Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9522

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201104247/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied herziening oktober 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104247/1/R3.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Gemert, gemeente Gemert-Bakel,

2. [appellant sub 2], wonend te Bakel, gemeente Gemert-Bakel,

en

de raad van de gemeente Gemert-Bakel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied herziening oktober 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2012, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. F.T.H. Branten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 1]

2.1. [appellant sub 1] stelt dat hij ten gevolge van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Wolfsveld" schade zal leiden en derhalve aanspraak maakt op een planschadevergoeding. Gelet hierop is volgens hem onvoldoende inzichtelijk of dat plan financieel haalbaar is.

2.1.1. De Afdeling overweegt dat dit bezwaar ziet op het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Wolfsveld" en derhalve in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.

2.2. [appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte zijn zienswijze, die betrekking heeft op het meest oostelijke plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 1] te Gemert, bij zijn afweging omtrent vaststelling van het plan buiten beschouwing heeft gelaten.

2.2.1. De raad heeft in zijn verweerschrift erkend dat hij de zienswijze van [appellant sub 1] ten onrechte niet bij zijn afweging omtrent vaststelling van het plan heeft betrokken.

2.2.2. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het de vaststelling van het meest oostelijke plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 1] te Gemert betreft, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.2.3. De raad heeft in zijn verweerschrift erkend dat hij de zienswijze van [appellant sub 1] ten onrechte niet bij zijn afweging omtrent vaststelling van het plan heeft betrokken en is in het verweerschrift ingegaan op de beroepsgronden. Voorts heeft ter zitting een volledige behandeling hiervan plaatsgevonden. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

2.3. [appellant sub 1], die een intensieve varkenshouderij exploiteert op het perceel [locatie 1] te Gemert, komt in beroep tegen de grootte van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" op zijn perceel. Hij stelt dat het verlies aan bouwmogelijkheden op het achterste gedeelte van zijn perceel in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Wolfsveld" in het thans voorliggende bestemmingsplan had moeten worden gecompenseerd door het genoemde plandeel in oostelijke richting te vergroten. In dit verband voert hij aan dat hij concrete bouwplannen had waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening diende te houden.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het thans voorliggende plan geen planologische regeling omvat die ziet op de bouwmogelijkheden op het perceel van [appellant sub 1]. Het perceel van [appellant sub 1] maakt deel uit van het plan vanwege de geluidszonering van bedrijventerrein Wolfsveld die gedeeltelijk over het perceel loopt. Nu de bouwmogelijkheden op het perceel zijn geregeld in de bestemmingsplannen "Bedrijventerrein Wolfsveld" en "Gemert-Bakel Buitengebied 2010" kunnen deze in dit geding niet aan de orde worden gesteld, aldus de raad.

2.3.2. Op planverbeelding nummer 27.B/C zijn, voor zover hier van belang, aan het perceel van [appellant sub 1] de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2 van de planregels, mogen op de voor "Agrarisch" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving omschreven bestemming met een hoogte van maximaal 2,5 m, een en ander met uitzondering van hekwerken. Afrasteringen met een hoogte van maximaal 1,5 m zijn daarentegen wel toegestaan.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2, mag op de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" bestemde gronden het volgende worden gebouwd:

1. één bedrijfswoning met aan- en bijbouwen;

2. agrarische bedrijfsbebouwing;

3. bouwwerken geen gebouw zijnde en andere voorzieningen;

4. maximaal 1.000 m² ondersteunende kassen.

2.3.3. Gelet op het voorgaande voorziet het plan, anders dan de raad stelt, in een planologisch regime voor het perceel [locatie 1] dat ook de bouwmogelijkheden op dat perceel omvat. De raad heeft daarom ten onrechte niet beoordeeld of kon worden ingestemd met de door [appellant sub 1] gewenste vergroting in oostelijke richting van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" op zijn perceel. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het meest oostelijke plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 1] te Gemert in stand te laten.

2.3.4. Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling nog het volgende. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 september 2011 in zaak nr. 201107073/2/R3) staat het, in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat de raad er voor kan kiezen het bestemmingsplan opnieuw vast te stellen zonder hieraan voorafgaand een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. In dit geval acht de Afdeling het niet nodig om bij de voorbereiding van het nieuwe besluit de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Gelet hierop zal de Afdeling een termijn stellen van 26 weken.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.4. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgrond dat de in het plan voorziene woningen op de Hilakker in strijd zijn met de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 ingetrokken.

