Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9507

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201106835/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om correctie van gegevens in de gemeentelijke basisadministratie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201106835/1/A3.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 mei 2011 in zaak nr. 10/5010 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Tilburg,

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om correctie van gegevens in de gemeentelijke basisadministratie afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2011, verzonden op 12 mei 2011, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het college een aantekening van onjuistheid dient te plaatsen bij het adresgegeven van [zoon] (hierna: [zoon]) over de periode van 3 april 2009 tot 18 januari 2010 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 juli 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.J. van den Biggelaar, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet gba) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

- […]

- woonadres:

a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten;

- briefadres: het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover betrokkene bereiken;

[…].

Ingevolge artikel 54 wordt omtrent de beslissing dat een opgenomen algemeen gegeven onjuist is of, indien het een gegeven over de burgerlijke staat betreft, in strijd is met de Nederlandse openbare orde, omtrent een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid, alsmede omtrent het van toepassing zijn van artikel 53, een aantekening geplaatst bij de desbetreffende gegevens.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, is degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, verplicht zich binnen vijf dagen na aanvang van zijn verblijf in persoon te melden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, is hij verplicht een briefadres te kiezen en dient hij zich binnen de gestelde termijn te melden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen.

Ingevolge het tweede lid doet hij in de aangifte mededeling van zijn toekomstig verblijf in Nederland, van het vorige land van verblijf en van zijn adres in de gemeente.

Ingevolge artikel 70, tweede lid, dienen in de aangifte van een briefadres de redenen voor de aangifte van een briefadres te worden medegedeeld. Bij de aangifte dient een schriftelijke verklaring van instemming te worden gevoegd van degene bij wie het briefadres wordt gehouden.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 83 wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om:

[…]

e. bij een opgenomen algemeen gegeven een aantekening over de onjuistheid van dat gegeven of over de strijdigheid daarvan met de Nederlandse openbare orde te plaatsen;

f. niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 79 tot en met 82, gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. [wederpartij] heeft het college verzocht de inschrijving van haar [zoon] in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen, in dier voege dat over de periode 3 april 2009 tot 18 januari 2010 het adres [locatie] te Tilburg als zijn briefadres in plaats van als zijn woonadres staat geregistreerd. Het college heeft aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat op de aangifte tot inschrijving van [zoon] voormeld adres als woonadres was vermeld en dat [wederpartij] toestemming heeft gegeven voor inschrijving van [zoon] op dit adres, terwijl [wederpartij] in deze procedure geen gegevens heeft overgelegd op grond waarvan onomstotelijk vaststaat dat deze inschrijving feitelijk onjuist is.

2.3. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd omdat het college heeft nagelaten het wettelijk kader te vermelden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van [wederpartij], anders dan het college in beroep heeft betoogd, moet worden beoordeeld op grond van artikel 54 van de Wet gba. Nu [wederpartij] en haar partner consistente verklaringen hebben afgelegd over de inschrijving van [zoon] op voormeld adres, het voor [zoon] niet mogelijk was voormeld adres als briefadres te laten registreren en [wederpartij] in beroep een schriftelijke verklaring van [zoon] heeft overgelegd volgens welke [zoon] in de betrokken periode niet op dat adres heeft gewoond, is volgens de rechtbank onomstotelijk vast komen te staan dat de inschrijving onjuist is.

2.4. Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is afgezien van instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 29 oktober 2010, is bepaald dat het college een aantekening van onjuistheid dient te plaatsen bij het adresgegeven van [zoon] over de periode van 3 april 2009 tot 18 januari 2010 en is bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verzoek van [wederpartij] niet op grond van de door het college genoemde artikelen 65 en 70 van de Wet gba, maar op grond van artikel 54 van die wet, dient te worden beoordeeld. De rechtbank heeft verder miskend dat ten aanzien van de in de basisadministratie opgenomen gegevens van [zoon] het in artikel 82, eerste lid, van de Wet gba opgenomen correctierecht niet toekomt aan [wederpartij], aldus het college.

2.5.1. Artikel 65, gelezen in verbinding met artikel 70, van de Wet gba ziet op personen waarvan niet in enige gemeentelijke basisadministratie een adres is geregistreerd en die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zullen houden. Zij zijn ingevolge die bepalingen verplicht om aangifte van verblijf en adres te doen, zodat het college - indien overigens aan de vereisten wordt voldaan - hen kan inschrijven in de basisadministratie. Deze bepalingen zien derhalve niet op de wijziging van een eerder gedane inschrijving zoals in deze zaak aan de orde.

Zoals het college, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 11 maart 2009 in zaak nr. 200805067/1 en van 17 juni 2009 in zaak nr. 200807144/1/H3, aanvoert, zijn de adresgegevens van [zoon] geen gegevens die [wederpartij] betreffen in de zin van artikel 82, eerste lid, van de Wet gba en komt het in die bepaling neergelegde correctierecht daarom niet toe aan [wederpartij]. De Afdeling houdt het ervoor dat deze bepaling om deze reden niet is ingeroepen in de aangevallen uitspraak.

Gelet hierop is het plaatsen van een aantekening van onjuistheid als bedoeld in artikel 54 van de Wet gba de enige wijze waarop het verzoek van [wederpartij] zou kunnen worden ingewilligd. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat deze bepaling bij de beoordeling van het verzoek van [wederpartij] dient te worden betrokken.

Het betoog faalt.

2.6. Voorts betoogt het college dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat onomstotelijk is komen vast te staan dat de inschrijving van [zoon] op het adres van [wederpartij] als woonadres een onjuist gegeven is als bedoeld in artikel 54 van de Wet gba. De inschrijving is overeenkomstig een aangifte van [zoon] en met toestemming van [wederpartij] gedaan, aldus het college.

2.6.1. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat de gegevens in de basisadministratie betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor het wijzigen van eenmaal in de basisadministratie geregistreerde gegevens of het plaatsen van een aantekening van onjuistheid bij bepaalde gegevens zal, gelet op het systeem van de Wet gba, onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is het aan [wederpartij] om aan te tonen dat de in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen adresgegevens van [zoon] over de periode van 3 april 2009 tot 18 januari 2010 feitelijk onjuist zijn.

2.6.2. Per 7 januari 2009 stond [zoon] in de gemeentelijke basisadministratie van Tilburg geregistreerd als te zijn vertrokken met onbekende bestemming. Het college heeft [zoon] per 3 april 2009 met woonadres [locatie] te Tilburg ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Deze inschrijving is in overeenstemming met de aangifte van hervestiging van [zoon] en is gedaan na schriftelijke toestemming van [wederpartij]. Dat [zoon] voormeld adres als briefadres in de gemeentelijke basisadministratie had willen laten registreren, maar hiervan heeft afgezien omdat zijdens het college te kennen is gegeven dat dit niet mogelijk was, doet er niet aan af dat zowel [zoon] als [wederpartij] wisten dat het adres als woonadres zou worden geregistreerd. Dat hij het adres slechts als briefadres had willen registreren, sluit bovendien niet uit dat hij feitelijk op het adres heeft gewoond.

De door [wederpartij], haar partner en [zoon] gegeven verklaringen worden niet ondersteund door objectieve gegevens over de inschrijving per 3 april 2009. Ook zijn geen objectieve gegevens overgelegd op grond waarvan moet worden vastgesteld dat [zoon] op een ander adres dan [locatie] woonde of verbleef. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat onomstotelijk vaststaat dat [zoon] in de betrokken periode niet op het adres [locatie] te Tilburg woonde en dat derhalve de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie over die periode onjuist is. Het college heeft daarom terecht afgezien van het plaatsen van een aantekening van onjuistheid als bedoeld in artikel 54 van de Wet gba. De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand te laten en heeft ten onrechte zelf in de zaak voorzien.

Het betoog slaagt.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover is bepaald dat het college een aantekening van onjuistheid dient te plaatsen bij het adresgegeven van [zoon] over de periode van 3 april 2009 tot 18 januari 2010 en is bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 29 oktober 2010 geheel in stand blijven.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 mei 2011 in zaak nr. 10/5010, voor zover is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders van Tilburg een aantekening van onjuistheid dient te plaatsen bij het adresgegeven van [zoon] over de periode van 3 april 2009 tot 18 januari 2010 en is bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 29 oktober 2010, verzonden bij brief van 1 november 2010 met kenmerk BZR.10.0074.001/RS/FA, geheel in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

97-640.