Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9514

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201106316/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2009 heeft het CBR geconstateerd dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106316/1/A3.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 april 2011 in zaak nr. 09/1851 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2009 heeft het CBR geconstateerd dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de datum waarop de recidiefvrije periode is ingegaan. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 april 2011, verzonden op 26 april 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 juli 2011.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2012, waar [appellant], en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994), voor zover thans van belang, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge het tweede lid bepaalt het CBR de aard van het onderzoek en door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, voor zover thans van belang, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag doet het CBR mededeling aan betrokkene.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 indien bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8 ‰.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: Regeling eisen geschiktheid) is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring — op basis van een specialistisch rapport — geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2. [appellant] is op 22 augustus 2008 aangehouden waarbij, na onderzoek, een ademalcoholgehalte van 840 µg/l is geconstateerd. Namens de korpschef van politie, regio Utrecht, is aan het CBR een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 gedaan. Daarop heeft het CBR een onderzoek naar de geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 gevorderd. Een eerste onderzoek heeft op 18 november 2008 plaatsgevonden en is uitgevoerd door psychiater J.W. Gerritsen (hierna: Gerritsen). Dit onderzoek bestond uit een anamnese, lichamelijk, psychiatrisch en laboratoriumonderzoek. In het Verslag van bevindingen van dit onderzoek staat onder meer dat de CDT-waarde in het bloed van [appellant] 3% bedraagt, wat op recent overmatig gebruik van alcohol wijst. Dit extrapolerend naar het jaar voorafgaand aan de aanhouding, betekent zeer waarschijnlijk overmatig gebruik van alcohol in het jaar voor de aanhouding, aldus Gerritsen. In het psychiatrisch rapport heeft Gerritsen de diagnose alcoholmisbruik in termen van de DSM-IV-TR classificatie en de psychiatrische diagnose misbruik van alcohol in ruime zin gesteld. Op verzoek van [appellant] heeft een tweede onderzoek plaatsgevonden op 31 januari 2009 dat is uitgevoerd door psychiater M.J.T. Harmelink (hierna: Harmelink) en arts S.W.H. Post (hierna: Post). Dit onderzoek bestond eveneens uit een anamnese, lichamelijk, psychiatrisch en laboratoriumonderzoek. In het Verslag van bevindingen opgesteld naar aanleiding van dit tweede onderzoek staat vermeld dat [appellant] een normale laboratoriumuitslag had en wordt de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld. Harmelink en Post achten het aannemelijk dat [appellant] met het alcoholmisbruik is gestopt sinds het eerste onderzoek op 18 november 2008. [appellant] heeft daarop in het Meander Medisch Centrum een CDT confirmatieonderzoek laten uitvoeren met betrekking tot het eerste bloedonderzoek. Bij brief van 15 april 2009 heeft dr. J.P.M. Wielders (hierna: Wielders), klinisch chemicus, geconcludeerd dat met de referentiemethode HPLC een normale CDT-waarde bij een normaal HPLC patroon is gevonden. Het CBR heeft Gerritsen om een reactie gevraagd. Bij brief van 23 april 2009 heeft Gerritsen geschreven dat het CDT ten tijde van het onderzoek 3% bedroeg, hetgeen van betekenis was, temeer daar een daling van de CDT-waarde na het staken van het alcoholgebruik moet hebben plaatsgevonden.

2.3. Gelet op de resultaten van bovengenoemde onderzoeken heeft het CBR zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en heeft het zijn rijbewijs op grond van artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling ongeldig verklaard.

In het besluit van 9 juni 2009 heeft het CBR onder meer overwogen dat de onderzoeken zorgvuldig en correct zijn uitgevoerd, waarbij de conclusies van de keurend artsen worden gedragen door de bevindingen van de onderzoeken. Uit de psychiatrische rapporten volgt volgens het CBR dat een volledig onderzoek heeft plaatsgevonden waarbij aan alle aspecten aandacht is besteed. De door de psychiaters verzamelde gegevens hebben er toe geleid dat zij de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin hebben kunnen stellen, aldus het CBR. Dat de keurend artsen op sommige punten van het onderzoek tot verschillende conclusies zijn gekomen, doet volgens het CBR niet af aan de juistheid van de diagnose. Ten aanzien van het CDT confirmatieonderzoek staat in het besluit dat het daar onderzochte bloedmonster geen afwijkingen liet zien en dat dit volgens [appellant] betekent dat er ten tijde van het eerste onderzoek geen aanwijzingen waren voor overmatig alcoholgebruik. Het CBR heeft de uitslag van dit CDT confirmatieonderzoek voorgelegd aan Gerritsen. Hij heeft te kennen gegeven dat dit zijn oordeel omtrent de door hem gestelde diagnose niet wijzigt, aldus het CBR in zijn besluit van 9 juni 2009.

