Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW0004

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
201102621/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

VREEMDELINGENBEWARING. Gebruik van handboeien. Gebruik van handboei gedurende het overbrengen van de vreemdeling van het politiebureau naar de transportbus over de openbare weg toelaatbaar.

Vast staat dat de handboei is aangelegd op het moment dat de vreemdeling rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Evenmin is in geschil dat de handboei louter is gebruikt gedurende het overbrengen van de vreemdeling van het politiebureau naar de transportbus over de openbare weg en dat het verdere vervoer zonder handboeien heeft plaatsgevonden. Door te betogen dat vluchtgevaar bestond, omdat het overbrengen van de vreemdeling van het politiebureau naar de transportbus over de openbare weg moest plaatsvinden, heeft de minister, zij het summier, gemotiveerd dat sprake was van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 22, tweede en derde lid, van de Ambtsinstructie. Mede gelet op de beperkte omvang qua tijd en afstand, kan het gebruik van de handboeien derhalve toelaatbaar worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ars Aequi RV20120075 met annotatie van G.N. Cornelisse

Uitspraak

201102621/1/V3.

Datum uitspraak: 20 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 24 februari 2011 in zaak nr. 11/5231 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, samengevat weergegeven, dat voor een terughoudende toets van de vraag of met een lichter middel kon worden volstaan geen plaats is en dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in het geval van de vreemdeling niet met een lichter middel dan bewaring kon worden volstaan.

Daartoe betoogt de minister, samengevat weergeven, dat hem bij de beoordeling van de vraag of met een lichter middel dan bewaring kan worden volstaan, beoordelingsvrijheid toekomt, nu uit richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) niet blijkt dat een terughoudende rechterlijke toetsing van een door de minister genomen beslissing geen lichter middel toe te passen, in strijd is met het doel en de strekking van die richtlijn. Nu de rechtbank zich ten onrechte niet tot een terughoudende toets heeft beperkt, komt de aangevallen uitspraak reeds hierom voor vernietiging in aanmerking, aldus de minister.

De minister betoogt voorts, samengevat weergegeven, dat uit de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden blijkt dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert en dat niet met een lichter middel dan bewaring kon worden volstaan. De minister betoogt onder meer dat niet in geschil is dat de vreemdeling zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn en dat hij gedurende het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling te kennen heeft gegeven dat hij niet terug wil keren naar zijn land van herkomst.

2.1.1. Uit de op 22 februari 2011 aan de rechtbank verzonden brief van de minister en uit het proces-verbaal van zitting bij de rechtbank blijkt dat de vreemdeling op 24 februari 2011 op AC-Schiphol een asielaanvraag zou indienen. Hieruit volgt dat de vreemdeling op enig moment na het opleggen van de maatregel van bewaring de wens een asielaanvraag in te dienen kenbaar heeft gemaakt.

2.1.2. Bij het opleggen van de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot aan het moment waarop de vreemdeling de wens een asielaanvraag in te dienen kenbaar heeft gemaakt, is de Terugkeerrichtlijn op de vreemdeling van toepassing geweest. De vraag over het in zo'n situatie door de rechtbank te hanteren toetsingskader heeft de Afdeling eerder (uitspraak van 28 april 2011 in zaak nr. 201100194/1/V3; www.raadvanstate.nl) beantwoord. Overweging 2.1.7. van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft, is ook in dit geval van toepassing. De klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor een terughoudende toets geen plaats is, is in zoverre terecht voorgedragen.

Naar volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102760/1/V3; www.raadvanstate.nl) is de Terugkeerrichtlijn niet langer op de vreemdeling van toepassing vanaf het moment dat deze de wens een asielaanvraag in te dienen kenbaar heeft gemaakt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 december 2011 in zaak nr. 201106984/1/V3; www.raadvanstate.nl) worden de uit de Terugkeerrichtlijn voortvloeiende vereisten waaraan de bewaring moet voldoen wat betreft de toetsing van de gronden en van de vraag of met een lichter middel dan bewaring kan worden volstaan thans nog getoetst aan de hand van de voor het verstrijken van de omzettingstermijn van de Terugkeerrichtlijn in de jurisprudentie van de Afdeling ontwikkelde maatstaven. Volgens deze jurisprudentie had de rechtbank de vraag of met een lichter middel dan bewaring kon worden volstaan terughoudend dienen te toetsen. De klacht over het door de rechtbank gehanteerde toetsingskader is derhalve eveneens terecht voorgedragen voor de periode nadat de vreemdeling de wens een asielaanvraag in te dienen kenbaar heeft gemaakt.

