Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0006

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
201103323/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

VREEMDELINGENBEWARING. Terugkeerrichtlijn. Grondslag van de maatregel. De aan de inbewaringstelling ten grondslag gelegde omstandigheden geven op zichzelf noch in onderling verband grond voor het oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn.

Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling

- niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in

artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna:

het Vb 2000),

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, en

- onvoldoende middelen van bestaan heeft.

De aan de inbewaringstelling ten grondslag gelegde omstandigheden geven op zichzelf noch in onderling verband grond voor het oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn. De door de minister gegeven toelichting geeft geen grond voor een ander oordeel, nu hieruit evenmin blijkt van een handelen dan wel nalaten door de te verwijderen vreemdeling zelf dat rechtstreeks verband houdt met het belemmeren of ontwijken van de voorbereiding van de terugkeer dan wel de verwijderingsprocedure. In dit verband is van belang dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij pas op het moment van zijn aanhouding – die plaatsvond in Duitsland in een vanuit Nederland komende internationale trein – op de hoogte is geraakt van de omstandigheid dat hij zijn portemonnee heeft verloren, hetgeen door de minister niet is weersproken. Hiervan uitgaande kan de vreemdeling niet worden tegengeworpen dat hij op dat moment geen aangifte van vermissing had gedaan. Voor het overige blijkt uit de gedingstukken dat de vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling te kennen heeft gegeven Nederland te willen verlaten. De aan de vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring is van meet af aan onrechtmatig.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103323/1/V3.

Datum uitspraak: 19 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 11 maart 2011 in zaak nr. 11/7045 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.2. De minister klaagt in zijn enige grief, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het tegelijkertijd uitreiken van een terugkeerbesluit en het opleggen van een maatregel van bewaring niet in overeenstemming is met artikel 15, aanhef en artikel 3, vierde lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna:

de Terugkeerrichtlijn; PB 2008 L 348) en dat dit tot onrechtmatigheid van de opgelegde maatregel moet leiden. De minister stelt zich op het standpunt dat het gelijktijdig met het opleggen van de maatregel van bewaring uitreiken van een terugkeerbesluit in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn. De maatregel van bewaring is derhalve rechtmatig opgelegd.

2.2.1. Zoals de Afdeling in overweging 2.1.4. van de uitspraak van

21 maart 2011 in zaak nr. 201100307/1/V3 (www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, vloeit uit artikel 15 en de systematiek van de Terugkeerrichtlijn rechtstreeks voort dat een maatregel van bewaring, opgelegd aan een onderdaan van een derde land die illegaal in Nederland verblijft, behoudens de in artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn vermelde uitzonderingsgevallen, uitsluitend mag worden opgelegd indien voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met die maatregel een terugkeerbesluit is genomen.

2.2.2. De vreemdeling is op 1 maart 2011 om 09:30 uur in bewaring gesteld. Op dezelfde dag en hetzelfde tijdstip is ten aanzien van hem een terugkeerbesluit genomen en uitgereikt. Door gelijktijdig met de oplegging van de maatregel van bewaring een terugkeerbesluit te nemen heeft de minister in overeenstemming met de Terugkeerrichtlijn gehandeld. Gelet op het voorgaande slaagt de grief en behoeft hetgeen overigens naar voren is gebracht geen bespreking.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 1 maart 2011 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

2.4. De vreemdeling heeft aangevoerd dat het ten aanzien van hem op

1 maart 2011 genomen terugkeerbesluit onrechtmatig moet worden geacht, nu hem ten onrechte geen vertrektermijn is gegund.

2.4.1. Zoals de Afdeling in de in overweging 2.2.1. genoemde uitspraak eerder heeft overwogen staat, nu in dit geval los van de maatregel van bewaring een terugkeerbesluit is genomen, het rechtsmiddelenstelsel van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) thans eraan in de weg dat de bewaringsrechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring tevens een oordeel geeft over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Aan deze grond wordt dan ook voorbij gegaan.

2.5. De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat de gronden, zonder nadere toelichting van de zijde van de minister, onvoldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.

2.5.1. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling

- niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in

artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna:

het Vb 2000),

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, en

- onvoldoende middelen van bestaan heeft.

2.5.2. De Afdeling heeft in de uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100555/1/V3 (www.raadvanstate.nl), samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, overwogen dat artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, voor zover nodig, richtlijnconform kan worden uitgelegd in die zin dat, zolang niet aan artikel 3, zevende lid, van

de Terugkeerrichtlijn is voldaan, een maatregel van bewaring alleen mag worden opgelegd indien de betrokken vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Bij de beoordeling of de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert dient te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met de toelichting die de minister, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins, over deze omstandigheden heeft gegeven en in samenhang daarmee met hetgeen hieromtrent uit het bewaringsdossier van de vreemdeling valt af te leiden.

2.5.3. De vreemdeling heeft niet betwist dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats. De minister heeft hieromtrent ter zitting van de rechtbank toegelicht dat de vreemdeling niet staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.

Ten aanzien van de grond dat de vreemdeling niet beschikt over voldoende middelen van bestaan heeft de minister toegelicht dat een bedrag van € 100 waarover de vreemdeling beschikt onvoldoende is om in zijn levensonderhoud te voorzien dan wel om zijn terugreis te bekostigen.

Ten aanzien van de grond dat de vreemdeling niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 heeft de minister zich ter zitting van de rechtbank op het standpunt gesteld dat dit wijst op het ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure omdat de vreemdeling heeft verklaard dat hij zijn portemonnee met daarin zijn identiteitsdocument heeft verloren, maar hij hiervan geen bewijs – zoals een bewijs van aangifte – heeft overgelegd.

2.5.4. De aan de inbewaringstelling ten grondslag gelegde omstandigheden geven op zichzelf noch in onderling verband grond voor het oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn. De door de minister gegeven toelichting geeft geen grond voor een ander oordeel, nu hieruit evenmin blijkt van een handelen dan wel nalaten door de te verwijderen vreemdeling zelf dat rechtstreeks verband houdt met het belemmeren of ontwijken van de voorbereiding van de terugkeer dan wel de verwijderingsprocedure. In dit verband is van belang dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij pas op het moment van zijn aanhouding – die plaatsvond in Duitsland in een vanuit Nederland komende internationale trein – op de hoogte is geraakt van de omstandigheid dat hij zijn portemonnee heeft verloren, hetgeen door de minister niet is weersproken. Hiervan uitgaande kan de vreemdeling niet worden tegengeworpen dat hij op dat moment geen aangifte van vermissing had gedaan. Voor het overige blijkt uit de gedingstukken dat de vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling te kennen heeft gegeven Nederland te willen verlaten. De aan de vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring is van meet af aan onrechtmatig.

De beroepsgrond slaagt.

2.6. Nu de bewaring van meet af aan onrechtmatig is, behoeven de overige voorgedragen beroepsgronden geen bespreking meer. De Afdeling zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 1 maart 2011 gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 1 maart 2011 tot 11 maart 2011, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel feitelijk is opgeheven.

2.7. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 11 maart 2011 in zaak nr. 11/7045;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 825,00 (zegge: achthonderdvijfentwintig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter w.g. Van Dokkum

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2012

480-665.

Verzonden: 19 maart 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser