Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9516

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201107615/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2009 heeft het college aan Woningbouwvereniging Laurentius reguliere bouwvergunning verleend voor een (gevel-)wijziging van de reeds verleende bouwvergunning voor het oprichten van 300 woningen ten behoeve van studentenhuisvesting op het perceel Balthasar van der Polweg (ongenummerd) te Delft (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Woningwet
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/707
AB 2012/114 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer

Uitspraak

201107615/1/A1.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Delft,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 juni 2011 in zaak nr. 10/5228 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2009 heeft het college aan Woningbouwvereniging Laurentius reguliere bouwvergunning verleend voor een (gevel-)wijziging van de reeds verleende bouwvergunning voor het oprichten van 300 woningen ten behoeve van studentenhuisvesting op het perceel Balthasar van der Polweg (ongenummerd) te Delft (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 juni 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 juni 2010 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 augustus 2011.

Het college heeft bij besluit van 24 oktober 2011 het tegen het besluit van 2 november 2009 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2012, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door W.M. van den Berg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluiten van 27 maart 2008 en 9 juni 2008 heeft het college vrijstelling en bouwvergunning eerste fase onderscheidenlijk tweede fase verleend voor het oprichten van 300 woningen ten behoeve van studentenhuisvesting met 15 woonlagen, een oppervlakte van 253 m² en een hoogte van 56 m boven het straatpeil. Tegen deze besluiten zijn geen rechtsmiddelen aangewend voor het einde van de bezwaartermijn, zodat deze in rechte onaantastbaar zijn geworden. Het na het einde van de hiervoor bedoelde termijn door [appellant] tegen voormelde besluiten ingediende bezwaar is door het college, gelet op de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201107612/1/A1, terecht, zij het op andere gronden, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De bij besluiten van 27 maart 2008 en 9 juni 2008 verleende vergunningen zijn derhalve niet met terugwerkende kracht niet in rechte onaantastbaar geworden.

2.2. Het bouwplan voorziet in een wijziging van het bij de besluiten van 27 maart 2008 en 9 juni 2008 vergunde. Volgens het verhandelde ter zitting worden de erkers van de gevels gewijzigd. Voorts wordt de interne indeling gewijzigd om te voorkomen dat de oppervlakte van het bouwwerk ten opzichte van het vergunde bouwplan wordt vergroot. Het bouwplan is in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "UP Oudelaan/Molensloot" en "UP Zuidpolder van Delfgauw". Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college gebruik gemaakt van de bij besluit van 27 maart 2008 verleende vrijstelling.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit. Hetgeen [appellant] hieromtrent heeft aangevoerd, heeft geen betrekking op het onderhavige bouwplan maar op het reeds op 27 maart 2008 en 9 juni 2008 vergunde, en inmiddels onherroepelijke, bouwplan.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen gebruik mocht maken van de bij het besluit van 27 maart 2008 verleende vrijstelling, nu deze ziet op een ander bouwplan.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 15 juli 2009 in zaken nrs. 200805354/1 en 200900135/1) kan niet als eenmaal met vrijstelling een bouwvergunning is verleend, op basis van dezelfde vrijstelling nadien voor een nieuw bouwplan bouwvergunning worden verleend. De op 27 maart 2008 verleende vrijstelling heeft betrekking op het destijds ingediende bouwplan en biedt voor een later bouwplan, ook al zou dat passen binnen de bij de vrijstelling geboden mogelijkheden, geen grondslag. Voor het onderhavige bouwplan is, nu het in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen, een nieuwe vrijstelling vereist. De rechtbank noch het college heeft dit onderkend.

Het betoog slaagt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college een besluit als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 7:15, derde lid, van de Awb had moeten nemen.

2.5.1. [appellant] heeft in zijn bezwaarschrift het college verzocht om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. Bij het besluit op bezwaar heeft het college niet besloten op het door [appellant] gedane verzoek. Het besluit van 26 mei 2010 is derhalve in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.6. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat hij niet in aanmerking komt voor vergoeding van de verletkosten. Daartoe voert hij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 januari 2007 in zaak nr. 200603353/1, aan dat hij als freelancer in aanmerking komt voor vergoeding van het minimumtarief indien de specificatie onvoldoende wordt geacht.

2.6.1. Dit betoog slaagt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de verletkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze niet voldoende zijn toegelicht. Dat [appellant] deze kosten in beroep niet heeft gespecificeerd, brengt anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet met zich dat hij daarom in het geheel geen aanspraak op vergoeding van deze kosten kan maken. Zoals de Afdeling eerder in voormelde uitspraak van 3 januari 2007 heeft overwogen, is, indien de verletkosten bij de rechtbank niet zijn gespecificeerd, plaats voor vergoeding van het minimumtarief. De rechtbank had, nu om verletkosten is verzocht en voorts niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan een proceskostenveroordeling met betrekking tot de verletkosten achterwege moest blijven, aanleiding moeten zien om deze kosten op een forfaitair bedrag vast te stellen. Voor het overige geldt dat [appellant] met de enkele vermelding van zijn uurtarief als freelancer en verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Breda waarbij dit uurtarief is vergoed, de hoogte van zijn verletkosten in hoger beroep niet met voldoende gegevens of bescheiden heeft gestaafd.

2.7. Het hoger beroep is, gelet op 2.4.1, 2.5.1 en 2.6.1, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aan [appellant] geen vergoeding is toegekend van de verletkosten.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, stelt de Afdeling, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.6.1 en met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de aan [appellant] te vergoeden verletkosten in beroep vast op een bedrag van € 27,24, uitgaande van het forfaitair vastgestelde aantal van zes uur en het minimaal te hanteren uurtarief van € 4,54.

2.8. Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw besloten op het door [appellant] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding. Dit wil zeggen dat van de zijde van [appellant] van rechtswege beroep tegen dit besluit is ontstaan, nu daarbij aan zijn bezwaren niet is tegemoetgekomen.

2.9. [appellant] betoogt dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Volgens hem heeft het college ten onrechte de architectuur van het bouwplan niet beoordeeld. Nu de welstandsnota Delft (hierna: de welstandsnota) niet voorziet in architectuurcriteria voor het gebiedstype "Groengebied", had het college bij de beoordeling van de welstand aansluiting moeten zoeken bij de architectuur in de omgeving van het bouwplan dan wel bij de architectuurcriteria uit de welstandsnota van de in de omgeving van het perceel gelegen gebiedstypen. Voorts stelt hij dat door het wegnemen van de erkers een massief en minder speels bouwwerk ontstaat, dat niet bijdraagt aan de eenheid van de omgeving. Tot slot voert hij aan dat uit de welstandsnota niet blijkt dat de gehanteerde criteria zien op het creëren van contrasten en dat geen rekening is gehouden met de welstandscriteria voor kozijnen.

2.9.1. Het college heeft zich terecht bij het besluit van 24 oktober 2011 op het standpunt gesteld, dat de bezwaren van [appellant], voor zover deze zien op het reeds vergunde bouwplan, buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Zoals onder 2.1 is overwogen zijn de vergunningen voor dat bouwplan onherroepelijk geworden en dient van de juistheid daarvan te worden uitgegaan. In de onderhavige zaak is slechts in geschil, of de wijziging van het reeds vergunde bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

In haar advies van 11 juni 2009 heeft de commissie voor Welstand en Monumenten het bouwplan getoetst aan de criteria van de welstandsnota voor het gebied Sportpark Kruithuisweg, gebiedstype "Groengebied", en positief over het bouwplan geadviseerd. Volgens de commissie is het plan op zichzelf beschouwd en in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing en stedenbouwkundige context aanvaardbaar.

Voor het gebiedstype waarin het perceel is gelegen, zijn in de welstandsnota geen architectuurcriteria vastgesteld. Volgens de welstandsnota dient in dit gebiedstype per perceel of kavel een architectonische invulling te worden gegeven binnen het landschap. Hieruit blijkt, zoals het college terecht stelt, dat de welstandsnota mede is gericht op het creëren van contrasten, zodat, anders dan [appellant] stelt, geen aansluiting hoeft te worden gezocht bij de architectuur in de omgeving of bij architectuurcriteria van een ander, nabij het perceel, gelegen gebiedstype. Voorts wordt de omgeving van het bouwplan gekenmerkt door gebouwen die contrastrijk zijn ten opzichte van elkaar. Het college heeft zich in navolging van de welstandscommissie op het standpunt kunnen stellen dat het contrast tussen dit bouwplan en bebouwing in de omgeving niet maakt, dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Dat het bouwwerk op het perceel door het wegnemen van de erkers massief en minder speels wordt, leidt niet tot een ander oordeel. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college rekening had dienen te houden met de criteria voor het vervangen van kozijnen, nu hiervan geen sprake is.

Gelet op het voorstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

2.10. Gelet op hetgeen onder 2.4.1 is overwogen, is voor het bouwplan een nieuwe vrijstelling vereist. Nu het college bij het besluit van 24 oktober 2011 evenmin vrijstelling heeft verleend, heeft het in strijd met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet bouwvergunning verleend. Dat besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

2.11. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 oktober 2011 dient gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gegrond te worden verklaard en dat besluit dient te worden vernietigd. Het college dient met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet dan wel tevergeefs is aangevochten, een nieuw besluit te nemen. Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar dient het college tevens te beslissen op het door [appellant] in bezwaar gedane verzoek om vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb.

2.12. [appellant] heeft bij brief van 11 november 2011 de Afdeling verzocht de dwangsom die het college wegens het niet tijdig opnieuw besluiten op zijn bezwaar verschuldigd is, vast te stellen. De Afdeling begrijpt dat betoog aldus, dat hij verzoekt om vaststelling van een ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom, als bedoeld in artikel 8:55c van de Awb. Nu [appellant] geen beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit, is de Afdeling, gelet op artikel 8:55c van de Awb, niet bevoegd om een dwangsom vast te stellen.

2.13. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten die [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft gemaakt, te worden veroordeeld, waarbij de verletkosten worden vastgesteld op een bedrag van € 27,24, uitgaande van het forfaitair vastgestelde aantal van zes uur en het minimaal te hanteren uurtarief van € 4,54.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 juni 2011 in zaak nr. 10/5228, voor zover aan [appellant] geen vergoeding is toegekend van de verletkosten;

III. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft van 24 oktober 2011, kenmerk 20184429, gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft van 24 oktober 2011, kenmerk 20184429;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Delft tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 63,40 (zegge: drieënzestig euro en veertig cent);

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Delft aan K. [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedragen van 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

374-712.