Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9501

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201104232/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/111
JOM 2012/494
ABkort 2012/118
A.G.A. Nijmeijer annotatie in TBR 2012/147

Uitspraak

201104232/1/R2.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Montfoort,

2. [appellant sub 2], wonend te Montfoort,

3. [appellant sub 3], wonend te Montfoort,

4. [appellant sub 4a] en [appellant sub 4b] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend te Montfoort,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Montfoort,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2011, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, en [appellant sub 4b] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep van [appellant sub 2] zijn aangevuld bij brief van 26 mei 2011. De gronden van het beroep van [appellant sub 3] zijn aangevuld bij brief van 6 oktober 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 3], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door drs. P.M. Leijenaar en drs. M.M. Hoenderdaal, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actualisering van de bestaande bestemmingsplannen voor de binnenstad van Montfoort en de wijk Hofdijk-Doeldijk. In het plan worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt voor onder meer bebouwing ten behoeve van horeca, detailhandel en woningen. Verder is het plan conserverend van aard.

Het beroep van [appellant sub 4b]

2.2. De Afdeling stelt vast dat het beroepschrift van [appellant sub 4b] op 8 juli 2011 bij de Raad van State is binnengekomen. Het beroepschrift is na afloop van de beroepstermijn op 28 april 2011 en daarmee te laat ingediend. [appellant sub 4b] stelt dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Hij voert hiertoe aan dat hij op 22 april 2011 op internet heeft gekeken en daar op dat moment een ander plan aantrof dan hij op 14 april 2011 op www.ruimtelijkeplannen.nl had aangetroffen. [appellant sub 4b] stelt dat zijn beroep tijdig ingediend zou zijn als hij eerder de juiste versie van het plan had gezien. De raad stelt dat de verschillende publicaties van het plan op www.ruimtelijkeplannen.nl inhoudelijk gelijk waren, maar dat een technisch probleem de aanleiding is geweest om het eerder op 16 maart 2011 op www.ruimtelijkeplannen.nl gepubliceerde plan op 22 april 2011 opnieuw op www.ruimtelijkeplannen.nl te publiceren. Het verschil tussen beide publicaties betrof uitsluitend de ondertekening van het plan in het geleideformulier.

De Afdeling ziet geen aanleiding om de stelling van de raad dat de verschillende publicaties van het plan inhoudelijk gelijk waren, onjuist te achten. Voorts merkt de Afdeling op dat [appellant sub 4b] na 22 april 2011 nog zes dagen de tijd had om een beroepschrift in te dienen. Derhalve is deze termijnoverschrijding naar het oordeel van de Afdeling niet verschoonbaar. Het beroep van [appellant sub 4b] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] voert aan dat het plan ten onrechte geen mogelijkheid biedt op zijn perceel [locatie sub 1] de bijgebouwen op de gronden met de bestemming "Gemengd" bij de woning te trekken met een maximale goothoogte van 5 meter. Voorts stelt hij dat het beroep van de raad op de mogelijke toekomstige monumentale status van het pand in strijd is met de rechtszekerheid, nu een beroep op een dergelijke onzekere gebeurtenis geen rol mag spelen in de bestemmingsplanprocedure.

[appellant sub 1] heeft er verder op gewezen dat de bestemming "Gemengd" in het plan op zijn perceel voorziet in een maximum bebouwingspercentage voor bijgebouwen van 60%, terwijl het gehele perceel is bebouwd.

2.3.1. De raad wijst erop dat in de bestemming "Gemengd" in het plan de maximale goothoogte van 3 meter voor bijgebouwen is overgenomen uit het vorige bestemmingsplan. Voorts stelt de raad dat het pand [locatie sub 1] cultuurhistorische waarde heeft, waardoor een verhoging van de goothoogte niet wenselijk is.

2.3.2. De Afdeling stelt voorop dat de raad de vrijheid heeft bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

In het vorige bestemmingsplan "Binnenstad" gold ter plaatse van de bijgebouwen op het perceel [locatie sub 1] de bestemming "Erf, klasse A (EA)" waar op grond van de planregels een bebouwingspercentage van ten hoogste 40% gold en een goot- en/of bouwhoogte van ten hoogste 3 meter was toegestaan.

Ingevolge artikel 10, lid 3, aanhef en onder e, van de planregels van het thans voorliggende plan, voor zover hier van belang, geldt voor bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen dat de goothoogte ten hoogste 3 meter bedraagt.

Uit de toelichting op het thans voorliggende plan blijkt dat het in eerste instantie een op beheer gericht bestemmingsplan is en daardoor een gedetailleerd en tevens conserverend karakter heeft. Dit betekent volgens de toelichting dat bestaande historische en waardevolle elementen worden behouden. De raad heeft er in dit verband voor gekozen het plan en de daarin begrepen regels zoveel mogelijk aan te laten sluiten op de geldende bestemmingen, waarbij het bestaande legale gebruik is geregeld.

Uit de stukken blijkt dat het pand op het perceel [locatie sub 1] een zogeheten MIP-pand is. Het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) is een landelijk project en is uitgevoerd om per gemeente de waardevolle gebouwen en andere projecten in beeld te brengen die een cultuurhistorische waarde hebben. De Afdeling is van oordeel dat de raad, gelet op de cultuurhistorische waarde van het pand [locatie sub 1], zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een verhoging van de maximale goothoogte van bijgebouwen achter het pand, waardoor het mogelijk wordt de bijgebouwen bij het hoofdgebouw te betrekken, zoals [appellant sub 1] wenst, tot een ongewenste aantasting van de cultuurhistorische waarde zal leiden, omdat hierdoor de kenmerkende hoofdvorm verandert. Dat het pand vooralsnog geen monumentale status heeft, heeft de raad niet tot een ander standpunt hoeven brengen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad de keuze voor het handhaven van een maximale goothoogte van 3 meter voor bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen niet in redelijkheid in het belang van een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.3.3. Ten aanzien van het bebouwingspercentage van het perceel [locatie sub 1] overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat voor bijgebouwen op dit perceel een maximum bebouwingspercentage van 60% geldt. Ter zitting is gebleken dat het perceel volledig is bebouwd. Nu hiermee de bestaande feitelijke situatie niet overeenstemt met de daarvoor in het plan opgenomen regeling en de raad zich op het standpunt stelt dat het plan is gericht op beheer en een conserverend karakter heeft, is het plan naar het oordeel van de Afdeling in zoverre onzorgvuldig voorbereid.

2.3.4. Het beroep is in zoverre gegrond. Het plan dient wat betreft het in de bestemming "Gemengd" opgenomen maximale bebouwingspercentage van 60% voor de gronden achter de woning op het perceel [locatie sub 1] wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd.

2.3.5. Verder stelt [appellant sub 1] dat het plan ten onrechte voorziet in een horecagelegenheid op het perceel [locatie sub 2]. Hij wijst erop dat het perceel [locatie sub 2] volgens de Visie Binnenstad 2030 niet behoort tot de concentratiezone horeca. Ook vreest [appellant sub 1] voor ernstige geluidoverlast, met name in de zomermaanden, en voert hij aan dat ten behoeve van het terras drie parkeerplaatsen verdwijnen terwijl de horecagelegenheid een verkeersaantrekkende werking zal hebben. Hij voert in dit verband aan dat de exploitant van de horecagelegenheid ten onrechte geen bijdrage heeft hoeven leveren aan het gemeentelijk parkeerfonds. Tevens wijst hij erop dat de uitbater van de bistro op den duur zal willen uitbreiden naar het perceel [locatie sub 3].

2.3.6. Ten aanzien van de voorgenomen horecagelegenheid op het perceel [locatie sub 2] betoogt de raad dat een horecagelegenheid op die locatie gewenst is om de aantrekkelijkheid van de Hoogstraat en Onder de Boompjes te vergroten. Dit past goed binnen de doelstellingen van de Visie Binnenstad 2030, hoewel het perceel niet is gelegen binnen het horecaconcentratiegebied. De overlast van de horecagelegenheid zal naar de mening van de raad beperkt blijven.

Voorts wijst de raad erop dat er in de nabijheid van het perceel [locatie sub 2] voldoende parkeergelegenheid is. Tot slot voert de raad aan dat de gronden waarop mogelijk het terras van de horecagelegenheid zal worden gerealiseerd de bestemming "Verkeer-verblijfsgebied" hebben. Volgens de raad staat het de eigenaar vrij binnen die bestemming parkeervoorzieningen te veranderen in verblijfsgebied.

2.3.7. De Afdeling overweegt ten aanzien van de voorgenomen horecagelegenheid aan de [locatie sub 2] het volgende. Het perceel [locatie sub 2] heeft blijkens de verbeelding de bestemming "Gemengd" met de nadere functieaanduiding 'horeca tot en met horecacategorie 3' (h≤3). Uit artikel 1, onder v, van de planregels blijkt dat een horecabedrijf met categorie 3 een vorm van horeca-activiteiten behelst waar in hoofdzaak maaltijden, (alcoholische) dranken en/of logies worden verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans in de middag- en avonduren plaatsvindt, zoals een café, restaurant, hotel en pension, alsmede horeca met zaalaccommodatie.

Uit artikel 10, lid 1, aanhef en onder e, van de planregels blijkt dat de voor Gemengd aangewezen gronden zijn bestemd voor horeca, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding.

Blijkens de plantoelichting beoogt de raad met het plan een nadere invulling te geven aan de in de Visie Binnenstad 2030 neergelegde versterking van de horeca binnen de gemeente. In de Visie Binnenstad 2030 wordt tot uitdrukking gebracht dat het wenselijk is een verdere clustervorming van horecagelegenheden te bewerkstelligen door het ontwikkelen van de IJsselboulevard, waarbij aan Onder de Boompjes ruimte wordt gecreëerd voor het neerzetten van terrassen. In het plan wordt aan Onder de Boompjes ruimte geboden aan extra bebouwingsmogelijkheden ten behoeve van horeca, detailhandel en wonen, waardoor aan de achterzijde van de winkelpanden aan de Hoogstraat de uitbreiding van terrassen, cafés en restaurants wordt bevorderd. Omdat het college van burgemeester en wethouders reeds een principe-uitspraak heeft gedaan om medewerking te verlenen aan de vestiging van een bistro op de hoek Hoogstraat, Om 't Wedde en Onder de Boompjes, te weten op het perceel [locatie sub 2], heeft de raad deze ontwikkeling in het plan mogelijk gemaakt.

De Afdeling is van oordeel dat de raad de keuze om te komen tot een versterking van de horecafunctie in het gebied aan Onder de Boompjes en het vanwege de gedane principe-uitspraak mogelijk maken van een horecafunctie op het perceel [locatie sub 2], voldoende heeft gemotiveerd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het perceel [locatie sub 2] in het verlengde ligt van het te ontwikkelen horecagebied aan Onder de Boompjes en de raad met de horecafunctie op bedoeld perceel het bestaande straatbeeld wenst te verbeteren en het aantrekkelijker wil maken daar te verblijven. Het aantrekkelijker maken van de Hoogstraat is eveneens een doelstelling in de Visie Binnenstad 2030. De omstandigheid dat het perceel [locatie sub 2] is gelegen buiten het in de Visie Binnenstad 2030 aangegeven horecaconcentratiegebied maakt niet dat het niet mogelijk zou zijn op korte afstand van dat gebied in een uitbreiding van de horecafunctie te voorzien. Uit de Visie Binnenstad 2030 blijkt wel dat het oogmerk is de overige horecagelegenheden redelijk dicht bij elkaar in de buurt te realiseren. Ten aanzien van het perceel [locatie sub 2] wordt daaraan voldaan.

