Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201103349/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DVJ Vastgoed B.V. (hierna: DVJ) wegens overtreding van de voorschriften 6 en 8 van de aan DVJ bij besluit van 10 oktober 2006 verleende ontgrondingsvergunning, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201103349/1/R4.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Oudehaske, gemeente Skarsterlân,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DVJ Vastgoed B.V. (hierna: DVJ) wegens overtreding van de voorschriften 6 en 8 van de aan DVJ bij besluit van 10 oktober 2006 verleende ontgrondingsvergunning, afgewezen.

Bij besluit van 2 februari 2011, verzonden op 18 februari 2011, heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, en het college, vertegenwoordigd door drs. A.J. Kolff-Hill en D. Peereboom, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting, DVJ, vertegenwoordigd door A. van Vught, en het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân, vertegenwoordigd door mr. R.H. Posthuma, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 10 oktober 2006 is aan DVJ een vergunning verleend voor het ontgronden van een gedeelte van de percelen kadastraal bekend gemeente Nijehaske, sectie K, nummers 942, 944, 945, 758, 756 en 344, ten behoeve van een uitbreiding van de bestaande zandwinput nabij Oudehaske, gemeente Skarsterlân.

2.2. Ingevolge voorschrift 6 van de ontgrondingsvergunning dient het riet te zijn aangeplant en aangeslagen als de insteek van de zandwinput de uiteindelijke insteek van de plasberm tot op een afstand van 30 meter is genaderd.

Ingevolge voorschrift 8 dient de rietaanplant in 2007 te zijn voltooid en te zijn aangeslagen.

2.3. DVJ stelt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit van 30 augustus 2010, omdat [appellant] geen eigendoms- en/ of gebruiksrechten in het zandwinningsgebied heeft waarop de ontgrondingsvergunning betrekking heeft.

2.3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellant] op grond van een overeenkomst van 5 maart 1996 exploitatierechten heeft langs de oeverstroken van de voornoemde zandwinput, zodat moet worden vastgesteld dat zijn belang rechtstreeks bij het besluit van 30 augustus 2010 is betrokken. Hij is dan ook belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.4. Bij besluit van 30 augustus 2010 heeft het college de voornoemde ontgrondingsvergunning gewijzigd. Hierbij zijn de oorspronkelijke voorschriften 6 en 8 ingetrokken onderscheidenlijk aangevuld. In de gewijzigde vergunning mag naast riet, ook lisdodde of rietachtige beplanting worden aangebracht ter bescherming van de oever. Indien de aanplant hiervan op 1 augustus 2014 niet is aangeslagen, moet alsnog een steenbestorting worden aangelegd. De in de voornoemde voorschriften 6 en 8 neergelegde verplichting en met de daaraan verbonden periode waarbinnen de rietaanplant moet zijn voltooid en aangeslagen, zijn hiermee komen te vervallen. Het college is derhalve niet meer bevoegd om op grond daarvan te besluiten tot het toepassen van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen.

Gelet hierop ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of [appellant] nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 februari 2007 in zaak nr. 200604193/1) kan er, in een geval als hier aan de orde, procesbelang bestaan, indien appellant stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.

2.4.2. Desgevraagd heeft [appellant] ter zitting verklaard dat de in dit verband door hem gestelde schade, enkel verband houdt met het niet kunnen uitoefenen van zijn exploitatierechten op het riet vanwege de afwezigheid van rietaanplant aan de insteek van de zandwinning.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de exploitatierechten van [appellant] op riet, die voortvloeien uit een in de notariële akte van 17 december 1993 opgenomen overeenkomst, reeds ten tijde van het bestreden besluit waren vervallen, omdat hij de eveneens in voornoemde overeenkomst opgenomen koopoptie op de zandwinput, waaraan deze exploitatierechten waren verbonden, onbenut heeft gelaten.

[appellant] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij de door hem gestelde schade lijdt ten gevolge van het bestreden besluit. Hij heeft dan ook geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit.

2.5. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

375-685.