiële problemen, laat onverlet dat ten tijde van belang geen reële aanvang met enige vorm van hulpverlening was gemaakt en dat [appellant] geen hulp wilde accepteren voor de relatieproblemen en het huiselijk geweld. Nu er bovendien geen aanwijzingen waren dat het van [appellant] uitgaande risico van geweld was afgenomen, geeft hetgeen hij heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de burgemeester zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de dreiging van het gevaar zich voortzette.

De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat de burgemeester misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid. Allereerst wist de echtgenote van [appellant] ten tijde van de verlenging van het huisverbod niet zeker of zij daadwerkelijk een echtscheidingsprocedure wilde starten. Met de verlenging van het huisverbod is daarnaast slechts de periode verlengd gedurende welke [appellant] de woning niet mocht betreden noch daarin aanwezig mocht zijn noch zich in de nabijheid daarvan mocht ophouden. De verlenging van het huisverbod strekte niet en kon ook niet bevoegdelijk strekken tot toewijzing van de woning aan de echtgenote van [appellant]. Voorts is ook na verlenging de geldingsduur van het huisverbod in tijd begrensd en betrekkelijk kortdurend. Er is dan ook feitelijk bezien geen grond voor het oordeel dat de woning aan de echtgenote van [appellant] is toegekend.

Het voorgaande bijeengenomen leidt tot het oordeel dat de burgemeester het huisverbod heeft mogen verlengen. Het betoog faalt.

2.8. Het beroep tegen de besluiten van de burgemeester van 26 november 2010 en 3 december 2010 is ongegrond.

2.9. Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat ingevolge artikel 8:73 van de Awb toekenning van schadevergoeding slechts mogelijk is indien het beroep gegrond wordt verklaard.

2.10. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 13 december 2010 in zaak nrs. 209211 / FA RK 10-13171 en 209212 / FA RK 10-13172, voor zover daarbij het beroep tegen de besluiten van de burgemeester van 26 november 2010 en 3 december 2010 ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

V. veroordeelt de burgemeester van Nijmegen tot vergoeding van bij M.R. [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.177,93 (zegge: elfhonderdzevenenzeventig euro en drieënnegentig cent), waarvan € 1.092,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012

195-640.