2.5. [appellant sub 2] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.6. [appellant sub 2], die een agrarisch bedrijf exploiteert op het perceel [locatie 2], komt in beroep tegen de plandelen met de bestemming "Wonen" die zien op de percelen Hilakker 1, [locatie 3], [locatie 4] en 12. Volgens hem is de raad ten onrechte van het akoestisch rapport van 31 augustus 2010 uitgegaan, nu dit op verkeerde gegevens is gebaseerd. Zo is volgens [appellant sub 2] uitgegaan van te weinig verkeersbewegingen van en naar de voederkuilen op zijn perceel, aangezien het van en naar de voederkuilen rijden ten onrechte als één verkeersbeweging is aangemerkt. Voorts is in dat onderzoek geen rekening gehouden met de geluidsemissies van het wekelijks overpompen van mest en van de op zijn perceel aanwezige melkkoeling, nu deze ten tijde van de geluidsmetingen niet aanstond.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het heen- en terugrijden van en naar de voederkuilen dient te worden aangemerkt als één verkeersbeweging. Voorts is de koeling volgens hem in het rapport betrokken bij de beoordeling van de geluidsemissie van het perceel van [appellant sub 2]. Bij het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met de bedrijfssituatie zoals door [appellant sub 2] geschetst. Hierbij is door hem kennelijk niet te kennen gegeven dat hij wekelijks mest overpompt, aldus de raad.

2.6.2. Ten behoeve van het plan is een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting van het bedrijf van [appellant sub 2] op het beeldbepalende pand op het perceel Hilakker 1. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport van G&O Consult van 31 augustus 2010.

In het rapport is voor het aan- en afrijden naar de voederkuilen per beweging gerekend met vijf minuten bedrijfstijd. Door [appellant sub 2] is niet bestreden dat binnen deze tijd van en naar de voederkuilen kan worden gereden. Of het aan- en afrijden naar de voederkuilen moet worden gezien als één of twee verkeersbewegingen is derhalve niet van belang.

Voorts is de melkkoeling in het rapport als puntbron 10 opgenomen. Blijkens paragraaf 5.4 van het rapport zijn de gehanteerde bronvermogens in het rapport afkomstig van het meetarchief van G&O Consult, danwel van bij het bedrijf van [appellant sub 2] uitgevoerde geluidsmetingen. Voor de melkkoeling is in het rapport een bronvermogen van 91 dB(A) gehanteerd. Het betoog dat met de geluidsemissie van de melkkoeling geen rekening is gehouden mist, gelet hierop feitelijke grondslag. Dat deze ten tijde van de metingen uitstond, kan, wat daarvan ook zij, hier niet aan af doen, nu in dat geval een bronvermogen uit het archief van G&O Consult is gehanteerd. [appellant sub 2] heeft niet bestreden dat een bronvermogen van 91 dB(A) voor een melkkoeling juist is.

Ten aanzien van het overpompen van mest overweegt de Afdeling dat met het akoestisch onderzoek een bedrijfssituatie is berekend, zoals die door [appellant sub 2] is weergegeven. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daarbij ook te kennen heeft gegeven dat het wekelijks overpompen van mest deel uitmaakt van zijn bedrijfssituatie en dat dit daarom ten onrechte niet zou zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek.

Het betoog faalt.

2.7. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat het plan in strijd met hetgeen de raad heeft beoogd op het perceel Hilakker 1 in drie in plaats van twee woningen voorziet. De raad stelt in de Nota van zienswijzen weliswaar dat abusievelijk in de plantoelichting staat dat het plan op het perceel Hilakker 1 voorziet in drie woningen, maar dit volgt volgens [appellant sub 2] niet uit hoofdstuk 5 van de toelichting op het vastgestelde plan. Deze is naar aanleiding van zijn zienswijze niet aangepast, waardoor sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding, aldus [appellant sub 2].

2.7.1. De raad stelt dat het plan voorziet in twee woningen op het perceel Hilakker 1. In hoofdstuk 5 van de plantoelichting staat abusievelijk dat het plan voorziet in drie woningen ter plaatse.

2.7.2. Aan het zuidoostelijke bestemmingsvlak op het perceel Hilakker 1 is de bestemming "Wonen" toegekend. Aan het zuidwestelijke bestemmingsvlak op het perceel is, voor zover hier van belang, de bestemming "Wonen" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - bio" toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder 2, van de planregels is op de voor "Wonen" aangewezen gronden per bestemmingsvlak één woning toegestaan. Voor bestemmingsvlakken met de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" geldt het daarin aangegeven aantal als het maximum.

2.7.3. Gelet op het voorgaande en het ontbreken van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" op het perceel Hilakker 1 zijn op het perceel ingevolge de planverbeelding en de planregels twee woningen toegestaan. Dat in de plantoelichting staat dat op het perceel drie woningen zijn toegestaan, doet daar niet aan af, nu aan de plantoelichting geen bindende betekenis toekomt. Het betoog faalt.

2.8. Voorts betoogt [appellant sub 2] ten aanzien van de in het plan voorziene Buitengebied in ontwikkeling woning (hierna: BIO-woning) op het perceel Hilakker 1 dat niet wordt voldaan aan de op grond van de gemeentelijke BIO-regeling Bestemmingswinsten Gemert-Bakel (hierna: BIO-regeling) geldende voorwaarde dat de woning een inhoud van minstens 600 m³ heeft. Deze voorwaarde is ten onrechte niet opgenomen in de planregels, aldus [appellant sub 2].

2.8.1. Ingevolge artikel 14, lid 14.2, aanhef en onder 3, voor zover hier van belang, van de planregels mag op de voor "Wonen" bestemde gronden worden gebouwd met inachtneming van de regel dat voor de bestemmingsvlakken met de aanduiding "BIO" geen maximale inhoud geldt voor de woning.

2.8.2. In paragraaf 2 van de provinciale beleidsnota Buitengebied in ontwikkeling staat dat vanuit het provinciale beleid geen beperkingen worden gesteld aan functies en/of maximaal toelaatbare oppervlakten van BIO-woningen. Van het gemeentebestuur wordt verwacht dat het aangeeft welke functies, en tot welke omvang, het passend vindt binnen de bebouwingsconcentraties.

In de BIO-regeling wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds het bouwen van een woning in het buitengebied met een inhoud van meer dan 600 m3 en anderzijds het toevoegen van een burgerwoning aan een bebouwingscluster in het buitengebied, waarbij geen eisen aan de inhoud zijn gesteld. Blijkens bijlage 5 bij het plan heeft de raad de op de Hilakker voorziene of als zodanig bestemde woningen aangemerkt als een bebouwingscluster in het buitengebied, nu sprake is van een historisch gegroeide stedenbouwkundige structuur aan een kruispunt. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de BIO-woning op het perceel Hilakker 1 geen voorwaarde in de planregels hoefde te worden opgenomen dat de woning een inhoud van minstens 600 m³ heeft. Het betoog faalt.

2.9. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat de plandelen met de bestemming "Wonen" die zien op de percelen [locatie 3] en [locatie 4] niet in overeenstemming zijn met de in april 2005 verleende milieuvergunning voor een geitenhouderij op het perceel [locatie 3] (thans: [locatie 4]). Anders dan de raad stelt is volgens [appellant sub 2] geen sprake van het in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie.

2.9.1. Door de raad is ter zitting onweersproken gesteld dat de woningen op de percelen [locatie 3] en [locatie 4] reeds sinds 1999 als burgerwoning worden gebruikt en sindsdien meerdere malen onder het overgangsrecht zijn gebracht. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 2] dat de stelling van de raad dat de plandelen met de bestemming "Wonen" die zien op de percelen [locatie 3] en [locatie 4] niet in overeenstemming zijn met de feitelijke situatie, onjuist is. Voorts overweegt de Afdeling dat met [eigenaar] van de percelen [locatie 3] en [locatie 4], is overeengekomen dat de milieuvergunning voor een geitenhouderij op zijn perceel wordt ingetrokken bij het onherroepelijk worden van het thans voorliggende bestemmingsplan. Door de raad is ter zitting onweersproken gesteld dat het besluit tot intrekking inmiddels is genomen. Het betoog faalt.

2.10. Ten aanzien van de door [appellant sub 2] gestelde aantasting van zijn vrije uitzicht en woongenot overweegt de Afdeling dat geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht en niet aannemelijk is gemaakt dat ten gevolge van het plan zijn woon- en leefklimaat in zoverre onevenredig wordt aangetast. Het betoog faalt.

