Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201106654/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2011, nr. 011.035.0038, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2005, partiële herziening [locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106654/1/R1.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Milieuraad den Ham-Vroomshoop, gevestigd te Den Ham, gemeente Twenterand,

appellante,

en

de raad van de gemeente Twenterand,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2011, nr. 011.035.0038, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2005, partiële herziening [locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2012, waar de Stichting, vertegenwoordigd door G.H. Kollenstaart en T.A.A.M. Ausems, en de raad, vertegenwoordigd door J. van Beesten-Heuver, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord [belanghebbende].

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet, naast het bestemmen van de (voormalige) dubbele bedrijfswoning aan Lindrot 3a en 3b tot burgerwoningen, in de bouw van een nieuwe woning op het perceel [locatie] te Den Ham (hierna: het perceel) in verband met de sloop van de ter plaatse aanwezige agrarische bedrijfsbebouwing.

2.2. De Stichting richt zich in beroep tegen het plan, voor zover het voorziet in de bouw van een nieuwe woning. Zij betoogt dat bij de afweging om een nieuwe woning toe te laten, de waarde van het cultuurhistorische essenlandschap niet dan wel onvoldoende is betrokken. Zij wijst in dit verband op het gemeentelijk beleid neergelegd in de beleidsnota "Rood-voor-Rood met gesloten beurs" (hierna: de Rood-voor-Rood regeling) en het Landschapsontwikkelingsplan Noordoost Twente en Twenterand, gemeentelijke uitwerking (hierna: het landschapsontwikkelingsplan). Zij voert aan dat niet is bezien of herbouw op deze locatie gewenst is. Verder betoogt de Stichting dat niet is voldaan aan de eis dat bij de bouw van een landhuis minimaal 1,5 ha wordt aangewend voor versterking van het landschap. Voorts ontbreken in het plan de randvoorwaarden voor de landschappelijke inpassing, waaronder het weren van erfafscheidingen. In dit verband wijst zij op de welstandsnota. Ook had volgens de Stichting ter bescherming van de es een omgevingsvergunningplicht voor ophogen, verlagen en vergraven van de es in het plan moeten worden opgenomen.

2.3. De raad stelt zich op het standpunt dat voldaan is aan de uitgangspunten van het Landschapsontwikkelingsplan en dat sprake is van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Voorts kan op basis van de Rood-voor-Rood regeling en de Landhuizenregeling na sloop van voormalige agrarische bebouwing een woning worden gebouwd met de daarbij behorende landschappelijke inpassing. Daartoe is een overeenkomst gesloten. Wat betreft de erfafscheiding merkt hij op dat het plaatsen daarvan omgevingsvergunningsvrij is. Een omgevingsvergunningplicht ter bescherming van de es acht de raad niet nodig, omdat in het voorheen geldende bestemmingsplan evenmin een dergelijke plicht is opgenomen.

2.4. Aan het perceel is de bestemming "Wonen-Landhuis" toegekend en aan de daaraan grenzende gronden de bestemming "Agrarisch".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Wonen-Landhuis" bestemd voor woningen met bijhorende tuinen en erven.

Ingevolge lid 5.2, aanhef en onder a, is per bestemmingsvlak één woning met daarbij behorende ondergeschikte gebouwen toegestaan met:

1. een totale maximale inhoud van 2000 m³;

2. een maximale bouwhoogte van 10 m en een goothoogte van 6 m voor het hoofdgebouw;

3. een maximale bouwhoogte van 6 m en een goothoogte van 3 m voor ondergeschikte gebouwen;

4. de afstand van ondergeschikte gebouwen tot het hoofdgebouw bedraagt maximaal 25 m.

Ingevolge die aanhef en onder b, mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van antennemasten maximaal 15 m mag bedragen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" bestemd voor:

a. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:

1. een sierteeltbedrijf niet is toegestaan;

2. intensieve veehouderij uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied" en ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij";

b. watergangen ten behoeve van de waterhuishouding;

c. het vasthouden, bergen en afvoeren van water voor bestaande watergangen;

een en ander met bijbehorende bebouwing en voorzieningen.

Ingevolge lid 3.2 zijn uitsluitend toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een bouwhoogte van maximaal 2 m, met dien verstande dat geen sleufsilo's en mestopslagplaatsen mogen worden opgericht.

Ingevolge bijlage II, artikel 2, aanhef en onder 12, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is geen omgevingsvergunning vereist voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), indien de activiteiten betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 1 m, of

b. niet hoger dan 2 m, en

1) op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

2) achter de voorgevelrooilijn, en

3) op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

2.5. In de plantoelichting is beschreven dat het plangebied is gelegen in het essen- en kampenlandschap deelgebied "Hallerhoek/Linderflier". Daarbij wordt gewezen op de in het Landschapsontwikkelingsplan gelegde accenten. Ter uitvoering van het Landschapsontwikkelingsplan is een inrichtingsplan opgesteld. Gelet hierop heeft de raad de waarden van het essenlandschap bij de afweging betrokken.

2.6. In de Rood-voor-Rood regeling staat onder het kopje situering bouwkavel en gebiedsdifferentiatie dat uitgangspunt is het terugbouwen van de woning op de slooplocatie. Indien terugbouwen op de locatie niet mogelijk is, kan op een locatie elders op een nieuw op te nemen bouwblok teruggebouwd worden, mits passend uit een oogpunt van milieu, ruimtelijke ordening en overige beleidsregels. Gelet op het uitgangspunt heeft de raad in hetgeen de Stichting heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om nader te bezien of terugbouw op de slooplocatie wel gewenst is. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat terugbouw ter plaatse niet mogelijk is.