Wat de vrees van [appellant sub 1] voor eventuele geluidoverlast betreft heeft de raad gesteld dat het pand als gevolg van de horecafunctie niet mag worden vergroot en dat een bij het pand te realiseren terras uiterlijk tot 23.00 uur open mag zijn, waardoor de overlast beperkt zal blijven. Gelet hierop en in aanmerking genomen de aard van de toegestane horecagelegenheid tot maximaal categorie 3, zoals is beschreven in artikel 1, onder v, van de planregels, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet voor onaanvaardbare geluidhinder behoeft te worden gevreesd.

2.3.8. Wat de vrees van [appellant sub 1] voor parkeerhinder als gevolg van het verdwijnen van parkeerplaatsen en de verkeersbehoefte van de horecagelegenheid betreft, heeft de raad erop gewezen dat in de nabije omgeving van het perceel [locatie sub 2] voldoende parkeerruimte beschikbaar is, onder meer achter de kerk bij het Pastoor Spaanplein. [appellant sub 1] heeft dit niet weersproken. Dat in de Visie Binnenstad 2030 wordt gesproken over woningbouw bij het Pastoor Spaanplein, zoals [appellant sub 1] heeft gesteld, doet daar niet aan af nu nog geen concrete plannen bestaan voor dergelijke woningbouw en de mogelijkheid voor woningbouw op die locatie niet in het plan is voorzien. Dit geldt tevens voor de door [appellant sub 1] genoemde mogelijkheid van uitbreiding van horeca naar het perceel [locatie sub 3]. Ook daarin voorziet het plan niet.

De gronden waarop mogelijk een terras ten behoeve van de horecafunctie op het perceel [locatie sub 2] gerealiseerd kan worden hebben de bestemming "Verkeer-verblijfsgebied", welke gronden blijkens artikel 19, lid 1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn bestemd voor verblijfsgebied en parkeervoorzieningen, zodat een verandering van parkeerplaatsen in een terras is toegestaan. Overigens merkt de Afdeling op dat het innen van bijdragen aan het gemeentelijk parkeerfonds een bevoegdheid van de raad betreft. De raad kan in redelijkheid beslissen geen gebruik te maken van die bevoegdheid. Een dergelijke mogelijkheid maakt overigens geen deel uit van het plan. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet voor parkeerhinder behoeft te worden gevreesd.

2.3.9. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.4. [appellant sub 2] betoogt dat in het plan ten onrechte de bestemming "Maatschappelijk - Openbare dienstverlening" is toegekend aan het perceel [locatie sub 4], waardoor hij daar geen appartementen kan realiseren. Volgens hem is een bestemming die deze bouw wel mogelijk maakte ten onrechte niet in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen, terwijl in een eerder stadium de gemeenteraad met de bouw van appartementen heeft ingestemd en in de Nota van uitgangspunten voor het plan is bepaald dat ten behoeve van deze ontwikkeling een globale bestemming met een wijzigingsmogelijkheid zou worden opgenomen.

2.4.1. Ingevolge artikel 13, lid 1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Maatschappelijk - Openbare dienstverlening" bestemd voor openbare voorzieningen met bijbehorende voorzieningen.

De raad stelt zich op het standpunt dat op 21 september 2009 weliswaar is besloten in te stemmen met de ontwikkeling van 12 appartementen op het perceel [locatie sub 4], maar dat toen niet is besloten het plan voor deze ontwikkeling in het bestemmingsplan op te nemen. De raad wijst erop dat het perceel [locatie sub 4] in het voorontwerpbestemmingsplan de bestemming "Maatschappelijk - Openbare dienstverlening" heeft gekregen, met een wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming "Wonen". In het ontwerpbestemmingsplan is deze wijzigingsbevoegdheid vervolgens achterwege gelaten.

