Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9486

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201106974/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2009 heeft de Belastingdienst het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag 2009 gewijzigd en op € 0 gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/121

Uitspraak

201106974/1/A2.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Groningen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 mei 2011 in zaak nr. 10/1040 in het geding tussen:

[appellante]

en

Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2009 heeft de Belastingdienst het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag 2009 gewijzigd en op € 0 gesteld.

Bij besluit van 17 september 2010 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2011, verzonden op 16 mei 2011, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 juli 2011.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De Belastingdienst heeft desgevraagd bij brief van 6 september 2011 zijn standpunt nader toegelicht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2012, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 35 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) vangt de termijn voor het instellen van bezwaar, in afwijking van artikel 6:8 van de Awb, aan op de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking.

2.2. Bij het besluit op bezwaar van 17 september 2010 heeft de Belastingdienst het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 9 oktober 2009 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de voor het indienen van het bezwaar geldende termijn. De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd.

2.3. [appellante] betoogt dat zij het besluit van 9 oktober 2009 niet heeft ontvangen en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst aannemelijk heeft gemaakt dat dit besluit wel aan haar is verzonden. Zij wijst erop dat het besluit, waarvan zij een kopie heeft ontvangen, niet aangetekend is verzonden en dat daarop geen datumstempel dan wel een handgeschreven verzenddatum is aangebracht. Zij voert verder aan dat zij door de Belastingdienst niet is gehoord en dat de rechtbank daaraan voorbij is gegaan.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 mei 2011 in zaak nr. 201010777/1/V1), hanteren de hoogste bestuursrechters alle als uitgangspunt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres.

Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

2.3.2. Vast staat dat het besluit van 9 oktober 2009 niet aangetekend is verzonden. In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de Belastingdienst de geautomatiseerde verwerking en verzending van het besluit toegelicht. Daarin is vermeld dat, nadat de medewerker van de Belastingdienst een beslissing in het systeem heeft ingevoerd, deze op een centrale locatie wordt verwerkt tezamen met duizenden andere beslissingen. Daarna wordt de beslissing ingelezen in het zogenoemde - door de Ontvanger van de Belastingdienst gehanteerde - DACAS-systeem, op welk moment ook een dagtekening aan de beslissing wordt gegeven. Na de verwerking in de systemen wordt de beslissing zo spoedig mogelijk verzonden, maar in ieder geval vóór of op de dagtekening. De datum van daadwerkelijke verzending is afhankelijk van de capaciteit van de printstraat, welke behalve voor de beslissingen over kinderopvangtoeslag ook voor andere onderdelen van de Belastingdienst wordt gebruikt. Zodra de beslissing wordt uitgeprint en ter verzending aan de postbezorger wordt aangeboden, wordt een kopie ervan opgeslagen in het Digitaal Archief Systeem (DAS), aldus het verweerschrift van de Belastingdienst. Ter zitting heeft de Belastingdienst in dit verband gewezen op artikel 35 van de Awir, dat met het oog op deze wijze van werken in de Awir is opgenomen. Voorts heeft de Belastingdienst ter zitting desgevraagd toegelicht dat de wijze van verwerking en verzending van besluiten over zorgtoeslag, zoals aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2012, zaak nr. 201104229/1/A2, afwijkt van die van besluiten over kinderopvangtoeslag, zodat de daarin door de Belastingdienst gegeven beschrijving van de verzending van besluiten per batch niet geldt voor besluiten als hier aan de orde. Om die reden bestaan van kinderopvangtoeslagbesluiten - anders dan van zorgtoeslagbesluiten - geen batchnummers aan de hand waarvan de verzending kan worden vastgesteld. De Afdeling acht aannemelijk dat de besluiten inzake kinderopvangtoeslag op de door de Belastingdienst beschreven wijze worden verzonden. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 35 van de Awir (MvT, Kamerstukken II, 2004/2005, 29764, nr. 3, blz. 59) blijkt dat de achtergrond van de afwijking die in deze bepaling staat, de geautomatiseerde werkwijze bij de Belastingdienst is die erop neerkomt dat besluiten van de Belastingdienst veelal op een latere dag zijn gedateerd dan die waarop de feitelijke bekendmaking plaatsvindt.

Blijkens de bij het verweerschrift gevoegde printafdrukken heeft het in geding zijnde besluit in DACAS de dagtekening 9 oktober 2009 en is het op 2 oktober 2009 in DAS gearchiveerd. Nu verder van onjuiste tenaamstelling en adressering en van verzendproblemen in de betreffende periode niet is gebleken acht de Afdeling het aannemelijk dat het besluit van 9 oktober 2009 vóór of uiterlijk op die datum via PostNL (voorheen: TNT Post) aan [appellante] is verzonden.

2.3.3. [appellante] heeft geen feiten gesteld op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Haar stelling dat zij het besluit niet heeft ontvangen en dat zij zeker zou hebben gereageerd als dat wel het geval was geweest - hetgeen kan worden afgeleid uit het feit dat zij wel heeft gereageerd op een brief van de Belastingdienst van 12 augustus 2009 waarin haar een beschikking over de stopzetting van de kinderopvangtoeslag werd aangekondigd - kan niet als een zodanig feit worden aangemerkt. Aangezien [appellante] voorts niet heeft gereageerd op het verzoek van de Belastingdienst bij brief van 28 juni 2010 om binnen twee weken aan te geven wat de reden van de te late verzending van het bezwaarschrift is, heeft de Belasting dat bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en heeft het met toepassing van artikel 7:3 van de Awb van het horen van [appellante] kunnen afzien.

2.3.4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat de Belastingdienst het bezwaar van [appellante] terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. In de omstandigheid dat de rechtbank daarbij niet uitdrukkelijk heeft overwogen dat de Belastingdienst heeft kunnen afzien van het horen van [appellante], ziet de Afdeling geen grond voor een andersluidend oordeel. Het betoog faalt.

2.4. Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst de reactie van [appellante] op de eerdergenoemde brief van de Belastingdienst van 12 augustus 2009 als bezwaarschrift had moeten aanmerken, faalt dit evenzeer. Die brief behelsde immers uitsluitend de mededeling dat haar over de stopzetting van de kinderopvangtoeslag nog een besluit zou worden toegezonden.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

47-705.