De grief slaagt in zoverre.

2.1.3. Aan de maatregel van bewaring is, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat de vreemdeling zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn. De vreemdeling heeft deze grond niet betwist. Zoals de Afdeling bij uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100555/1/V3 (www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, geeft deze omstandigheid in beginsel aanleiding aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Dat de ouders en de broers van de vreemdeling de Nederlandse nationaliteit en een vaste woon- of verblijfplaats in Zutphen hebben en dat de vreemdeling onder meer bij zijn ouders verbleef, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij niet terug wil keren naar zijn land van herkomst. De vreemdeling heeft voorts geen bijzondere feiten of omstandigheden aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die de maatregel onevenredig maken. De minister heeft zich derhalve niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in het geval van de vreemdeling geen lichter middel kon worden toegepast.

Ook nadat de Terugkeerrichtlijn niet langer op de voortduring van de maatregel van bewaring van toepassing was en ondanks dat een van de broers van de vreemdeling ter zitting van de rechtbank een garantverklaring heeft overgelegd, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen lichter middel dan bewaring kon worden toegepast. Daartoe is redengevend dat de vreemdeling gedurende het vertrekgesprek van 21 februari 2011 heeft geweigerd de aanvraag om afgifte van een laissez passer te ondertekenen en dat ook uit het proces-verbaal van zitting bij de rechtbank volgt dat de vreemdeling niet terug wil keren naar zijn land van herkomst.

2.1.4. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de minister met een lichter middel dan bewaring had dienen te volstaan.

De grief slaagt ook in zoverre.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de maatregel van 13 februari 2011 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die nog bespreking behoeven.

2.3. De vreemdeling heeft aangevoerd dat ten onrechte gebruik is gemaakt van handboeien en dat het door de minister gestelde vluchtgevaar niet is onderbouwd.

2.3.1. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de Koninklijke marechaussee, de politie en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) kan de ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.

Ingevolge het tweede lid kan de maatregel, bedoeld in het eerste lid, slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

Ingevolge het derde lid kunnen de in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden slechts gelegen zijn in de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt.

2.3.2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van overbrenging en ophouding van 13 februari 2011 vermeldt, voor zover thans van belang, dat de vreemdeling op grond van artikel 50, tweede of derde lid, van de

Vw 2000 is overgebracht naar een plaats van verhoor en dat hij, om in het voertuig te komen, over de openbare weg moest waarbij vluchtgevaar bestond. De vreemdeling werd daarom geboeid. Het proces-verbaal vermeldt voorts dat de handboei in de bus werd afgedaan en dat het verdere vervoer heeft plaatsgevonden zonder handboeien.

2.3.3. Vast staat dat de handboei is aangelegd op het moment dat de vreemdeling rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Evenmin is in geschil dat de handboei louter is gebruikt gedurende het overbrengen van de vreemdeling van het politiebureau naar de transportbus over de openbare weg en dat het verdere vervoer zonder handboeien heeft plaatsgevonden. Door te betogen dat vluchtgevaar bestond, omdat het overbrengen van de vreemdeling van het politiebureau naar de transportbus over de openbare weg moest plaatsvinden, heeft de minister, zij het summier, gemotiveerd dat sprake was van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 22, tweede en derde lid, van de Ambtsinstructie.

Mede gelet op de beperkte omvang qua tijd en afstand, kan het gebruik van de handboeien derhalve toelaatbaar worden geacht.

De beroepsgrond faalt.

2.4. De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat het terugkeerbesluit in strijd met de Terugkeerrichtlijn is genomen, nu hem geen vertrektermijn is gegund.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van

21 maart 2011 in zaak nr. 201100307/1, www.raadvanstate.nl) staat het gesloten rechtsmiddelenstelsel van de Vw 2000 eraan in de weg dat de rechtbank bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring tevens een oordeel geeft over de rechtmatigheid van het los van de maatregel genomen terugkeerbesluit en kan de rechter, die over de maatregel van bewaring heeft te oordelen, zich eerst indien een zodanig terugkeerbesluit in de daartoe voorziene procedure onrechtmatig is gebleken, gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van die maatregel. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake.

De beroepsgrond faalt.

2.5. De Afdeling zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 13 februari 2011 van de minister alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 24 februari 2011 in zaak nr. 11/5231;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter w.g. Van de Kolk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2012

347-699.

Verzonden: 20 maart 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser