Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201113333/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Koudum-De Easte en Parkplan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113333/2/R4.

Datum uitspraak: 16 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1. [verzoeker sub 1], wonend te Koudum, gemeente Súdwest Fryslân,

2. [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Koudum, gemeente Súdwest Fryslân,

en

de raad van de gemeente Súdwest Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Koudum-De Easte en Parkplan" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2011, en [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2011, beroep ingesteld. [verzoeker sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 3 januari 2012. Bij onderscheidenlijke brieven, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2011, hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[belanghebbende] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 22 februari 2012, waar [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.S. Leenstra, en de raad, vertegenwoordigd door H.G.J. Woltjer zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. E. Wiarda, werkzaam bij Langhout en Wiarda juristen en rentmeesters, en [derdebelanghebbenden].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het verzoek van [verzoeker sub 1]

2.2. [verzoeker sub 1] richt zich tegen plandeel met de bestemming "Wonen" voor zover betrekking hebbende op het nabij zijn woning gelegen perceel Ooste 27 te Koudum (hierna: het perceel). Het perceel had in het vorige plan de bestemming "Cultuurgrond". De bestemmingswijziging is volgens [verzoeker sub 1] ingegeven door de onjuiste veronderstelling van de raad dat de op het perceel aanwezige schuur reeds jaren in gebruik is als woning. Hij wijst in dit verband op onregelmatigheden in notariële aktes betreffende het perceel. De bestemming "Wonen" leidt volgens [verzoeker sub 1] tot verzwaring van de erfdienstbaarheid die op zijn perceel is gevestigd ten behoeve van het perceel nu daardoor meer verkeer langs zijn woning zal rijden. Dit leidt voorts tot aantasting van zijn privacy.

2.2.1. De raad stelt dat een woning op de desbetreffende locatie vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is nu deze past in het bebouwingsbeeld van De Easte en geen belemmeringen oplevert voor omliggende functies. De raad heeft hierbij van belang geacht dat achter de woning van [verzoeker sub 1] reeds een woning is gelegen. Nu de erfdienstbaarheid op het perceel van de [verzoeker sub 1] reeds strekt ten behoeve van die woning, stelt de raad zich op het standpunt dat de erfdienstbaarheid niet onredelijk wordt verzwaard als gevolg van het plan in zoverre. De raad stelt voorts dat het gebouw op het perceel in het verleden in gebruik is geweest als woning, maar dat niet duidelijk is vanaf wanneer dit het geval is geweest.

2.2.2. Niet in geschil is dat het gebouw op het perceel ten tijde van de vaststelling van het vorige plan niet in gebruik was als woning. De woonbestemming dient te worden aangemerkt als een nieuwe vorm van gebruik waarvan de raad dient te motiveren dat dit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Op het perceel van [verzoeker sub 1], langs diens woning, ligt een weg waarop een erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van het perceel, alsmede ten behoeve van een achter het perceel van [verzoeker sub 1] gelegen woning. Een privaatrechtelijke belemmering betreft een omstandigheid waarmee bij de afweging van de belangen in de bestemmingsplanprocedure rekening dient te worden gehouden. Voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verwezenlijking van de bestemming in de weg staat, is echter slechts aanleiding indien deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is de aangewezene om eventueel de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering aan verwezenlijking van de bestemming in de weg staat. In aanmerking genomen dat de aard en omvang van de mogelijk gemaakte ontwikkeling is beperkt tot één woning, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre zal leiden tot een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen op deze weg. Gelet daarop wordt in de gestelde verzwaring van de erfdienstbaarheid voorshands geen aanleiding gezien voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter aan de verwezenlijking van de bestemming in de weg staat. Gelet op het vorenstaande, alsmede op de omstandigheden dat [verzoeker sub 1] in een woonomgeving woont en dat de weg langs zijn woning reeds strekt ter ontsluiting van de achter zijn perceel gelegen woning, ziet de voorzitter voorshands voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de privacy van [verzoeker sub 1] onevenredig wordt aangetast als gevolg van het plan in zoverre.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een woonbestemming voor het perceel vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is. Hetgeen [verzoeker sub 1] heeft aangevoerd over voorheen geldende bestemmingen van het perceel en beweerdelijke onregelmatigheden in notariële aktes ter zake, ziet niet op de motivering die de raad aan het bestreden plandeel ten grondslag heeft gelegd. Dit leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat het besluit in zoverre in de bodemprocedure niet in stand kan blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat derhalve geen grond. Het verzoek dient te worden afgewezen.

Het verzoek van [verzoeker sub 2]

2.3. [verzoeker sub 2] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Sport- Pitch & putt (S-PP)" dat een pitch- en puttbaan met ondergeschikte horeca mogelijk maakt nabij zijn woning. [verzoeker sub 2] stelt dat een dergelijke ontwikkeling in strijd is met het Streekplan Fryslân 2006, het gemeentelijke Structuurplan Koudum en de gemeentelijke Visie 2015. [verzoeker sub 2] kan zich er voorts niet mee verenigen dat het plandeel voorziet in horeca in de vorm van terrassen nabij zijn woning en wijst daarbij op een situatieschets die is gepubliceerd in de plaatselijke krant Bulte Nijs. Als gevolg van het plandeel wordt voorts de verkeersveiligheid op de nabijgelegen N359 aangetast, aldus [verzoeker sub 2].

2.3.1. De raad stelt dat de ontwikkeling past binnen de beleidskaders van de gemeente en de provincie en wijst erop dat het college van gedeputeerde staten in het kader van het vooroverleg heeft aangegeven akkoord te zijn met de ontwikkeling van de pitch- en puttbaan. Bij de inrichting van het terrein is voorts rekening gehouden met de ligging van de N359. De holes worden zodanig gesitueerd dat zo veel mogelijk van de weg af wordt gespeeld en indien nodig kunnen voorzieningen worden aangelegd om te voorkomen dat ballen op de weg terecht komen, zoals een hekwerk of ballenvangers. De horecavoorziening wordt voorts niet in de nabijheid van het perceel van [verzoeker sub 2] gerealiseerd, maar binnen de bestaande boerderij aan de Nieuweweg 42.

2.3.2. De voorzitter ziet in het aangevoerde vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de genoemde beleidsstukken waarin met name het belang van doorzichten en de beeldkwaliteit van het landschap wordt onderstreept.

Ter zitting heeft de initiatiefnemer toegelicht dat de terrassen waar [verzoeker sub 2] op doelt geologische terrassen zijn waarmee hoogteverschil in het gebied wordt aangeduid. Voorts is onweersproken gebleven dat de horecavoorziening binnen de bestaande boerderij aan de Nieuweweg 42 wordt gerealiseerd. De voorzitter stelt vast dat, hoewel uit de planregels volgt dat ondergeschikte horeca binnen het gehele plandeel en derhalve ook nabij het perceel van [verzoeker sub 2] mogelijk is, uit de planregels evenzeer volgt dat in de nabijheid van het perceel van [verzoeker sub 2] geen hoofd- en bijgebouwen kunnen worden opgericht. Gelet daarop is de voorzitter voorshands van oordeel dat de ruimtelijke uitstraling van een eventuele ondergeschikte horecavoorziening in de nabijheid van het perceel van [verzoeker sub 2] niet zodanig zal zijn dat [verzoeker sub 2] daardoor onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.

De voorzitter acht voorts niet aannemelijk gemaakt dat het plandeel in de weg staat aan een zodanige inrichting van het gebied dat de verkeersveiligheid op de N359 kan worden gewaarborgd.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2012

472.