2.4.2. Ter zitting is namens de raad toegelicht dat het plan voor de ontwikkeling van appartementen op het perceel [locatie sub 4] ten tijde van het vaststellen van het voorontwerpbestemmingsplan voldoende concreet was dat dienaangaande een wijzigingsbevoegdheid in het plan kon worden opgenomen. Op het moment dat het ontwerpbestemmingsplan werd vastgesteld, achtte de raad het onwenselijk in het plan wijzigingsbevoegdheden op te nemen. Volgens de raad was het plan voor de ontwikkeling van appartementen op het perceel [locatie sub 4] op dat moment niet voldoende uitgekristalliseerd om als bestemming "Wonen" positief in het plan te worden opgenomen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de bevoegdheid geen wijzigingsbevoegdheden te willen opnemen in het bestemmingsplan. Dat een dergelijke wijzigingsbevoegdheid wel in het voorontwerp was opgenomen doet daar niet aan af. De stelling van de raad dat het plan voor de ontwikkeling van appartementen op bedoeld perceel niet voldoende was uitgekristalliseerd voor een positieve bestemming in het plan, is door [appellant sub 2] onvoldoende weersproken.

2.4.3. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.5. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met de aan het achter zijn panden [locaties sub 5] gelegen perceel, kadastraal bekend als sectie [.], nummer [….], toegekende bestemming "Tuin" met de aanduidingen "cultuurhistorische waarden", "specifieke vorm van tuin uitgesloten - parkeervoorziening" en een maximum verhardingspercentage van 10%.

[appellant sub 3] voert aan dat de aanwezige schuur achter de Vrouwenhuisstraat ten onrechte niet positief is bestemd. Tevens beroept hij zich op het gelijkheidsbeginsel, nu het perceel [locatie sub 6] wel de bestemming "Wonen" heeft gekregen en daar een extra bouwmogelijkheid voor een garage is opgenomen. Voorts betoogt hij dat het verbod op bouwwerken en het beperken van verhardingen onevenredig belastend is, zeker omdat het perceel als achtererfgebied kan worden beschouwd waar vergunningvrije bouwwerken mogen worden opgericht. Bovendien is het aanbrengen van verhardingen en het oprichten van sommige gebouwen daarmee niet toetsbaar of handhaafbaar, aldus [appellant sub 3]. Volgens [appellant sub 3] is het uitsluiten van een gedeelte van het achtererfgebied waar wel vergunningvrij een bouwwerk mag worden gerealiseerd in strijd met het parkeerbeleid. Ook voert hij aan dat het aanbrengen van verhardingen geen afbreuk doet aan de archeologische of cultuurhistorische waarden van de betreffende gronden. [appellant sub 3] verwijst verder naar zijn zienswijze.

2.5.1. De raad betoogt dat bij het vaststellen van de bestemming "Tuin" is uitgegaan van het vorige bestemmingsplan en de Visie Binnenstad 2030. De raad wijst erop dat de schuur waar [appellant sub 3] over spreekt inmiddels is gesloopt en dat slechts een gedeelte van het bewuste perceel achtererfgebied is. Ten aanzien van het perceel [locatie sub 6] wijst de raad er op dat daar eveneens is aangesloten bij het vorige bestemmingsplan.

Voorts stelt de raad dat het perceel met de bestemming "Verkeer - Autoboxen (V-ABX)" buiten de stadstuin uit de Visie Binnenstad 2030 ligt. De raad acht het onwenselijk grootschalige verhardingen aan te brengen in de stadstuinen. Volgens de raad dient het parkeerbelang in dit geval ondergeschikt te zijn aan de cultuurhistorische waarden van de stadstuinen. Die waarden zouden in het geding zijn wanneer een groter verhardingspercentage zou worden toegestaan.

2.5.2. Ten aanzien van enkele gronden heeft [appellant sub 3] zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 3] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Derhalve falen deze beroepsgronden.

2.5.3. Ingevolge artikel 16, lid 1, van de planregels is de bestemming "Tuin" bestemd voor tuin en voor parkeervoorzieningen ten behoeve van de aangelegen bestemming.

Uit artikel 16, lid 6, van de planregels blijkt dat ter plaatse van de aanduidingen "cultuurhistorische waarden" en "specifieke vorm van tuin uitgesloten - parkeervoorziening" parkeervoorzieningen niet zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 16, lid 7, van de planregels mogen ter plaatse van de aanduiding "verhardingspercentage terrein" gronden worden verhard tot ten hoogste het aangeduide percentage.

