Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0013

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
201107920/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

VREEMDELINGENBEWARING. MTV-controle. Indicatoren niet vermeld in proces-verbaal.

Met betrekking tot de vraag of is voldaan aan het tweede lid van artikel 4.17a wordt overwogen dat in het proces-verbaal van staandehouding is vermeld dat op voormelde weg regelmatig controles worden uitgevoerd omdat hier illegale immigratie plaatsvindt en dat de controle is gehouden op basis van informatie en ervaringsgegevens. Gezien de op ambtsbelofte en ambtseed opgemaakte processen-verbaal dient van de juistheid van deze gegevens te worden uitgegaan, ook indien daarin, zoals in dit geval, is vermeld dat tijdens de controle een selectie op basis van indicatoren is gemaakt zonder dat daarbij is aangegeven welke indicatoren dit betrof. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 oktober 2011 in zaak nr. 201108212/1/V4; www.raadvanstate.nl) had de Rb., indien de stellingen van de vreemdeling ter zitting aanleiding gaven voor een nader onderzoek naar (meer concrete) ervaringsgegevens op grond waarvan het toezicht op de betreffende locatie is uitgeoefend, het onderzoek moeten schorsen en de minister in de gelegenheid moeten stellen om nadere informatie te verstrekken. Dat geldt evenzeer voor de vraag of is voldaan aan het in het vijfde lid gestelde vereiste dat slechts een deel van de voertuigen is stilgehouden. Naar het oordeel van de Afdeling geven de stellingen van de vreemdeling evenwel geen grond voor een nader onderzoek.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.17a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107920/1/V4.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 13 juli 2011 in zaak nr. 11/21668 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 juli 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de minister, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staandehouding van de vreemdeling onrechtmatig is, reeds nu het proces-verbaal niet inzichtelijk maakt dat is voldaan aan de bij artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) gestelde eisen, terwijl de enkele vermelding in het proces-verbaal dat de controle is uitgevoerd conform artikel 4.17a hiervoor onvoldoende is. Voorts heeft de rechtbank volgens de minister ten onrechte overwogen dat het voorgaande ook geldt voor de vermelding dat is geselecteerd op basis van indicatoren die tijdens briefings zijn gegeven en dat nu het proces-verbaal niet weergeeft op basis van welke indicatoren het vervoermiddel waarin de vreemdeling zich bevond is geselecteerd, onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat is voldaan aan het tweede lid, te weten dat de controle is uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding, terwijl ook het aanvullend proces-verbaal van 12 juli 2011 en het locatieoverzicht MTV juni 2011 niet aantonen dat aan de in artikel 4.17a gestelde eisen is voldaan.

Daartoe betoogt de minister dat het tweede lid van artikel 4.17a slechts ziet op het toezicht zoals dat door de Koninklijke Marechaussee wordt uitgevoerd en geen betrekking heeft op de staandehouding van een vreemdeling en de mogelijke indicatoren die daarvoor aanleiding kunnen zijn. Dat in het proces-verbaal niet is gerelateerd of de controle informatiegestuurd heeft plaatsgevonden en, zo dit het geval mocht zijn, op basis van welke informatie deze plaatsvond, dan wel of de controle met het oog op het verkrijgen van informatie over illegaal verblijf plaatsvond, kan daarom niet tot de conclusie leiden dat de controle in strijd is met artikel 4.17a en het proces-verbaal op dit punt tekortschiet. Dat geldt evenzeer voor het ontbreken van inzicht in de vraag of, indien de controle is gebaseerd op algemene politie-informatie en ervaring, deze met name bedoeld was ter bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit. Nu artikel 4.17a overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2010, gevoegde zaken C-188/10 & C-189/10, Melki en Abdeli (www.curia.europa.eu) en de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2010 in zaak nr. 201010789/1/V3 (www.raadvanstate.nl) voorziet in het noodzakelijke wettelijke kader voor het door de politieautoriteiten uitoefenen van de bevoegdheid om in het grensgebied de identiteit van een ieder te controleren, ongeacht het gedrag van de betrokkene en los van specifieke omstandigheden, is voldaan aan de in artikel 21, aanhef en onder a, van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: de Schengengrenscode) opgenomen voorwaarde. Voorts valt uit het proces-verbaal van staandehouding af te leiden dat de controle is uitgevoerd conform artikel 4.17a van het Vb 2000.

