Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0145

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
201108398/1/T1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2011, kenmerk no. 12, heeft de raad het bestemmingsplan "Bouwperceel Bonegraafseweg ong. te Ochten" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/248

Uitspraak

201108398/1/T1/R2.

Datum uitspraak: 28 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats], gemeente Neder-Betuwe,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Neder-Betuwe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2011, kenmerk no. 12, heeft de raad het bestemmingsplan "Bouwperceel Bonegraafseweg ong. te Ochten" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Karharman, advocaat te Apeldoorn, en de raad, vertegenwoordigd door P. Hospers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [partij], bijgestaan door mr. ing. A. Paalman, ter zitting gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Het plan voorziet in de bestemming "Agrarisch" voor een deel van het ongenummerde perceel aan de Bonegraafseweg te Ochten, ten behoeve van de vestiging van een boomkwekerij met een bedrijfsgebouw en een bijbehorende bedrijfswoning.

2.3. [appellant] kan zich niet met het plan verenigen. Hij voert aan dat de cultuurhistorische waarde van het perceel zal worden aangetast, waardoor de raad in strijd handelt met de gemeentelijke beleidsregels uit de beleidsnotitie "Criteria nieuwe en bestaande agrarische bouwpercelen" (hierna: de beleidsnotitie). Die beleidsregels staan volgens hem niet toe dat ontwikkelingen plaatsvinden als daardoor de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische of natuurlijke waarden worden aangetast.

Voorts voert [appellant] aan dat het bouwperceel van de boomkwekerij binnen de spuitzone ligt van zijn perceel, waarop fruitteelt plaatsvindt. Ook wordt ten onrechte niet voldaan aan de in het Besluit landbouw milieubeheer opgenomen richtafstand van 50 meter voor geurgevoelige objecten in het buitengebied, nu het plangebied binnen 50 meter van een stal van [appellant] ligt waarin ongeveer 20 dieren worden gehouden. De raad heeft volgens [appellant] ten onrechte enkel rekening gehouden met de 23 dieren die [appellant] in de stal bij zijn woning houdt. Hij vreest dat zijn uitbreidingsmogelijkheden worden aangetast door de in het plan voorziene ontwikkelingen.

Tot slot doet [appellant] een beroep op het gelijkheidsbeginsel, nu volgens hem de bezwaren die ertoe leidden dat de boomkwekerij niet tegenover het perceel [locatie] werd gesitueerd ook gelden voor de locatie van de boomkwekerij in het voorliggende plan.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het beleid, de op het perceel aanwezige cultuurhistorische waarden en het bedrijf van [appellant] niet in de weg staan aan de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen.

2.3.2. Voor zover [appellant] aanvoert dat de met het plan mogelijk gemaakte woning leidt tot een aantasting van zijn bedrijfsvoering betreffende de aanwezige fruitteelt, overweegt de Afdeling het volgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de met het plan mogelijk gemaakte bebouwing binnen 50 meter van het fruitteeltbedrijf van [appellant] kan worden gerealiseerd. Voorts is komen vast te staan dat ten zuidwesten van het perceel van [appellant] op een afstand van ongeveer 40 meter reeds een bestaande woning aanwezig is, die gelet op voormelde afstand een zekere beperking geeft voor de bedrijfsvoering van [appellant]. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ter zitting is toegelicht dat de bestemming op het perceel van [appellant] het gebruik als fruitteeltbedrijf toestaat en dat tot op de perceelsgrens fruitbomen staan.

Nu het plan niet voorziet in de bouw van een woning dichterbij dan de reeds bestaande woning, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen leiden tot een verdere beperking van de bedrijfsvoering van [appellant]. Gelet op het voorgaande faalt dit betoog van [appellant].

