Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9498

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201010292/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2010, kenmerk 2010/25-7i, heeft het college het wijzigingsplan "Wijziging ex artikel 3.6, lid 1 onder a Wet ruimtelijke ordening van het bestemmingsplan Buitengebied van de (voormalige) gemeente Kessel" (hierna: het wijzigingsplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201010292/1/R1.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Peel en Maas,

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2010, kenmerk 2010/25-7i, heeft het college het wijzigingsplan "Wijziging ex artikel 3.6, lid 1 onder a Wet ruimtelijke ordening van het bestemmingsplan Buitengebied van de (voormalige) gemeente Kessel" (hierna: het wijzigingsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, en het college, vertegenwoordigd door drs. A.P. Langerak, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het wijzigingsplan voorziet in een wijziging van de bestemming "Agrarische doeleinden A" in de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)" met de nadere aanduiding "Onbebouwd bouwkavel" ten behoeve van de uitbreiding van een agrarisch bedrijf op het perceel kadastraal bekend gemeente Kessel, sectie I, nummer 9, thans nummers 628 en 629 (gedeeltelijk), gelegen aan de Dijk 5 te Kessel (hierna: het perceel). De uitbreiding heeft betrekking op het plaatsen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van regenkappen.

2.2. Het college betwist dat [appellant] kan worden aangemerkt als belanghebbende, omdat vanaf het perceel van [appellant] op geen enkele wijze zicht is op het plangebied en de daarin geplande regenkappen.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kan door een belanghebbende beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2. Ter zitting is gebleken dat er vanaf het perceel van [appellant] aan de [locatie] te Kessel, dat is gelegen op een afstand van ongeveer 280 meter van het plangebied, enig zicht is op een deel van het plangebied. Gelet daarop en mede gelet op de omvang van de voorziene ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied, merkt de Afdeling [appellant] aan als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.3. Ingevolge artikel 2.04, lid 8A, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied - herziening ex artikel 30 WRO en actualisering van de gemeente Kessel" (hierna: het bestemmingsplan) is het college bevoegd, gehoord de adviescommissie en met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.01 en lid 2 van dit artikel, de bestemming "Agrarische doeleinden A" te wijzigen in de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)".

Ingevolge artikel 2.02, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)" bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 2.02, derde lid, zijn op deze gronden uitsluitend ten behoeve van de in lid 1 genoemde doeleinden en mits in overeenstemming met de in artikel 2.01 genoemde hoofdlijnen toegelaten:

a. bedrijfsgebouwen;

b. bedrijfswoningen met de daarbij behorende bijgebouwen, tenzij op de plankaart een aanduiding "geen woning toegestaan" is opgenomen;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

d. tuinen en erven;

e. bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 1 van de regels van het wijzigingsplan zijn op het wijzigingsplan mede van toepassing de voorschriften van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2 maken van het wijzigingsplan deel uit het plangebied, de bestemmingen en aanduidingen zoals aangegeven op de verbeelding.

Op de verbeelding van het wijzigingsplan is aan het gehele plangebied de aanduiding "Onbebouwd bouwkavel" toegekend.

2.4. [appellant] kan zich niet verenigen met het wijzigingsplan. Hij voert onder meer aan dat de regenkappen zijn aan te merken als bebouwing, dat sprake is van vrijwel aaneengesloten bebouwing met een zeer massaal karakter, waardoor het plan in strijd is met een van de wijzigingsvoorwaarden in de planvoorschriften, en dat niet is verzekerd dat de ter plaatse mogelijk gemaakte voorzieningen in de hoogte begrensd zijn.

2.4.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de beoogde teelt van frambozen regenkappen noodzakelijk zijn, welke worden aangemerkt als tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, en dat het bestemmingsplan ter plaatse van de voorziene uitbreiding de regenkappen niet mogelijk maakt. Daarvoor is een bestemming als bouwperceel nodig. Het college heeft met de aanduiding "Onbebouwd bouwkavel" aangesloten bij de definitie voor het onbebouwde deel van de bouwkavel in de door het college van gedeputeerde staten van Limburg vastgestelde Beleidsregel teeltondersteunende voorzieningen, waarbij met onbebouwde bouwkavel dat deel van de agrarische bouwkavel wordt bedoeld waarop containervelden, tijdelijke hoge boogkassen, tijdelijke regenkappen en lage boogkassen opgericht mogen worden.

2.4.2. Voor de aanduiding "Onbebouwd bouwkavel" die op de verbeelding is aangebracht, is geen grondslag te vinden in de voorschriften van het bestemmingsplan met betrekking tot de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)" en ook niet in de regels van het wijzigingsplan. Gelet daarop komt aan de aanduiding op de verbeelding geen betekenis toe. Nu gelet op artikel 2.02, derde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan de gronden die op de verbeelding zijn aangewezen voor "Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)" volledig kunnen worden bebouwd met de aldaar aangegeven bebouwing, terwijl het college heeft beoogd met de aanduiding te regelen dat op het perceel enkel tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen kunnen worden geplaatst, heeft het college ter plaatse meer en ook andere bebouwing mogelijk gemaakt dan de bedoeling is. Reeds hierom slaagt het betoog.

2.4.3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3.6 in samenhang gelezen met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening te worden vernietigd.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas van 29 september 2010, kenmerk 2010/25-7i.

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

91.