2.11. [appellant sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de bouw of het als zodanig bestemmen van burgerwoningen op de percelen Hilakker 1, [locatie 3], [locatie 4] en 12 te Bakel, gemeente Gemert-Bakel. [appellant sub 2] stelt dat hij gelet op de afstand tussen zijn bedrijf en deze woningen door het plan onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. In dit verband wijst hij erop dat binnen een afstand van 50 m van zijn inrichting, die onder meer bestaat uit een verblijf voor landbouwhuisdieren en een kuilvoeropslag, woningen zullen worden gerealiseerd.

2.11.1. De raad stelt dat op het bedrijf van [appellant sub 2] het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: Blm) van toepassing is, zodat bij ruimtelijke ontwikkelingen vanaf de inrichting een afstand van 50 m moet worden aangehouden om het Blm op de inrichting van [appellant sub 2] van toepassing te laten blijven. Een van de panden op het perceel Hilakker 1 valt weliswaar binnen deze afstand van 50 m, maar hierin mogen geen geurgevoelige activiteiten plaatsvinden, aldus de raad. Dit pand zal volgens de raad als woning worden herbouwd op een afstand van meer dan 50 m.

2.11.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van het Blm is dit besluit van toepassing op een melkrundveehouderij.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, is dit besluit niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2 waar landbouwhuisdieren worden gehouden die is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie III, IV of V.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, wordt in dit besluit en de daarop rustende bepalingen verstaan onder object categorie IV, voor zover hier van belang: verspreid liggende niet-agrarische bebouwing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, gelden de voorschriften, bedoeld in de hoofdstukken 1 tot en met 3 van de bijlage, voor degene die de inrichting drijft. Die draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.

Ingevolge voorschrift 2.3.2 van de bijlage bij het Blm, vindt de opslag van veevoeder in de open lucht plaats op ten minste 25 m afstand van een object categorie I, II, III, IV of V.

2.11.3. De Afdeling overweegt dat voor de vraag of het Blm op een inrichting van toepassing is ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Blm de afstanden bedoeld in het tweede en het derde lid, weliswaar worden gemeten vanaf de buitenzijde van een object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van het dierenverblijf, maar dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel als meetpunt de grens van het bouwvlak van het agrarische bedrijf dient te worden genomen. Binnen het gehele bouwvlak kan immers bedrijfsbebouwing tot stand komen waarin landbouwhuisdieren worden gehouden. Een uitzondering hierop kan slechts worden gemaakt als zeker is dat het bedrijf geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft noch de mogelijkheid om binnen het bouwblok nieuwe bebouwing voor het houden van landbouwhuisdieren op te richten. In het laatste geval kan gemeten worden vanaf de grens van de bebouwing. Niet kan worden uitgesloten dat op het bouwvlak van [appellant sub 2] bedrijfsbebouwing kan worden opgericht waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, op een afstand van minder dan 50 m van op de percelen Hilakker 1, [locatie 3] en [locatie 4] toegestane geurgevoelige bebouwing. Niet duidelijk is derhalve of de hiervoor beschreven uitzondering zich voordoet. De raad heeft dit onvoldoende onderzocht. Daarom is ook niet duidelijk of het plan ertoe kan leiden dat het Blm niet meer op de inrichting van [appellant sub 2] van toepassing is.

Wat betreft het perceel Hilakker 12, dat ligt op een afstand van meer dan 50 m vanaf de perceelsgrens van het perceel van [appellant sub 2], staat vast dat op dat perceel geen geurgevoelige bebouwing kan worden opgericht die ligt op een afstand van minder dan 50 m van de grens van het bouwvlak van het agrarische bedrijf.

Voorts heeft de raad niet onderzocht of, gelet op de planologische mogelijkheden tot aanleg van een kuilvoeropslag op het perceel van [appellant sub 2], het plan eraan in de weg staat dat [appellant sub 2] voorschrift 2.3.2 van de bijlage bij het Blm kan naleven.

2.11.4. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij de plandelen met de bestemming "Wonen" voor de percelen Hilakker 1, [locatie 3] en [locatie 4] zijn vastgesteld, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Proceskosten

2.12. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] geheel en het beroep van [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Gemert-Bakel van 15 december 2010, kenmerk nr. 118, voor zover het betreft de vaststelling van:

1. het meest oostelijke plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 1] te Gemert;

2. de plandelen met de bestemming "Wonen" voor de percelen Hilakker 1, [locatie 3] en [locatie 4] te Bakel;

III. draagt de raad van de gemeente Gemert-Bakel op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van het plan voor het onderdeel genoemd onder II, onder 1, te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 2] voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Gemert-Bakel tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Gemert-Bakel tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Gemert-Bakel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

288-653.