2.4. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR zich heeft mogen baseren op de bevindingen van Gerritsen, Harmelink en Post. Hiertoe voert hij aan dat bij deze onderzoeken ten onrechte is uitgegaan van een verhoogde CDT-waarde van 3%, terwijl bij het CDT confirmatieonderzoek van hetzelfde bloedmonster geen afwijkende CDT-waarde is vastgesteld. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte niet onderkend dat aan het psychiatrisch rapport van Harmelink en Post het laboratoriumonderzoek waarbij de verhoogde CDT-waarde van 3% is vastgesteld, ten grondslag heeft gelegen. Harmelink en Post hebben namelijk op basis van alle relevante gegevens, waaronder deze verhoogde CDT-waarde, de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld. [appellant] bestrijdt voorts de verklaring van Gerritsen van 23 april 2009, dat zijn alcoholgebruik thuis ten tijde van de aanhouding al voldoende was om de diagnose alcoholmisbruik te stellen.

2.4.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 25 april 2007 in zaak nr. 200606675/1), terecht overwogen dat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding bestaat om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten, indien het psychiatrisch rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig is of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

Anders dan de rechtbank is de Afdeling ten aanzien van beide psychiatrische rapporten van oordeel dat deze zodanige inhoudelijke gebreken vertonen, dat het CBR zijn besluitvorming niet op deze rapporten heeft mogen baseren. Bij dit oordeel neemt de Afdeling in aanmerking dat bij het op verzoek van [appellant] uitgevoerde CDT confirmatieonderzoek bloed is onderzocht afkomstig uit hetzelfde bloedmonster dat het laboratorium ten behoeve van het psychiatrisch onderzoek van Gerritsen heeft onderzocht en waarvan de uitslag door Gerritsen in zijn onderzoek is betrokken. Het CBR heeft desgevraagd ter zitting van de Afdeling geen verklaring kunnen geven voor het significante verschil in uitkomst, namelijk een verhoogde CDT-waarde van 3% waarvan Gerritsen is uitgegaan en een normale CDT-waarde vastgesteld door Wielders. Het CBR heeft daarnaar ook geen onderzoek gedaan. Het CBR gaat er evenmin van uit dat het confirmatieonderzoek gebreken vertoont of anderszins onjuist is.

Het tweede psychiatrisch onderzoek uitgevoerd door Harmelink en Post borduurt voort op de bij het eerste onderzoek vastgestelde verhoogde CDT-waarde. Harmelink en Post vermelden in hun rapport dat bij het eerste onderzoek op 18 november 2008 sprake was van afwijkende laboratoriumuitslagen, namelijk een verhoogde CDT-waarde. Het laboratoriumonderzoek ten tijde van het tweede onderzoek liet geen aanwijzingen zien voor alcoholmisbruik waarop Harmelink en Post concluderen dat aannemelijk lijkt dat [appellant] met het alcoholmisbruik is gestopt sinds het eerste onderzoek op 18 november 2008.

Nu bij deze stand van zaken niet langer uitgegaan kan worden van de juistheid van de uitslag van het eerste laboratoriumonderzoek dat een verhoogde CDT-waarde aangaf, terwijl juist die uitslag aan beide psychiatrische rapporten ten grondslag is gelegd, mocht het CBR zich niet op de psychiatrische rapporten baseren nu daaraan een gebrek kleefde. De omstandigheid dat Gerritsen in een nadere reactie van 23 april 2009 op de uitslag van de contra-expertise heeft verklaard dat volgens hem de conclusie misbruik van alcohol in ruime zin moet worden gehandhaafd, maakt dit niet anders. Deze conclusie heeft Gerritsen immers, gelet op genoemde nadere reactie, nog steeds op een verhoogde CDT-waarde ten tijde van het eerste onderzoek gebaseerd.

De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

2.4.2. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het CBR zich, baserend op de psychiatrische rapporten, terecht op het standpunt heeft gesteld dat paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid op [appellant] van toepassing is, zodat zijn rijbewijs ongeldig diende te worden verklaard.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.4.1., het tegen het besluit van 9 juni 2009 ingestelde beroep gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

2.6. Het CBR dient op na te melden wijze in de proceskosten, bestaande uit rechtsbijstand- en reiskosten, te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 april 2011 in zaak nr. 09/1851;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 9 juni 2009, kenmerk 2008016883 / IMD;

V. veroordeelt de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 681,43 (zegge: zeshonderdeenentachtig euro en drieënveertig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 377,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

97-591.