Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9487

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201105044/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2011 heeft de burgemeester gelast dat [appellant] de woning gelegen aan de [locatie] te Rotterdam onmiddellijk verlaat en deze woning voor een periode van tien dagen niet betreedt, noch daarin aanwezig is of zich daarbij ophoudt, en hem verboden gedurende deze periode contact op te nemen met de in het besluit genoemde personen die met hem in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105044/1/A3.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2011 in zaken nrs. 11-236, 11-895 en 11-894 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2011 heeft de burgemeester gelast dat [appellant] de woning gelegen aan de [locatie] te Rotterdam onmiddellijk verlaat en deze woning voor een periode van tien dagen niet betreedt, noch daarin aanwezig is of zich daarbij ophoudt, en hem verboden gedurende deze periode contact op te nemen met de in het besluit genoemde personen die met hem in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Bij besluit van 14 maart 2011 heeft de burgemeester het huisverbod met achttien dagen verlengd.

Bij mondelinge uitspraak van 17 maart 2011, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 25 maart 2011, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] tegen het besluit van 14 maart 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 mei 2011.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. P. Hoogenraad, advocaat te Maassluis, en de burgemeester, vertegenwoordigd door S. El Fizzazi, R.C. Brouwer en mr. F.M. Heltzel, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod (hierna: het Bth) betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Ingevolge het tweede lid hebben de in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge het derde lid worden onder de feiten en omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder a, mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van de afweging, bedoeld in het eerste lid.

2.2. De burgemeester heeft het huisverbod gebaseerd op een Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG). Hij heeft aan het huisverbod ten grondslag gelegd dat [appellant] zijn echtgenote op 5 maart 2011 heeft mishandeld, hij eerder is veroordeeld voor mishandeling van zijn echtgenote en er meerdere mutaties zijn betreffende relationele problemen binnen het gezin. Aan het besluit van 14 maart 2011 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat alle in het RiHG genoemde punten zich nog voordoen en dat mogelijk enkele nieuwe punten van toepassing zijn, waardoor sprake is van een voortzetting en wellicht een toename van het ernstig vermoeden van de dreiging van het gevaar voor de veiligheid van de achterblijvers.

2.3. Het hoger beroep is beperkt tot het oordeel van de voorzieningenrechter over het verlengingsbesluit.

2.3.1. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar ten tijde van het nemen van het verlengingsbesluit voortduurde en dat verlenging van het huisverbod geboden was. Hij voert aan dat dit besluit uitsluitend is gebaseerd op de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het huisverbod en dat hij niet is gehoord over het voornemen tot verlenging. De voorzieningenrechter heeft volgens hem ten onrechte geen betekenis toegekend aan het feit dat hij zich inmiddels had gemeld bij het DOK voor behandeling en dat de echtgenote het verzoek om echtscheiding en het huisverbod niet voortgezet wenste te zien. Daarnaast stelt [appellant] dat geen rekening is gehouden met zijn belangen nu hij geen slaap- en verblijfplaats had. Tot slot heeft de burgemeester volgens hem een onjuist criterium aangehouden door het meer tijd geven aan de echtgenote om haar zaken te regelen en tot rust te komen te betrekken bij het oordeel dat verlenging was geboden.

2.3.2. Nu het oordeel van de voorzieningenrechter over het huisverbod geen onderwerp van het hoger beroep is moet er van worden uitgegaan dat de burgemeester terecht een huisverbod aan [appellant] heeft opgelegd vanwege een historie van geweld jegens de echtgenote en dat de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen dat ten tijde van het opleggen van het huisverbod sprake was van feiten en omstandigheden waaruit bleek dat de aanwezigheid van [appellant] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van de achterblijvers dan wel een ernstig vermoeden van dit gevaar opleverde.

2.3.3. De voorzieningenrechter heeft bij zijn oordeel over het verlengingsbesluit met name van belang geacht dat [appellant] het incident op 5 maart 2011 dat heeft geleid tot het huisverbod bagatelliseert en ook anderszins geen blijk heeft gegeven de ernst van zijn gedrag in te zien. Voorts heeft de voorzieningenrechter van belang geacht dat nog geen reële aanvang met de hulpverlening was gemaakt en uit deze gegevens afgeleid dat de dreiging van gevaar voor de veiligheid van de achterblijvers onverminderd aanwezig was.

2.3.4. Volgens het zorgadvies dat de burgemeester aan het verlengingsbesluit ten grondslag heeft gelegd is [appellant] doorverwezen naar het DOK, een forensisch psychiatrische poli- en dagkliniek, en heeft hij daar een intakegesprek gehad. Uit gesprekken met [appellant] is voorts gebleken dat hij zowel het geweld op 5 maart 2011 als eerdere incidenten ontkent. Onder deze omstandigheden heeft de voorzieningenrechter kunnen oordelen dat nog geen reële aanvang was gemaakt met de hulpverlening en dat [appellant] gelet op de bagatellisering van het geweld geen inzicht toont in de problematiek zodat de burgemeester terecht geen indicatie aanwezig heeft geacht voor een afname van het gevaar of het vermoeden daarvan. Het betoog van [appellant] ter zitting dat hij het geweld niet ontkent maar steeds heeft bedoeld te zeggen dat de echtgenote is begonnen doet hieraan niet af nu de voorzieningenrechter mocht uitgaan van de hem ter beschikking staande gegevens en [appellant] met dit betoog nog steeds geen blijk geeft van inzicht in de problematiek.

De voorzieningenrechter behoefde voorts geen betekenis toe te kennen aan de verklaringen van de echtgenote dat zij de echtscheidingsprocedure zou intrekken en het huisverbod niet voortgezet wilde zien. In het zorgdossier staat hieromtrent vermeld dat de echtgenote tijdens het huisverbod mogelijk is benaderd door een gezamenlijke kennis, hetgeen door [appellant] blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de voorzieningenrechter is bevestigd, waarna de echtgenote haar eerdere voornemen tot scheiding heeft gewijzigd. De casemanager acht volgens het zorgdossier, gelet op de plotselinge wijziging van het standpunt van de echtgenote en de historie van huiselijk geweld, een gezamenlijk gesprek in aanwezigheid van een hulpverlener geïndiceerd om escalatie van het geweld te voorkomen. Ter zitting is door de burgemeester nader toegelicht dat, zowel in het geval de wijziging van het standpunt is ingegeven door vrees als in het geval deze is ingegeven door de wens tot verzoening, gelet op de gezinsproblematiek begeleiding nodig is om verder geweld te voorkomen. Daarnaast adviseren Bureau Jeugdzorg en een medewerkster van het Advies- en Steunpunt Huiselijk Geweld blijkens de stukken eveneens een verlenging van het huisverbod.

Voor het oordeel dat de burgemeester ten onrechte mede aan het besluit ten grondslag heeft gelegd dat de echtgenote meer tijd nodig heeft zodat duidelijker kan worden wat haar wensen zijn bestaat evenmin aanleiding. Ter zitting heeft de burgemeester toegelicht dat dit wellicht wat ongelukkig is geformuleerd maar dat, zoals ook uit het besluit blijkt, het creëren van een periode van rust als zodanig niet het enige aspect is dat aan de beslissing tot verlenging ten grondslag is gelegd, maar dat deze periode juist is ingegeven door een beoordeling van de specifieke problematiek in het licht van de vraag of de dreiging van gevaar zich nog altijd voordoet. De langdurige geweldspiraal en het gebrek aan inzicht daarin, het nog niet opgestarte hulpverleningstraject en de noodzakelijk geachte hulp aan een minderjarig kind hebben, tezamen met de overige bij de besluitvorming betrokken punten gemaakt dat deze dreiging nog altijd aanwezig moest worden geacht, aldus de burgemeester.

De Afdeling overweegt dat de burgemeester met het vorenstaande aan het verlengingsbesluit het voortdurende gevaar of vermoeden van gevaar voor geweld ten grondslag heeft gelegd. Dat de burgemeester in verband met de vastgestelde dreiging een periode van belang heeft geacht waarin de gezinssituatie nader kan worden onderzocht, heeft de voorzieningenrechter niet voor onjuist behoeven te houden. Volgens de considerans van de Wet tijdelijk huisverbod is de maatregel bedoeld om de veiligheid van personen met wie een huishouden wordt gedeeld te waarborgen en een periode te creëren, waarin maatregelen kunnen worden genomen om de dreiging van huiselijk geweld te doen wegnemen.

Het beroep van [appellant] ter zitting op de uitspraken van de Afdeling van 8 februari 2012, no. 201102256/1/A3 en 201102246/1/A3 gaat niet op. De in deze uitspraken genoemde criteria zijn niet van toepassing op het onderhavige geval nu in dit geval vaststaat dat het huisverbod terecht is opgelegd.

Tot slot behoefde de voorzieningenrechter in de door [appellant] gestelde omstandigheid dat hij geen slaap- of verblijfplaats had evenmin aanleiding te zien het verlengingsbesluit van de burgemeester onrechtmatig te achten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de feiten en omstandigheden als genoemd in de bijlage bij dat besluit. Het niet hebben van een slaap- en verblijfplaats gedurende het huisverbod of de verlenging daarvan is geen feit of omstandigheid als bedoeld in dit artikel. Overigens is [appellant] volgens het zorgdossier een plaats bij een door de casemanager geregelde crisisopvangplek in Rotterdam aangeboden.

2.4. De stelling van [appellant] dat hij ten onrechte niet is gehoord over de verlenging van het huisverbod, heeft hij niet in beroep bij de voorzieningenrechter naar voren gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de voorzieningenrechter kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven. Overigens heeft de burgemeester in het verweerschrift onweersproken gesteld dat [appellant] volgens het beleidsadvies op 11 maart 2011 is gehoord over een eventuele verlenging van het huisverbod.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Langeveld-Mak

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

317.