2.7. In de plantoelichting staat dat op basis van de Rood-voor-Rood regeling en de regeling 'Nieuwe landhuizen door sanering' in ruil voor de sloop van de niet karakteristieke gebouwen en een verbetering van de landschappelijke inpassing, een nieuwe woning groter dan 750 m³ kan worden toegestaan. Verder staat vermeld dat de voorwaarden onder meer zijn enkelvoudige bewoning, de sloop van in principe alle opstallen (minimaal 800 m² aan bedrijfsgebouwen), garanties voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en het inzetten van een aansluitend gebied van ten minste 1,5 ha voor het versterken van de landschappelijke waarden.

In het Landschapsontwikkelingsplan staat met betrekking tot het gebied vermeld dat kleinschalige afwisseling in het grondgebruik tussen de hogere koppen en de lagere delen in dit oude cultuurlandschap dient te worden gestimuleerd, om ruimte te bieden aan kleinschalige ontwikkelingen gecombineerd met aanleg van landschapelementen en groenstructuren langs de randen van de escomplexen. Actief herstel van kleine landschapselementen en erfbeplantingen en het stimuleren van grondgebonden landschap (akkerproducten) op de essen en kampen kunnen de kleinschalige variatie tot uitdrukking brengen. Mogelijke tegenprestaties gekoppeld aan het erf zijn: aanleg van erfbeplanting in de vorm van kleine bosjes, houtsingels, hagen en solitaire bomen, herstel van steilranden en akkerrandenbeheer.

Het plandeel met de bestemming "Wonen-Landhuis" is gesitueerd ter plaatse van de te slopen bedrijfsbebouwing, zodat anders dan de Stichting betoogt het plan niet leidt tot verdere aantasting van de es. Gelet op het verhandelde ter zitting, waarbij de raad en de Stichting aan de hand van foto's een nadere toelichting gegeven hebben op de zichtlijnen op de es vanaf de Daarleseweg, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door andere reeds aanwezige belemmeringen met de realisering van het plan en het inrichtingsplan het zicht op de es niet wordt aangetast.

Ter plaatse was op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2005" een intensieve veehouderij toegestaan met een bouwperceel van 1 ha, dat volledig kon worden bebouwd. Het plandeel met de bestemming "Wonen-Landhuis" heeft een oppervlakte van ongeveer 0,6 ha. Alle ter plaatse aanwezige landschapontsierende bedrijfsbebouwing met een oppervlakte 1362 m² zal worden gesloopt. In het inrichtingssplan zijn ter plaatse van het erf solitaire bomen voorzien en struweel met overstaanders. Verder is voorzien in het versterken van bestaande boomgroepen. Aansluitend aan het plandeel met de bestemming "Wonen-Landhuis" is aan de gronden met een oppervlakte van ongeveer 1,6 ha de bestemming "Agrarisch" toegekend. In het inrichtingsplan zijn die gronden aangeduid als "begraasd gebied". Het inrichtingsplan is opgesteld door Bijkerk c.s. Tuin- en landschapsarchitecten. In de toelichting staat dat met dit inrichtingsplan wordt beoogd de versterking van de aanwezige structuren en het landschappelijk inpassen van de nieuwe woning. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat met het inrichtingsplan genoemd oogmerk niet kan worden bereikt. Daarbij betrekt de Afdeling dat het inrichtingsplan in overleg met de ervenconsulent van het Oversticht tot stand is gekomen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen de Stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met realisering van het plan en het inrichtingsplan voldaan wordt aan de gestelde eisen tot versterking van de landschappelijke waarden.

2.8. Nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad de landschappelijke inpassing als neergelegd in het inrichtingsplan noodzakelijk acht met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, heeft de raad de uitvoering daarvan ten onrechte niet in het plan geregeld. De omstandigheid dat in de toelichting van het plan naar het inrichtingsplan wordt verwezen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu de toelichting geen deel uitmaakt van het plan en niet bindend is. Evenmin geeft de tussen de gemeente en [belanghebbende], eigenaar van het perceel, gesloten overeenkomst aanleiding voor een ander oordeel, omdat deze overeenkomst niet in de weg staat aan de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning met daarbij behorende gebouwen. Het betoog van de Stichting dat de landschappelijke inpassing onvoldoende is gewaarborgd in het plan, slaagt.

2.9. Gelet op de mogelijkheden ingevolge het Bor om zonder omgevingsvergunning een erfafscheiding op te richten heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het opnemen van regels omtrent het toestaan van erfafscheidingen in dit geval niet de door de Stichting gewenste waarborg tot behoud van de openheid kan bieden.

2.10. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de door de Stichting genoemde es een geringe verhoging in het landschap is, waarvan de glooiing pas in het meest westelijk gelegen deel van de gronden binnen het plangebied begint. De Stichting heeft dit niet weersproken. Gelet op de feitelijke situatie heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de gronden binnen het plangebied niet zodanige waarden aanwezig zijn dat deze door een omgevingvergunningplicht voor ophogen, verlagen en vergraven beschermd dienen te worden.

2.11. Wat betreft het betoog van de Stichting over de reeds uitgevoerde werkzaamheden op het perceel, overweegt de Afdeling dat deze een aspect van uitvoering betreffen die in een eventuele handhavingsprocedure aan de orde kunnen komen.

2.12. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening te worden vernietigd.

2.13. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Twenterand van 19 april 2011, nr. 011.035.0038;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Twenterand tot vergoeding van bij de stichting Stichting Milieuraad den Ham-Vroomshoop in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 46,52 (zegge: zesenveertig euro en tweeënvijftig cent);

IV. gelast dat de raad van de gemeente Twenterand aan de stichting Stichting Milieuraad den Ham-Vroomshoop het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

270.