Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9448

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201104688/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2009 heeft het college aan HTM vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een tractieonderstation ten behoeve van tramlijnen aan de Conradkade ter hoogte van nummer 91 te Den Haag (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104688/1/A1.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschap HTM Personenvervoer N.V., gevestigd te Den Haag (hierna: HTM),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 maart 2011 in zaak nr. 09/6298 in het geding tussen:

[wederpartij] en anderen, allen wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2009 heeft het college aan HTM vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een tractieonderstation ten behoeve van tramlijnen aan de Conradkade ter hoogte van nummer 91 te Den Haag (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 juli 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, de door [wederpartij] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 juli 2009 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft HTM bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 mei 2011.

[wederpartij] en anderen hebben verweerschriften ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2012, waar HTM, vertegenwoordigd door mr. C.M.M. Hogervorst, ing. C.L.W. Lagendijk en R. Vrolijk, en het college, vertegenwoordigd door A.C. Visser, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Daar zijn voorts [wederpartij] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Duinoord", rust op het perceel de bestemming "Straat".

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden, welke blijkens de kaart als zodanig zijn aangewezen, bestemd voor een straat met een doorgaande rijbaan, fietspaden of fietsstroken, voetpaden, parkeerplaatsen en bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer, verkeersgeleiders, bermen en groenvoorzieningen.

Ingevolge het tweede lid mogen op deze gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming en voor doeleinden van kunst of openbaar nut - zoals abri's, telefooncellen en openbare toiletten - alsmede kiosken en vitrines, met dien verstande dat:

a. de inhoud van een gebouw niet meer dan 15 m³ mag bedragen;

b. de goothoogte van een gebouw niet meer dan 3 m mag bedragen.

2.2. Het bouwplan voorziet in de realisering van een tractieonderstation ten behoeve van het openbaar vervoer, bestaande uit twee containers met daaromheen een muur. Het bouwplan is in strijd met artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften. Om niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college vrijstelling verleend ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.3. Het betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 21 juli 2009 niet van een deugdelijke motivering is voorzien, omdat niet duidelijk is of het bouwplan van een dak zal worden voorzien, en het betoog dat de rechtbank een onjuist oordeel heeft gegeven over de welstand zijn ter zitting door HTM ingetrokken.

2.4. HTM betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het rapport van L. van Kesteren en O. Hoekstra, werkzaam bij TÜVRheinland Electronic Products and Service (EPS) B.V., van 22 april 2009, niet zonder meer aan zijn besluit van 21 juli 2009 ten grondslag had mogen leggen, omdat daarin wordt geconcludeerd dat de jaargemiddelde stralingswaarde op basis van het verrichte onderzoek niet kan worden vastgesteld. Daartoe voert HTM aan dat de berekening van een jaargemiddelde stralingswaarde niet nodig is, omdat als normwaarde voor de elektromagnetische veldsterkte aansluiting dient te worden gezocht bij de in aanbeveling 1999/519/EC van de Raad van de Europese Unie van 12 juli 1999 gestelde limiet van 100 microtesla.

2.4.1. De rechtbank heeft overwogen dat uit het onderzoek van prof.dr.ir. P. Kruit en ing. J. Nonhebel, beiden werkzaam bij Technische Universiteit Delft, van 20 februari 2008 blijkt dat de waarde van de gemeten magnetische veldsterkte ver onder 0,4 microtesla blijft. Uit dit onderzoek volgt dat het de gemiddelde waarde over een jaar betreft. De rechtbank heeft voorts overwogen dat uit voormeld rapport van Van Kesteren en Hoekstra volgt dat er waarden zijn aangetroffen die boven 0,4 microtesla liggen, maar dat geen waarde is aangetroffen die boven het internationale referentieniveau van de Europese Unie van 100 microtesla ligt. Uit dit rapport volgt dat met deze laatste waarde een maximale waarde is bedoeld en dat de aangetroffen waarde ver onder 100 microtesla ligt. Voorts is in dit rapport geconcludeerd dat de jaargemiddelde stralingswaarde op basis van het verrichte onderzoek niet kan worden vastgesteld. Het college heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat het het (gemaximeerde) internationale referentieniveau van de Europese Unie hanteert en dat dit referentieniveau tevens rijksbeleid is, omdat de in de onderzoeken genoemde (jaargemiddelde) norm van 0,4 microtesla niet op tractieonderstations ziet maar op hoogspanningslijnen. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als normwaarde voor de elektromagnetische veldsterkte aansluiting dient te worden gezocht bij het internationale referentieniveau van de Europese Unie. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, nu het rapport van Van Kesteren en Hoekstra geen uitsluitsel geeft over de jaargemiddelde stralingswaarde, verder onderzoek was geboden en dat het college voormeld rapport om die reden niet zonder meer aan zijn besluit van 21 juli 2009 ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.4.2. Vast staat dat [wederpartij] en anderen geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De overwegingen van de rechtbank dat het college het internationale referentieniveau van de Europese Unie van 100 microtesla heeft kunnen hanteren, en dat in het rapport van Van Kesteren en Hoekstra van 22 april 2009 wordt geconcludeerd dat voormelde waarde niet wordt overschreden, zijn voorts niet door HTM bestreden. Gelet op de overweging van de rechtbank dat het college het internationale referentieniveau van de Europese Unie heeft kunnen hanteren en het door het college ingenomen standpunt, dient de overweging van de rechtbank aldus te worden begrepen, dat het college zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt heeft gesteld dat de (jaargemiddelde) norm van 0,4 microtesla niet op tractieonderstations van toepassing is. De Afdeling ziet, anders dan de rechtbank, dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat nader onderzoek naar de jaargemiddelde stralingswaarde is geboden. Nu de rechtbank alleen in verband met het ontbreken van de jaargemiddelde stralingswaarde heeft overwogen dat het college het rapport van 22 april 2009 niet aan zijn besluit van 21 juli 2009 ten grondslag heeft kunnen leggen, bestaat - anders dan de rechtbank heeft overwogen - geen grond voor het oordeel dat het college voormeld rapport niet zonder meer aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

