Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0136

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
201106703/1/T1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Von Clermontplein 60" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Wet op de Raad van State
Wet op de Raad van State 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/245

Uitspraak

201106703/1/T1/R1.

Datum uitspraak: 28 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Vaals,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Vaals,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Von Clermontplein 60" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2011, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2012, waar [appellanten], bijgestaan door mr. K.M.S Makkinga, werkzaam bij Makkinga Juridisch Advies, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E. Engels en mr. S. Pieters, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor de bouw van een appartementencomplex op het perceel gelegen aan het Von Clermontplein 60. Het voorziene appartementencomplex zal bestaan uit tien wooneenheden en zal worden voorzien van een parkeergarage met negen parkeerplaatsen en een garagebox.

2.3. [appellanten] betogen dat het plan ten onrechte de bouw van een appartementencomplex van vier bouwlagen, dat zich uitstrekt tot de erfgrens met hun perceel gelegen aan het [locatie], mogelijk maakt. Volgens [appellanten] past dit niet in het stedenbouwkundig beeld van de omgeving waar hoofdzakelijk is gebouwd in een hoogte van twee, en in enkele gevallen, drie bouwlagen. Volgens [appellanten] is bovendien door de raad niet onderkend dat de weg waaraan de percelen zijn gelegen op een helling ligt, waardoor het appartementencomplex, ondanks dat dit dezelfde maximale bouw- en goothoogte heeft, hoger kan worden dan het naastgelegen pand van [appellanten]. Voorts is volgens [appellanten] het voorziene appartementencomplex in strijd met de bestemming "Waarde - beschermd dorpsgezicht", nu het gebouw, vanwege zijn omvang, afbreuk doet aan het karakter van het dorpsgezicht.

2.3.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat onder het voorheen geldende plan het desbetreffende perceel een horecabestemming had en dat het was toegestaan om hier een of meer panden met maximaal drie bouwlagen ten dienste van horeca te realiseren. De raad is in het ontwerpplan aangesloten bij de wens van de projectontwikkelaar om te voorzien in een gebouw met vier bouwlagen, maar heeft in het definitieve plan het maximaal aantal bouwlagen vervangen door een maximale bouw- en goothoogte, omdat hij dit meer rechtszeker acht. De raad heeft beoogd om de bouw- en goothoogte van het voorziene appartementencomplex te laten aansluiten bij bestaande bebouwing.

2.3.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.11, van de planregels wordt onder bouwlaag verstaan een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitzondering van setback, zolder, onderbouw, (parkeer)kelder en souterrain tot en met een maximale hoogte van 2,65 meter.

Ingevolge artikel 2, lid 2.2 wordt bij toepassing van de regels de goothoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

Ingevolge lid 2.4 wordt bij toepassing van de regels de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en voor parkeervoorzieningen ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage".

Ingevolge lid 3.2.1, mogen op de voor "Wonen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "gestapeld" uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd, met dien verstande dat het maximaal aantal gestapelde woningen 10 bedraagt.

Ingevolge lid 3.2.2, onder b en c, bedraagt de bouwhoogte minimaal 10 m en maximaal 12 m en bedraagt de goothoogte minimaal 8 m en maximaal 10 m.

2.3.3. Vast staat dat de weg Von Clermontplein waaraan het voorziene appartementencomplex en de woning van [appellanten] is gelegen op een helling ligt. Voorts staat vast dat voor het voorziene appartementencomplex en de naastgelegen woning van [appellanten] dezelfde maximale bouw- en goothoogte geldt. Ten slotte staat vast dat hoewel in de planregels staat dat de maximale bouw- en goothoogte wordt gemeten vanaf het peil, hierin niet is bepaald wat onder peil moet worden verstaan. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de maximale bouw- en goothoogte wordt gemeten vanaf de kruin van de weg. Daargelaten dat dit evenmin in het plan is geregeld, heeft dit tot gevolg, zoals partijen ter zitting hebben onderkend, dat het voorziene appartementencomplex, nu dit hoger op de helling is gelegen, feitelijk boven de woning van [appellanten] kan gaan uitsteken. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij dit niet heeft beoogd, maar dat het de bedoeling is dat het appartementencomplex wat betreft de bouw- en goothoogte aansluit bij de naastgelegen woning van [appellanten]. De ontwikkelaar van het voorziene appartementencomplex heeft eveneens ter zitting verklaard dat het niet de bedoeling is dat de bebouwing boven de woning van [appellanten] kan gaan uitsteken. Nu de raad dit evenwel niet in de planregels heeft geregeld, bestaat aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.4. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beƫindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe alsnog in de planregels te voorzien in een regeling waardoor de maximale bouw- en goothoogte van het voorziene appartementencomplex op het perceel gelegen aan het Von Clermontplein 60 aansluit bij de bestaande bouw- en goothoogte van het pand op het perceel gelegen aan het Von [locatie]. Bij de voorbereiding van een nieuw besluit behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast.

2.5. Het oordeel omtrent de overig aangevoerde beroepsgronden is mede afhankelijk van de door de raad vast te stellen regeling. Gelet hierop zal over deze beroepsgronden eerst in de einduitspraak worden beslist. In de einduitspraak zal ook worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Vaals op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- te voorzien in een regeling waardoor de maximale bouw- en goothoogte van het voorziene appartementencomplex op het perceel gelegen aan het Von Clermontplein 60 aansluit bij de bestaande bouw- en goothoogte van het pand op het perceel gelegen aan het [locatie];

- het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken, en;

- de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Schaaf

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012

523.