Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9517

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201107714/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2010 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder] een verbouwingsvergunning verleend voor het plaatsen van een nieuwe opbouw met een stuurhut en ramen in het dak van de [woonboot] gelegen aan de [locatie] te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107714/1/A1.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2011 in zaak nrs. 11/2013 en 11/2014 in het geding tussen:

[appellant] e.a.

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2010 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder] een verbouwingsvergunning verleend voor het plaatsen van een nieuwe opbouw met een stuurhut en ramen in het dak van de [woonboot] gelegen aan de [locatie] te Amsterdam.

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het dagelijks bestuur, voor zover hier van belang, het door [appellant] e.a. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] e.a. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2012, waar [appellant] en H.J.H.L. van Poll, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [vergunninghouder] ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.2.1, aanhef en onder a, van de Verordening op het binnenwater 2010 (hierna: de Vob), voor zover hier van belang, wordt onder een woonboot verstaan een vaartuig dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf.

Ingevolge artikel 2.3.1, tweede lid, kan de vergunning worden geweigerd in het belang van welstand, ordening, de veiligheid, het milieu en de vlotte en veilige doorvaart.

Ingevolge artikel 2.3.4, eerste lid, is het verboden, zonder of in afwijking van een vergunning van het college een woonboot te verbouwen.

Ingevolge het derde lid kan het college nadere regels stellen met betrekking tot het verbouwen.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang is artikel 2.3.1, tweede lid, van overeenkomstig toepassing.

Bij de Richtlijnen bij vervanging en verbouwing van woonboten en bedrijfsvaartuigen (hierna: de Bootrichtlijnen 2008) heeft het dagelijks bestuur nadere regels gesteld als bedoeld in artikel 2.3.4, derde lid, van het Vob.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, is de maximale hoogte voor een te verbouwen schip 2,50 m.

Ingevolge artikel 12, vierde lid, geldt in afwijking van de in artikel 8, eerste lid, onder a, bepaalde hoogtemaat dat een stuurhut van een boot vallend onder de categorie schip maximaal 3.80 meter hoog mag zijn gemeten vanaf de waterlijn. De stuurhut moet rondom van glas zijn voorzien.

Bij de Verordening op de stadsdelen zijn de hier aan de orde zijnde bevoegdheden van het college overgedragen aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen.

2.2. Tussen partijen is thans slechts in geschil of het bouwplan voldoet aan de eisen van welstand zoals neergelegd in de nota "Welstand op het water 2009" (hierna: de welstandsnota).

2.3. [appellant] e.a. betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daartoe voeren zij, onder verwijzing naar de adviezen van de architect en woonbootdeskundige Den Hollander en van de architectuurhistoricus W.M.J. Schooneberg, beide van 11 juli 2011, aan dat het dagelijks bestuur het welstandsadvies van 13 oktober 2010 niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen, nu dit advies naar inhoud en wijze van totstandkoming gebreken vertoont.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het dagelijks bestuur dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

2.3.2. Het dagelijks bestuur heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 19 november 2010 het positieve advies van 13 oktober 2010 van de commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam (hierna: de welstandscommissie) ten grondslag gelegd. De welstandscommissie heeft in dat advies het bouwplan getoetst aan de welstandsnota. Volgens de in de welstandsnota opgenomen algemene criteria zijn de bestaande waarden bij verbouwingen het uitgangspunt en mogen verbouwingen niet leiden tot verslechtering van het stadsbeeld. Voorts moet het resultaat in overeenstemming zijn met de kleur, het materiaal en ritme van de bestaande onderdelen van de woonboot.

Anders dan [appellant] e.a. onder verwijzing naar de door hem overgelegde adviezen betogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de welstandscommissie bij haar advies van 13 oktober 2010 het bouwplan, nu de algemene criteria niet expliciet in dat advies zijn vermeld, niet aan die criteria heeft getoetst. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de welstandscommissie eerder, bij advies van 8 september 2010, over het bouwplan heeft geadviseerd, waarbij blijkens de tekst ervan aan de algemene criteria is getoetst. In dat advies heeft de welstandscommissie aangegeven dat de grachten in de binnenstad een kwetsbaar gebied vormen en vanuit het beschermd stadsgezicht hoge eisen worden gesteld aan de kwaliteit van de bebouwing. Voorts zijn volgens dat advies verbouwingen die het historisch karakter van een schip versterken, toe te juichen. Nu nog onduidelijkheid bestond over onder meer het kleurgebruik, materiaal en bouwwijze, is het advies aangehouden. Nadien is het bouwplan aangepast en wederom aan de welstandscommissie voorgelegd, op grond waarvan de commissie positief over het bouwplan heeft geadviseerd. [appellant] e.a. hebben niet aannemelijk gemaakt dat het advies niet voldoet aan de in de welstandsnota gestelde vormvereisten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college ter zitting heeft verklaard dat het bouwplan, anders dan [appellant] e.a. betogen, is voorgelegd aan een woonbootdeskundige. Dit blijkt ook uit het feit dat de welstandscommissie het advies op 11 augustus 2010 ter voorlegging aan de woonbootdeskundige, heeft aangehouden.

[appellant] e.a. hebben niet aannemelijk gemaakt dat, doordat het zicht door de stuurhut wordt belemmerd, het bouwplan een verslechtering van het stadsbeeld oplevert en daarom in strijd is met de in de welstandsnota opgenomen algemene criteria. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft gesteld dat de nieuwe opbouw van de [woonboot], anders dan voorheen, is voorzien van glas, zodat het doorzicht zal verbeteren ten opzichte van de bestaande situatie. Dat de [woonboot] in zijn huidige vorm volgens [appellant] e.a., wat daar ook van zij, reeds een verstoring van het stadsbeeld oplevert, leidt niet tot een ander oordeel, nu slechts de verbouwing ter beoordeling staat. Het enkele feit dat de welstandscommissie in 2004, zoals [appellant] e.a. betogen, negatief over een vergelijkbaar bouwplan heeft geadviseerd omdat het schip waarin dat bouwplan voorzag wat maatvoering betrof niet in de Raamgracht paste, wat daar ook van zij, maakt evenmin dat het onderhavige bouwplan in strijd is met redelijk eisen van welstand. Te minder nu de welstandnota toen nog niet in werking was getreden. Voorts is niet gebleken dat het ontbreken van een stuurinrichting in een stuurhut in strijd is met de redelijke eisen van welstand van de welstandsnota.

Gelet op het voorgaande heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

374-712.