Het betoog slaagt. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de beslissing van de rechtbank, gelet op het navolgende, juist is.

2.5. HTM betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een onderzoek naar de elektromagnetische veldsterkte in de woning van [wederpartij A] noodzakelijk is, gelet op de afstand van het tractieonderstation van minder dan 10 m tot aan zijn woning, de door [wederpartij A] gestelde hinder op zijn muziekapparatuur, de in de brochure van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure) aanbevolen afstand voor gevaar van minimaal 10 m en de door HTM gehanteerde afstandseis van minimaal 10 m. Daartoe voert HTM aan dat het bestemmingsplan de bouw van een tractieonderstation mogelijk maakt en dat zij reeds onverplicht onderzoek heeft gedaan naar de magneetveldsterkte op de gevel van de woning van [wederpartij A]. HTM wijst er voorts op dat de rechtbank ten aanzien van geluidsoverlast in de woningen van omwonenden heeft overwogen dat het college voldoende gemotiveerd is afgeweken van de in de VNG-brochure aanbevolen afstand met betrekking tot geluid.

2.5.1. Niet bestreden is de overweging van de rechtbank dat het college voldoende gemotiveerd is afgeweken van de in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 30 m voor geluid, nu uit het door het college opgestelde rapport van 25 maart 2009 volgt dat zich tijdens het onderzoek geen overschrijdingen van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau voordeden als bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. De rechtbank heeft daarmee geen oordeel gegeven over de motivering van het college over de aanbevolen afstand met betrekking tot gevaar. Geen aanknopingspunten zijn aanwezig voor het oordeel dat de ter zake in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 10 m voor gevaar, ziet op het voorkomen van elektromagnetische storing.

Uit de aan het besluit van 21 juli 2009 ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing van het college van 30 januari 2009 volgt dat het tractieonderstation dient ter vervanging van het station op de voormalige locatie aan de Dibbetstraat, dat op die locatie storingen in de buurt veroorzaakte en te weinig vermogen bood. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt voorts dat door HTM onderzoek is gedaan naar alternatieve locaties om nog meer storingen in de buurt te voorkomen, waarbij HTM als eisen heeft gesteld dat de nieuwe locatie dicht op de traminfrastructuur gerealiseerd moet worden, bereikbaar moet zijn voor zwaar materieel, binnen een afstand van ongeveer 20 m van het 10 kV netwerk moet zijn en voorts vrij van gebouwen. In het "Plan voor vervanging van het onderstation op een nieuwe locatie" van 7 maart 2005, dat onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing, is gespecificeerd dat onder de eis "vrij van gebouwen" onder meer wordt verstaan dat het te realiseren tractieonderstation niet in de nabijheid van computernetwerken en beeldschermen wordt gerealiseerd, met een richtafstand van 10 m. In de brief van H. van der Horst van 18 juli 2008, die onderdeel is van de ruimtelijke onderbouwing, staat dat onderzoek van prof.dr.ir. P. Kruit en ing. J. Nonhebel van 20 februari 2008 heeft aangetoond dat het eerder genoemde nadeel ten aanzien van zogeheten EMC storingen niet aan de orde is. Voormelde conclusie is echter niet in het onderzoek van Kruit en Nonhebel opgenomen. Nu het college heeft onderkend dat een tractieonderstation elektromagnetische storing kan veroorzaken in de woningen dan wel aan de apparatuur van omwonenden, en het bouwplan op minder dan 10 m van woningen is voorzien, was nader onderzoek door het college naar de gevolgen van de realisering van het tractieonderstation op de onderhavige locatie voor omwonenden aangewezen. De rechtbank heeft dat onderkend en terecht overwogen dat het besluit van het college van 21 juli 2009 op dit onderdeel onzorgvuldig is voorbereid.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012

531-672.