Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9462

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201105895/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 oktober 2010 heeft het college aan [belanghebbende] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een overkapping op het perceel [locatie] te Beringe (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105895/1/A4.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Beringe, gemeente Peel en Maas,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 april 2011 in zaak nr. 2010/1617 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2010 heeft het college aan [belanghebbende] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een overkapping op het perceel [locatie] te Beringe (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 15 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 juni 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2012, waar [appellant], in persoon, bijgestaan door mr. C. Billen, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.M.H. Merx en R.A.H. Boots, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de plaatsing van een als overkapping aangeduid bouwwerk dat, gelet op de gedeeltelijke omsluiting met wanden, als bijgebouw bij de woning moet worden aangemerkt (hierna te noemen: de overkapping).

2.2. Ingevolge het geldende bestemmingsplan "Partiële herziening van het bestemmingsplan BUITENGEBIED - artikel 30 W.R.O. - van de gemeente Helden", zoals dat luidt met inachtneming van de "Herziening ARIBA, gemeente HELDEN" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden W".

Ingevolge artikel 2.11, derde lid, onder B en 3, mag de totale bebouwde oppervlakte van de bijgebouwen niet meer bedragen dan 70 m2, waarbij ten minste 60% van de bestemming onbebouwd moet blijven. Vast staat dat de totale bebouwde oppervlakte van de bijgebouwen met inachtneming van de overkapping zal worden overschreden.

Teneinde de gevraagde bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college ontheffing verleend met toepassing van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gelezen in verbinding met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

2.3. Het college heeft ontheffing verleend met inachtneming van het beleidsuitgangspunt voor bestaande woningen in het buitengebied, neergelegd in het "Structuurplan Buitengebied regio Peel en Maas", inhoudende dat voor alle gebouwen op een perceel tezamen een totale inhoudsmaat van 1000 m3 per bouwperceel geldt, waarbij het vergroten van de bebouwing tot meer dan 1000 m3 in principe mogelijk is, wanneer een tegenprestatie wordt geleverd die gericht is op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de totale inhoud van de woning en de bijbehorende bijgebouwen op het perceel, inclusief de overkapping, meer dan 1000 m3 zal bedragen. [appellant] wijst in dit verband op de door hem overgelegde berekeningen door Bouwkundig Ontwerp/tekenburo Kessels (hierna: B.O.K.). Voorts betoogt [appellant] dat de op het perceel aanwezige garage 1,16 m breder is gebouwd dan vergund en dat de aanwezige berging door de hoogte van 3,21 m hoger is dan op grond van het bestemmingsplan toegestaan.

2.4.1. Het geschil heeft uitsluitend betrekking op de verleende ontheffing en bouwvergunning voor de overkapping. Hetgeen [appellant] in hoger beroep aanvoert tegen het besluit van het college op zijn verzoek om handhaving met betrekking tot de garage en de berging dient dan ook buiten beschouwing te blijven.

2.4.2. Het college heeft voor de wijze van meten aansluiting gezocht bij de wijze van meten zoals in het bestemmingsplan bepaald. Ingevolge artikel 1.02, aanhef en vijfde lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, wordt bij de toepassing van deze voorschriften de inhoud van een bouwwerk buitenwerks tussen de gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren en dakvlakken gemeten, zulks met inbegrip van erkers en dakkapellen en boven de begane grondvloer. Het college heeft de totale inhoud van de woning en de bijbehorende bijgebouwen op het perceel, inclusief de overkapping, aldus bepaald op 902 m3.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de berekeningen door B.O.K. geen grond bieden om aan te nemen dat, in weerwil van de berekening door het college, uitgegaan moet worden van een inhoud van meer dan 1000 m3, nu de berekeningen door B.O.K. niet zijn uitgevoerd overeenkomstig de wijze van meten zoals bepaald in het bestemmingsplan. Datzelfde geldt voor de in hoger beroep overgelegde nieuwe berekeningen door B.O.K., welke niet zijn beperkt tot de oppervlakte boven de begane grondvloer. Voorts heeft de rechtbank, zoals niet door [appellant] is bestreden, terecht overwogen dat, ook al zou er een (geringe) overschrijding van de gestelde maat zijn, dit niet betekent dat het college daarom de gevraagde ontheffing niet had mogen verlenen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

457-727.