2.2. Ingevolge artikel 21, aanhef en onder a, van de Schengengrenscode doet de afschaffing van het toezicht aan de binnengrenzen geen afbreuk aan de uitoefening van de politiebevoegdheid door de bevoegde instanties van de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving, voor zover de uitoefening van die bevoegdheid niet hetzelfde effect heeft als grenscontroles; dit geldt ook in de grensgebieden. Voor de toepassing van de eerste zin kan met name niet worden gesteld dat de uitoefening van de politiebevoegdheid hetzelfde effect heeft als de uitoefening van grenscontroles wanneer politiële maatregelen:

i) niet grenstoezicht tot doel hebben;

ii) gebaseerd zijn op algemene politie-informatie en -ervaring met

betrekking tot mogelijke bedreigingen van de openbare veiligheid en

met name bedoeld zijn ter bestrijding van grensoverschrijdende

criminaliteit;

iii) worden gepland en uitgevoerd op een manier die duidelijk verschilt

van de systematische controles van personen aan de buitengrenzen;

iv) op basis van controles ter plaatse worden uitgevoerd.

Ingevolge artikel 4.17a, tweede lid, van het Vb 2000 wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.

Ingevolge het vijfde lid, wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.

2.2.1. De Afdeling verstaat de aangevallen overweging aldus dat de rechtbank van oordeel is dat uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 30 juni 2011 en het aanvullend proces-verbaal van 12 juli 2011 niet blijkt dat is voldaan aan de voorwaarde bedoeld in artikel 4.17a, tweede en vijfde lid, van het Vb 2000.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder andere in de uitspraak van 24 oktober 2011 in zaak nr. 201108212/1/V4, www.raadvanstate.nl), dient in beginsel van de juistheid en volledigheid van het op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal te worden uitgegaan. Voorts is het voor de vaststelling of sprake is van een rechtmatige staandehouding krachtens de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) van belang dat in het betreffende proces-verbaal niet slechts melding wordt gemaakt van de grond van de staandehouding, maar tevens inzicht wordt verschaft in de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding.

2.2.3. Blijkens het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 30 juni 2011 is de vreemdeling op die datum tijdens een controle in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (voorheen: Mobiel Toezicht Vreemdelingen; hierna: MTV-controle), op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 en met toepassing van artikel 4.17a van het Vb 2000 om 10:20 uur, staande gehouden als passagier van een voertuig met Duits kenteken. De staandehouding heeft plaatsgevonden op de Keulse Barrière, gelegen aan de Duits-Nederlandse grensovergang, in de gemeente Venlo. Uit het locatieoverzicht MTV juni 2011, bezien in samenhang met het proces-verbaal van 12 juli 2011 van de Koninklijke Marechaussee Brabant Noord/Limburg Noord, kan worden afgeleid dat er op het moment van de staandehouding geen overschrijding heeft plaatsgevonden van het maximum aantal uren dat ingevolge het vijfde lid mag worden gecontroleerd, te weten 90 uur per maand en 6 uur per dag op dezelfde weg.

2.2.4. Met betrekking tot de vraag of is voldaan aan het tweede lid van artikel 4.17a wordt overwogen dat in het proces-verbaal van staandehouding is vermeld dat op voormelde weg regelmatig controles worden uitgevoerd omdat hier illegale immigratie plaatsvindt en dat de controle is gehouden op basis van informatie en ervaringsgegevens. Gezien de op ambtsbelofte en ambtseed opgemaakte processen-verbaal dient van de juistheid van deze gegevens te worden uitgegaan, ook indien daarin, zoals in dit geval, is vermeld dat tijdens de controle een selectie op basis van indicatoren is gemaakt zonder dat daarbij is aangegeven welke indicatoren dit betrof. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 oktober 2011 in zaak nr. 201108212/1/V4; www.raadvanstate.nl) had de rechtbank, indien de stellingen van de vreemdeling ter zitting aanleiding gaven voor een nader onderzoek naar (meer concrete) ervaringsgegevens op grond waarvan het toezicht op de betreffende locatie is uitgeoefend, het onderzoek moeten schorsen en de minister in de gelegenheid moeten stellen om nadere informatie te verstrekken. Dat geldt evenzeer voor de vraag of is voldaan aan het in het vijfde lid gestelde vereiste dat slechts een deel van de voertuigen is stilgehouden. Naar het oordeel van de Afdeling geven de stellingen van de vreemdeling evenwel geen grond voor een nader onderzoek.

2.2.5. De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit worden getoetst in het licht van de daartegen door de vreemdeling in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3.1. Nu uit het voorgaande volgt dat de minister voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de MTV-controle, die tot de staandehouding van de vreemdeling heeft geleid, is uitgevoerd op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding en voor het oordeel dat bij de controle niet is voldaan aan de vereisten van artikel 4.17a van het Vb 2000 geen grond bestaat, slaagt het betoog van de vreemdeling dat de controle het effect van een grenscontrole heeft, niet.

2.4. Het beroep is ongegrond. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 13 juli 2011 in zaak nr. 11/21668;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Bakker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

393.

Verzonden: 21 maart 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser