Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
201111372/1/A4 en 201111372/2/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft het college aan [belanghebbende] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie 1] te Oud Gastel. Dit besluit is op 15 september 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/414
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111372/1/A4 en 201111372/2/A4.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op de beroepen, in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

2. [appellant sub 2], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

en

het college van burgemeester en wethouders van Halderberge,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft het college aan [belanghebbende] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie 1] te Oud Gastel. Dit besluit is op 15 september 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2011, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brieven als waarmee [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep hebben ingesteld hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 16 februari 2012, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], in persoon, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, gehoord.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

Onmiddellijk uitspraak hoofdzaak

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Wettelijk kader

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Ontvankelijkheid

2.3. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.3.1. [appellant sub 1] heeft geen zienswijze naar voren gebracht. [appellant sub 1] stelt zich op het standpunt dat dit hem niet kan worden verweten, omdat hij ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, niet in de nabijheid van de inrichting woonachtig was.

Ter zitting heeft [appellant sub 1] medegedeeld dat hij op 14 maart 2011 het koopcontract voor de woning aan de [locatie 2], waar hij thans woonachtig is, heeft getekend. Het ontwerpbesluit heeft vanaf 31 maart 2011 ter inzage gelegen, zodat [appellant sub 1] voordat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is aangevangen het koopcontract heeft getekend. Gelet hierop kon [appellant sub 1] tijdig van het voornemen om een milieuvergunning te verlenen op de hoogte zijn, zodat hij in de gelegenheid was om een zienswijze naar voren te brengen. Hetgeen [appellant sub 1] stelt leidt niet tot het oordeel dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze naar voren te hebben gebracht. Het beroep van [appellant sub 1] is daarom niet-ontvankelijk.

Milieueffectrapport

2.4. [appellant sub 2] voert aan dat het college ten onrechte heeft besloten dat geen verplichting bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport. Hij voert hiertoe aan dat door de toename van het vergunde aantal zeugen de drempelwaarde voor zeugen zoals genoemd in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer) wordt overschreden.

2.4.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu.

Ingevolge het derde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

In categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit is als activiteit waarvoor bij de voorbereiding van een besluit het maken van een milieueffectrapport verplicht is, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 900 plaatsen voor zeugen.

2.4.2. De reeds vergunde situatie ziet op het houden van 1.120 zeugen. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 1.218 zeugen.

2.4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 9 maart 2011 in zaak nr. 201006983/1/M2), is bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het maken van een milieueffectrapport op grond van het Besluit mer slechts verplicht indien die uitbreiding meer bedraagt dan de van toepassing zijnde drempelwaarde uit de bijlage bij het Besluit mer. Vergunning is gevraagd voor een uitbreiding van de inrichting met 98 zeugen, zodat de in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer opgenomen drempelwaarde niet wordt overschreden. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat voor het opstellen van een milieueffectrapport geen verplichting bestond.

De beroepsgrond faalt.

Beoordelingskader

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geur

2.6. [appellant sub 2] voert aan dat het college ten onrechte de geurhinder van de inrichting heeft getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij. Volgens [appellant sub 2] is de normering van deze wet achterhaald.

2.6.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

2.6.2. De Wet geurhinder en veehouderij vormt ingevolge het eerste lid van artikel 2 bij vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer wat betreft de van de dierenverblijven in de inrichting te verwachten geurhinder het exclusieve toetsingskader. Het college heeft daarom terecht de geurhinder vanwege de inrichting getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij.

De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant sub 2] voert aan dat niet vaststaat dat aan de toegepaste geurnorm van 8 ou/m3 wordt voldaan. Volgens hem had naast de berekende geuremissie van de inrichting in de aangevraagde situatie ook de geuremissie van de inrichting in de feitelijke situatie beoordeeld dienen te worden.

2.7.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef onder d, van de Wet geurhinder en veehouderij wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, buiten de bebouwde kom buiten een concentratiegebied meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.

2.7.2. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegd gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De feitelijke situatie doet in zoverre niet ter zake, zodat er voor het college ook geen aanleiding bestond om de geuremissie in de feitelijke situatie te beoordelen.

Aan het bestreden besluit ligt een geurberekening ten grondslag van 8 juli 2010. Deze berekening ziet op de geuremissie vanwege de inrichting in de aangevraagde situatie. [appellant sub 2] heeft niet heeft bestreden dat op basis van deze geurberekening kan worden vastgesteld dat in de situatie zoals aangevraagd aan de geurnorm van 8 ou/m3 kan worden voldaan.

De beroepsgrond faalt. Dit neemt niet weg dat mocht in de praktijk blijken dat de geurnorm van 8 ou/m3 feitelijk niet wordt nageleefd, belanghebbenden ter zake om het treffen van bestuurlijke handhavingsmiddelen kunnen vragen.

Ammoniak

2.8. [appellant sub 2] voert aan - zo begrijpt de Afdeling - dat het college de vergunning op basis van de omgevingstoets als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav) had dienen te weigeren. [appellant sub 2] stelt zich op het standpunt dat onder meer vanwege de hoge ammoniakemissie van de inrichting van 4.833,4 kg per jaar en het gegeven dat de inrichting binnen 250 meter van het kwetsbare natuurgebied Gastels Laag is gelegen, een extra reductie van de ammoniakemissie had dienen te worden gerealiseerd.

2.8.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wav betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge artikel 3, derde lid, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een gpbv-installatie - zoals hier aan de orde - in afwijking van het eerste lid eveneens geweigerd, indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden aan de milieuvergunning moeten worden verbonden, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd.

2.8.2. Het college heeft voor het toepassen van de omgevingstoets zoals neergelegd in artikel 3, derde lid, van de Wav aansluiting gezocht bij de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij van 25 juni 2007 van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Beleidslijn).

2.8.3. Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer samen met de Regeling aanwijzing BBT-documenten, is het college verplicht bij vergunningverlening rekening te houden met de Beleidslijn.

Volgens de Beleidslijn kan bij uitbreiding van een zogeheten IPPC-veehouderij, zoals hier aan de orde, worden volstaan met toepassing van de beste beschikbare technieken zolang de totale jaarlijkse ammoniakemissie niet meer bedraagt dan 5.000 kg. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding, uitgaande van toepassing van de beste beschikbare technieken, meer dan 5.000 kg, dan dient boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van de toepassing van de beste beschikbare technieken te worden gerealiseerd.

2.8.4. [appellant sub 2] heeft niet bestreden dat wat betreft de aangevraagde stalsystemen de beste beschikbare technieken worden toegepast. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat nu de ammoniakemissie vanwege de inrichting onder de in de Beleidslijn genoemde hoeveelheid van 5.000 kg blijft, geen extra emissiereducerende technieken toegepast behoeven te worden.

2.8.5. Uit het bestreden besluit volgt dat anders dan waarvan [appellant sub 2] uitgaat de totale ammoniakemissie vanwege de inrichting 2.439,7 kg per jaar bedraagt. Dit is minder dan 5.000 kg, zodat op grond van de Beleidslijn geen strengere emissie-eisen hoeven te worden gesteld.

Gelet hierop geeft hetgeen [appellant sub 2] aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de omgevingstoets geen aanleiding geeft om de vergunning te weigeren.

De beroepsgrond faalt.

Energieverbruik

2.9. [appellant sub 2] voert aan dat het college ten onrechte aan de vergunning geen aanvullende voorschriften met betrekking tot het energieverbruik van de inrichting heeft verbonden. Volgens [appellant sub 2] is onduidelijk welke maatregelen worden genomen om het energieverbruik te beperken.

2.9.1. Het college stelt zich in het bestreden besluit, voor zover hier van belang, op het standpunt dat, gelet op hetgeen in de aanvraag is opgemerkt met betrekking tot het verminderen van het energieverbruik, voldoende inspanning wordt verricht om het energieverbruik in de inrichting te reduceren. Het college acht het daarom niet nodig om aanvullende voorschriften over het energieverbruik aan de vergunning te verbinden.

2.9.2. In de aanvraag zijn als energiereducerende maatregelen het toepassen van energiezuinige verlichting, energiezuinige ventilatie en een hoog rendement centrale verwarmingsketel (Hr-ketel), genoemd. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college aanvullende voorschriften over het energieverbruik aan de vergunning had moeten verbinden.

De beroepsgrond faalt.

Overige gronden

2.10. Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat thans ten onrechte geen handhavingsmiddelen worden toegepast in verband met de van de inrichting ondervonden geurhinder, stelt de voorzitter vast dat het beroep zich in zoverre niet richt tegen de ter beoordeling staande vergunning als zodanig. Het al dan niet treffen van handhavingsmaatregelen kan in het kader van de procedure tot vergunningverlening niet aan de orde komen.

Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat de inrichting vanwege de hoge personeelskosten in verband met de uitbreiding van het veebestand onvoldoende rendabel is, overweegt de voorzitter dat bij de beoordeling van een op grond van de Wet milieubeheer verleende vergunning slechts de nadelige gevolgen voor het milieu die door de inrichting worden veroorzaakt kunnen worden betrokken. Het betoog van [appellant sub 2] ziet hier niet op.

Conclusie

2.11. Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.12. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] af te wijzen.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

III. wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Schoppers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

578.