2.3.3. Ten aanzien van de door [appellant] gemaakte vergelijking met de locatie tegenover het perceel [locatie] heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie. De geurbelasting van een nabij die locatie aanwezig bedrijf op de gehele locatie tegenover het perceel [locatie] was te hoog. Die situatie doet zich op de in het voorliggende plan opgenomen locatie niet voor, aldus de raad. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.3.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat de in het plan voorziene bebouwing in de weg staat aan zijn bedrijfsvoering betreffende de op zijn perceel aanwezige stal met dieren, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de planverbeelding en het door [appellant] ter zitting getoonde beeldmateriaal volgt dat de plangrens en de daarmee samenvallende grens van het bouwvlak binnen 50 meter van de stal liggen. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels moet de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens op gronden met de bestemming "Agrarisch" minimaal 5 meter bedragen. Indien ervan kan worden uitgegaan dat de plangrens overeenstemt met de perceelsgrens dan kan aan de afstand van 50 meter tot de stal worden voldaan. In de in de verbeelding weergegeven ondergrond is echter een kadastrale grens van het perceel weergegeven op een nog kortere afstand van de stal van [appellant] dan de plangrens. Derhalve bestaat de mogelijkheid dat niet aan de afstand van 50 meter wordt voldaan. Het standpunt van de raad dat de in het plan voorziene bebouwing niet aan de bedrijfsvoering van [appellant] in de weg staat, is dan ook onvoldoende gemotiveerd. Gelet op het voorgaande slaagt dit betoog van [appellant].

2.3.5. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat de raad in strijd handelt met de beleidsnotitie, omdat het agrarisch oeverwalgebied wordt aangetast, overweegt de Afdeling het volgende. In de beleidsnotitie is vermeld dat de vestiging van een agrarisch bouwperceel in agrarisch oeverwalgebied niet is uitgesloten, indien die vestiging niet leidt tot een aantasting van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden.

Niet in geschil is dat het achterste deel van het plangebied in agrarisch oeverwalgebied is gelegen. Volgens de raad bestaat de cultuurhistorische waarde in dit gebied uit de structuur van de kwelsloten. De kwelsloten worden zoveel mogelijk beschermd. De bedrijfsbebouwing zal dusdanig worden gesitueerd dat de aanwezige watergangen in stand blijven, waarmee het oorspronkelijke landschappelijke patroon intact zal worden gelaten, aldus de raad.

Uit de verbeelding, in samenhang bezien met artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels, volgt dat het gehele plangebied mag worden bebouwd. Het plan bevat voorts geen voorschriften ten aanzien van de situering van bebouwing ter bescherming van de aanwezige waarden van het agrarisch oeverwalgebied. De stelling van de raad dat de waarden van het agrarisch oeverwalgebied worden beschermd, vindt derhalve geen grondslag in de planregels. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van [appellant] dat het plan onvoldoende voorziet in de bescherming van het agrarisch oeverwalgebied.

2.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit ten aanzien van de mogelijke gevolgen van de in het plan voorziene bebouwing voor de bedrijfsvoering van [appellant], betreffende de stal met dieren, niet berust op een deugdelijke motivering en derhalve in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Voorts ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten aanzien van de bescherming van de waarden van het agrarisch oeverwalgebied niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zodat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

2.5. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beƫindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 2.3.4 het besluit alsnog toereikend te motiveren dan wel het besluit, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

De raad dient voorts met inachtneming van overweging 2.3.5 het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling, zodanig dat deze planregeling voorziet in bescherming van de waarden van het agrarisch oeverwalgebied, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

2.6. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Neder-Betuwe op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van hetgeen in overweging 2.3.4 is overwogen het besluit van 26 mei 2011, kenmerk no. 12, alsnog toereikend te motiveren, dan wel het besluit te wijzigen door het vaststellen van een andere planregeling. Voorts draagt zij de raad op met inachtneming van hetgeen in overweging 2.3.5 is overwogen een nieuwe planregeling vast te stellen, zodanig dat deze planregeling voorziet in bescherming van de waarden van het agrarisch oeverwalgebied. Het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Vogel-Carprieaux

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012

458-726.