2.5.4. De Afdeling merkt op dat het perceel van [appellant sub 3], kadastraal bekend als sectie [.], nummer [….], waar zijn beroep zich tegen richt, in de Visie Binnenstad 2030 is aangewezen als stadstuin, waar bebouwing gelet op het historisch karakter van de binnenstad onwenselijk wordt geacht. Voorts blijkt uit het vorige bestemmingsplan "Binnenstad" uit 1981 dat het bewuste deel van het perceel van [appellant sub 3] reeds de bestemming "Tuin" had. Verder heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de cultuurhistorische waarden van de stadstuin in de weg staan aan het verharden van de stadstuin en aan het gebruiken van de stadstuin als parkeerruimte. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de stadstuin in de Visie Binnenstad 2030 is aangewezen als te beschermen locatie en dat de stadstuinen juist worden gekenmerkt door hun groene karakter te midden van de centrumbebouwing. Gelet hierop en in aanmerking genomen het op dit punt conserverende karakter van het plan, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het bewuste perceelsdeel de bestemming "Tuin" met de voormelde aanduidingen kon worden toegekend.

Ten aanzien van de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met de percelen [locatie sub 6] en [locatie sub 7] wordt overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie, omdat in het plan voor het perceel [locatie sub 6] eveneens is aangesloten bij het vorige bestemmingsplan en derhalve aan dat perceel een woonbestemming is toegekend.

Ten aanzien van de op het perceel [locatie sub 7] mogelijk gemaakte autobox overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid heeft kunnen stellen dat de autobox niet binnen de stadstuin valt, waardoor de cultuurhistorische waarde daarvan niet in gevaar komt. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 3] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre ongegrond.

2.5.5. [appellant sub 3] heeft ter zitting toegelicht dat hij op een gedeelte van zijn perceel, kadastraal bekend als sectie [.], nummer [….], dat is gelegen aan de achterzijde van zijn panden [locaties sub 5], een parkeervoorziening in de vorm van een carport heeft gerealiseerd. De aanduidingen "cultuurhistorische waarden" en "specifieke vorm van tuin uitgesloten - parkeervoorziening" op grond waarvan een parkeervoorziening volgens het plan niet is toegestaan, verdragen zich volgens [appellant sub 3] niet met de bepalingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), die in het achtererfgebied van het hoofdgebouw de bouw van bijbehorende bouwwerken, waartoe een carport dient te worden gerekend, vergunningvrij toestaan.

2.5.6. Op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.3, tweede lid, en de artikelen 1 en 2, aanhef en onder 3, van Bijlage II van het Bor, is de bouw van bijbehorende bouwwerken onder de daar vermelde voorwaarden vergunningvrij toegestaan in het achtererfgebied van het hoofdgebouw. Onder een dergelijk bijbehorend bouwwerk kan ook een voorziening ten behoeve van parkeren worden verstaan, zoals een garage of carport, mits dit bijbehorend bouwwerk voldoet aan de daarvoor in artikel 2, onder 3, van Bijlage II van het Bor gestelde eisen.

Naar het oordeel van de Afdeling laten artikel 16, leden 6 en 7, van de planregels en de op de planverbeelding aangegeven aanduidingen onverlet hetgeen op grond van bedoeld onderdeel van het Bor vergunningvrij mag worden opgericht. Gelet op het voorgaande faalt het betoog van [appellant sub 3].

2.5.7. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Proceskosten

2.6. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 4b], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4a] en [appellant sub 4b] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Montfoort van 31 januari 2011, voor zover dit betrekking heeft op het in de bestemming "Gemengd" opgenomen maximale bebouwingspercentage van 60%, voor de gronden achter de woning op het perceel [locatie sub 1];

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor het overige en de beroepen van [appellant sub 2] en van [appellant sub 3] geheel ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Montfoort tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Montfoort aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

159-726.