Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9488

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201104314/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2009 heeft het college aan [appellant] onder het stellen van voorschriften ontheffing van het desbetreffende verbod verleend voor het gebruik van twee knalapparaten om vogels van de [percelen a en b] te [plaats], gemeente Houten (hierna: de percelen) te verjagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/374
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/2991
JOM 2012/450
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104314/1/A3.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Houten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 februari 2011 in zaak nr. 09/3238 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Houten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2009 heeft het college aan [appellant] onder het stellen van voorschriften ontheffing van het desbetreffende verbod verleend voor het gebruik van twee knalapparaten om vogels van de [percelen a en b] te [plaats], gemeente Houten (hierna: de percelen) te verjagen.

Bij besluit van 28 december 2009 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 31 juli 2009 onder aanvulling van de motivering ervan in stand gelaten.

Bij uitspraak van 23 februari 2011, verzonden op 28 februari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, voor zover gericht tegen het uitblijven van dat besluit, en voor het overige ongegrond. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft bij brief van 27 december 2011 nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.W. van Ojen, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.A.J.M. van der Meer en A.W.M. van der Meer, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:6a, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Houten (hierna: de APV), zoals die ten tijde van belang luidde, is het verboden buiten een inrichting in de zin van de

Wet milieubeheer in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine op zodanige wijze in werking te hebben, dat voor omwonenden of overigens voor de omgeving onaanvaardbare geluidhinder wordt veroorzaakt.

Ingevolge het tweede lid kan het college van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Ingevolge het derde lid kunnen de krachtens het tweede lid te stellen voorschriften onder meer betreffen:

a. het maximale geluidsniveau;

b. de situering van geluidsbronnen;

c. de frequentie en tijden van gebruik.

2.1.1. Op 18 augustus 2009 heeft het college "Beleidsregels gebruik knalapparaten in de fruitteelt" (hierna: de beleidsnotitie) voor de uitvoering van voormelde bepaling van de APV vastgesteld. Daarbij is uitgegaan van bij metingen aan verschillende knalapparaten vastgestelde bronvermogens. In de beleidsnotitie wordt bij het vaststellen van de maximaal toe te stane geluidsniveaus aansluiting gezocht bij de bovengrens van wat volgens de Herziening Circulaire schietlawaai (hierna: de Circulaire) pleegt te worden toegestaan. Een zekere mate van hinder ten gevolge van het gebruik van knalapparaten is volgens de beleidsnotitie toelaatbaar. Om onaanvaardbare hinder te voorkomen, moet het gebruik van knalapparaten aan regels voldoen. Zo dient een knalapparaat zich op ten minste 300 m van een geluidgevoelig object van derden te bevinden en mag geen hogere knalfrequentie worden toegepast, dan zes per uur. In gevallen waarin daaraan niet wordt voldaan, is het gebruik van knalapparaten verboden. Het college kan in afwijking van de beleidsnotitie op verzoek een ontheffing verlenen met andere voorschriften, indien de aanvrager een akoestisch rapport toont, waaruit blijkt dat de geluidsbelasting van de dichtstbijgelegen geluidgevoelige objecten niet hoger is dan op grond van de notitie is toegestaan, aldus de notitie.

2.2. [appellant] exploiteert op de percelen fruitboomgaarden en heeft het college verzocht om ontheffing van het in artikel 4:6a, eerste lid, van de APV neergelegde verbod om vogels te kunnen verjagen en daarmee schade aan het fruit te kunnen beperken, dan wel te voorkomen. Het besluit van 31 juli 2009 is op dat verzoek genomen.

2.3. Aan het besluit van 28 december 2009 heeft het college ten grondslag gelegd dat de aan de ontheffing verbonden voorschriften, die met de op 18 augustus 2009 vastgestelde beleidsnotitie overeenkomen, redelijk zijn. Dat de afstandsnorm tot een geluidgevoelig object van derden voorheen 50 m bedroeg en nu 300 m en voor verjaging van vogels met een geweer geen ontheffing op grond van de APV is vereist, doet daar niet aan af. Daarbij hanteren ook andere gemeenten een afstandsnorm van 300 m of meer en onderscheidt het gebruik van een regelmatig repeterend knalapparaat zich van het meer incidenteel gebruik dat van een geweer pleegt te worden gemaakt, aldus het college. Het heeft, mede omdat [appellant], hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen akoestisch rapport heeft overgelegd, de bij het besluit van 31 juli 2009 verleende ontheffing ongewijzigd gelaten.

2.4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank er, door te overwegen dat hij geen belang heeft bij het beroep tegen het uitblijven van een besluit op het door hem gemaakte bezwaar, aan voorbij is gegaan dat hij aanspraak had op vergoeding van griffierecht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juni 2010 in zaak nr. 200910239/1/H3), wordt ingevolge het derde lid van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) beroep tegen het uitblijven van een besluit geacht mede gericht te zijn tegen een inmiddels genomen besluit, tenzij dat geheel aan het beroep tegemoet komt. Bij toepassing van die bepaling wordt niet afzonderlijk griffierecht geheven. Dit houdt in dat het door [appellant] betaalde griffierecht geacht wordt mede te zijn voldaan inzake het tegen het besluit van 28 december 2009 door hem ingestelde beroep. Dat, naar gesteld, niet tijdig op het door hem gemaakte bezwaar is beslist, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gegeven om belang bij het beroep tegen het uitblijven van een besluit aan te nemen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank, door een jachtgeweer als verschillend van een knalapparaat aan te merken, heeft miskend dat doel en aard van het gebruik van beide gelijk zijn, de geluidsbelasting bij het gebruik gelijk is en de berekeningsmethodiek, op basis waarvan de afstandsnorm, opgenomen in de beleidsnotitie, is vastgesteld volledig is ontleend aan de beoordeling van schietwapens. Zij heeft volgens hem verder miskend dat het verbod, evenmin als op het gebruik van een jachtgeweer, op dat van knalapparaten van toepassing is. Dat gebruik is in beide gevallen geheel geregeld in de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw). Voorts heeft de rechtbank, gelet op de afwijkende afstandsnormen die veel andere gemeenten hanteren, ten onrechte haar oordeel dat de afstandsnorm van 300 m niet onredelijk is niet nader gemotiveerd. Deze afstandsnorm leidt ertoe dat grote delen van het buitengebied van Houten zijn geconfronteerd met een aanzienlijke inperking van schadebeperkende verjagingsmiddelen. De afstandsnorm is te beperkend waardoor, zoals in dit geval, ook aanvaardbare geluidsoverlast daaronder valt. Het college heeft dan ook ten onrechte niet van de beleidsnotitie afgeweken, aldus [appellant].

2.5.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het belang, ter bescherming waarvan de Ffw is vastgesteld, te weten de bescherming van de in het wild levende planten- en diersoorten, zich niet tegen het vaststellen door de gemeenteraad van regels, die tot doel hebben het tegengaan van geluidhinder in de openlucht en het voorkomen van geluidhinder bij omwonenden, verzet. Voorts heeft zij met juistheid het door het college bij toepassing van artikel 4:6a, eerste lid, van de APV gevoerde beleid niet strijdig met de Ffw of anderszins onrechtmatig geacht.

Nu voorts niet is gesteld dat het besluit niet met het gevoerde beleid strookt, faalt dat betoog ook voor het overige. De rechtbank heeft in het aangevoerde terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college in dit geval wegens bijzondere omstandigheden van de door het college volgens het gevoerde beleid gehanteerde afstandsnorm van 300 m diende af te wijken.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Hardeveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

312-597.