Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9495

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201110902/1/A221
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BT1839, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 5 juli en 2 september 2010 heeft de raad vergoedingen vastgesteld voor het verlenen van rechtsbijstand door [wederpartij] in twee zaken in het kader van een piketregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110902/1/A2.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 september 2011 in de zaken nrs. 10/4240 en 10/4427 in het geding tussen:

[wederpartij],

en

de raad.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 5 juli en 2 september 2010 heeft de raad vergoedingen vastgesteld voor het verlenen van rechtsbijstand door [wederpartij] in twee zaken in het kader van een piketregeling.

Bij besluiten van 13 en 27 oktober 2010 heeft de raad de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door [wederpartij] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, de besluiten van 5 juli en 2 september 2010 herroepen, de vergoedingen vastgesteld op respectievelijk € 358,44 en € 251,59, in beide gevallen te vermeerderen met 19% BTW, en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2011, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam in dienst van de raad, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand, zoals die luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, verstrekt de raad aan een rechtsbijstandverlener een vergoeding voor de door hem verleende rechtsbijstand in het kader van een regeling voor het beurtelings verlenen van rechtsbijstand in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen zaken.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000), zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt onder piketzaak verstaan: een zaak waarin een rechtsbijstandverlener rechtsbijstand heeft verleend in het kader van een regeling voor het beurtelings verlenen van rechtsbijstand in de gevallen, bedoeld in het eerste lid van artikel 23.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, voor zover thans van belang, ontvangen rechtsbijstandverleners overeenkomstig de bepalingen van dit besluit een vergoeding voor de verlening van rechtsbijstand in een piketzaak.

Ingevolge het derde lid worden de krachtens dit besluit toegekende punten vermenigvuldigd met het basisbedrag, genoemd in het eerste lid van artikel 3.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt in een piketzaak 1,5 punt toegekend, indien rechtsbijstand wordt verleend aan in verzekering gestelde verdachten.

Op 26 januari 2010 is de Beleidsregel Vergoeding raadplegen raadsman voorafgaand aan of bij het politieverhoor van de Raden voor rechtsbijstand te Amsterdam, Arnhem, Den Haag, ’s-Hertogenbosch en Leeuwarden (hierna: de beleidsregel) vastgesteld, die op 1 april 2010 in werking is getreden. De achtergrond hiervan vormt het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008, Salduz tegen Turkije, nr. 36391/02, NJ 2009,214, waaruit volgt dat een aangehouden verdachte in de gelegenheid moet worden gesteld voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen. Omdat het Bvr 2000 op dat moment niet voorzag in de verstrekking van vergoedingen aan een advocaat voor de door hem bij die gelegenheid verleende rechtsbijstand, is in afwachting van een aanpassing van het Bvr 2000 de beleidsregel vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de beleidsregel wordt daarin verstaan onder:

a. aangehouden verdachte: personen die door de politie zijn aangehouden op verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en nadien worden verhoord;

b. raadslieden: advocaten die door de Raad voor rechtsbijstand zijn ingeschreven voor het strafpiket;

c. consultatiebijstand: het verlenen van rechtsbijstand aan de aangehouden verdachte voorafgaand aan het eerste inhoudelijke verhoor door de politie aangaande diens betrokkenheid bij een strafbaar feit;

d. [...].

Volgens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, heeft deze beleidsregel betrekking op de toekenning van een forfaitaire vergoeding aan raadslieden die gedurende maximaal 30 minuten consultatiebijstand hebben gegeven aan een aangehouden verdachte.

Volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, bedraagt de forfaitaire vergoeding die op grond van deze beleidsregel voor het verlenen van een consultatiebijstand kan worden toegekend 0,75 punt.

Volgens het tweede lid wordt de vergoeding voor het verlenen van consultatiebijstand niet toegekend als de aangehouden verdachte in verzekering wordt gesteld. In dat geval is de vergoeding voor consultatiebijstand reeds verdisconteerd in de reguliere piketvergoeding.

2.2. Bij de besluiten van 5 juli en 2 september 2010, zoals gehandhaafd bij de besluiten op bezwaar van 13 en 27 oktober 2010, heeft de raad [wederpartij] geen vergoedingen verstrekt voor de door haar in twee gevallen aan aangehouden verdachten verleende consultatiebijstand. De raad heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de verdachten in verzekering zijn gesteld, zodat de vergoeding voor consultatiebijstand, volgens artikel 3, tweede lid, van de beleidsregel, reeds is verdisconteerd in de reguliere piketvergoeding.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad zijn besluitvorming niet mocht baseren op artikel 3, tweede lid, van de beleidsregels, omdat zij die bepaling kennelijk onredelijk acht. Zij heeft daartoe - samengevat - overwogen dat consultatiebijstand, gelet op de aard en het moment van de werkzaamheden, duidelijk is te onderscheiden van piketbijstand. De rechtsbijstandverlener die uitsluitend piketbijstand verleent, ontvangt dezelfde vergoeding als een rechtsbijstandverlener die zowel consultatiebijstand als piketbijstand verleent. De vergoeding voor consultatiebijstand kan derhalve niet zijn verdisconteerd in de reguliere vergoeding voor piketbijstand. Voor het niet toekennen van een vergoeding voor consultatiebijstand, geeft artikel 3, tweede lid, van de beleidsregels geen afdoende motivering, aldus de rechtbank.

2.4. De raad betoogt terecht dat de rechtbank het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de beleidsregels ten onrechte kennelijk onredelijk heeft geacht. Omdat bij de consultatiebijstand reeds de eerste advisering aan de aangehouden verdachte plaatsvindt, vergt de daaropvolgende bijstand in de fase van inverzekeringstelling minder werkzaamheden. Het gaat immers om dezelfde verdachte en hetzelfde feitencomplex. Hoewel raadslieden in dat geval een extra bezoek aan een aangehouden verdachte brengen en de werkzaamheden niet geheel hetzelfde zijn, is de strekking van beide vormen van rechtsbijstand niet zodanig verschillend, dat de in de beleidsregel neergelegde waardering van beide activiteiten tezamen op 1,5 punt kennelijk onredelijk is te achten. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het gaat om een tijdelijke, begunstigende regeling, in afwachting van een aanpassing van - artikel 23 van - het Bvr 2000, die ondertussen op 15 november 2011 in werking is getreden. De vergoeding voor consultatiebijstand kan in dit geval derhalve worden geacht te zijn verdisconteerd in de reguliere piketvergoeding.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 13 en 27 oktober 2010 alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 september 2011 in zaken nrs. 10/4240 en 10/4427;

III. verklaart de bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

18-686.