Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9262

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
201007907/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ASIEL. Zorgvuldigheid. Nu de minister het advies om de vreemdeling voorafgaand aan het nemen van het besluit aan psychiatrisch onderzoek te onderwerpen, niet heeft opgevolgd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat door de handelwijze van de minister op voorhand het risico aanwezig was dat de vreemdeling niet naar behoren zou kunnen verklaren ten gevolge van zijn psychische situatie en dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het besluit.

Ter zitting van de rechtbank heeft de minister verklaard dat hij er niet aan twijfelt dat de vreemdeling lijdt aan PTSS. De minister heeft tevens erkend dat hij de vreemdeling, in strijd met het advies van Poelman, voorafgaand aan het nader gehoor noch nadien door een psychiater heeft laten onderzoeken. In hoger beroep heeft de minister betoogd dat deze handelwijze niet onzorgvuldig is, omdat hij de afwijzing van de aanvraag volledig heeft gegrond op verklaringen die de vreemdeling in het eerste gehoor heeft afgelegd en dat gehoor volgens Poelman zonder nader psychiatrisch onderzoek kon plaatsvinden. De minister gaat er daarmee aan voorbij dat hij in dit geval een aanmerkelijk zwaarder gewicht aan de door de vreemdeling tijdens het eerste gehoor afgelegde verklaringen heeft gehecht dan, gelet op het in de overwegingen 2.2.4. en 2.2.5. omschreven beperkte karakter van het eerste gehoor, gebruikelijk is en dan waarvan Poelman mocht uitgaan. Aan de verklaring van Poelman dat een eerste gehoor zonder nader psychiatrisch onderzoek kon plaatsvinden, kan daarom niet de betekenis worden toegekend die de minister daaraan met betrekking tot de afdoening van het asielverzoek gehecht wenst te zien. Dit geldt te meer nu uit het advies van Poelman volgt dat zijns inziens niet zonder nader psychiatrisch onderzoek op de asielaanvraag kon worden beslist. Dat de vreemdeling volgens de minister voorafgaand aan het eerste gehoor gebruik kon maken van professionele (rechts)hulpverlening en in Nederland aanwezige familieleden en bekenden, leidt, gelet op het hiervoor aangehaalde AI-rapport, niet tot een ander oordeel. Voor zover de minister het opmerkelijk acht dat in dat rapport is geconcludeerd dat de vreemdeling gezien zijn toestand ten tijde van het onderzoek op 22 september 2009 geen weerstand heeft kunnen bieden aan een advies dat hem in juni 2008 werd gegeven, faalt dit betoog. De vreemdeling wijst er in zijn verweerschrift terecht op dat Jansen hem weliswaar pas in september 2009 heeft onderzocht, maar wel de beschikking heeft gehad over de medische rapporten uit 2008, zodat hij heeft kunnen vaststellen of de toestand van de vreemdeling sindsdien is gewijzigd. Nu de minister zelf geen medisch onderzoek heeft laten verrichten waaruit aanknopingspunten blijken voor twijfel aan de kwaliteit en de uitkomsten van het door Jansen verrichte onderzoek, moet het er op grond van diens bevindingen voor worden gehouden dat het feit dat de vreemdeling zijn eerdere bezoek aan Nederland heeft verzwegen, direct verband houdt met zijn psychische klachten. Hoewel de minister er terecht op wijst dat het AI-rapport buiten beschouwing laat dat de vreemdeling de volgorde van zijn namen heeft gewijzigd en de aanwezigheid van familie in Nederland heeft verzwegen, laat dat onverlet dat uit de door de vreemdeling overgelegde medische rapporten genoegzaam blijkt dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat zijn psychische klachten de door hem afgelegde verklaringen ook op deze punten hebben beïnvloed. Nu de minister het advies om de vreemdeling voorafgaand aan het nemen van het besluit aan psychiatrisch onderzoek te onderwerpen, niet heeft opgevolgd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat door de handelwijze van de minister op voorhand het risico aanwezig was dat de vreemdeling niet naar behoren zou kunnen verklaren ten gevolge van zijn psychische situatie en dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het besluit van 17 juni 2009.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.110
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007907/1/V3.

Datum uitspraak: 7 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 15 juli 2010 in zaak nr. 09/25138 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2009 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de stelling van de vreemdeling dat hij zodanig was getraumatiseerd dat hij niet goed in staat was verklaringen af te leggen en op advies van andere asielzoekers heeft verzwegen dat hij eerder in Nederland was geweest, wordt ondersteund door de in het dossier aanwezige informatie. Gelet op de ten tijde van de behandeling van de asielaanvraag voorhanden zijnde medische informatie, waaronder met name de verklaring van dr. J.R. Poelman (hierna: Poelman), had de minister de vreemdeling eerst psychiatrisch dienen te laten onderzoeken, alvorens hem een nader gehoor af te nemen dan wel te beslissen op zijn asielaanvraag. De minister heeft ter zitting van de rechtbank bevestigd dat dit niet is gebeurd. Door deze handelwijze was op voorhand het risico aanwezig dat de vreemdeling niet naar behoren zou kunnen verklaren ten gevolge van zijn psychische situatie. De minister heeft onzorgvuldig gehandeld in de totstandkoming van het besluit, nu hij enerzijds achterwege heeft gelaten de vreemdeling nader psychiatrisch te laten onderzoeken, hij anderzijds van de vreemdeling heeft verlangd een grotere inspanning te leveren om te komen met een overtuigend relaas en bewijsstukken ten aanzien van zijn gestelde terugkeer naar Iran en hij minder waarde heeft gehecht aan het door de vreemdeling geleverde bewijs, omdat de vreemdeling aanvankelijk zijn verblijf in Nederland heeft verzwegen, aldus de rechtbank.

2.2.1. In de eerste en tweede grief, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de minister onder meer, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat hij de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling tijdens het nader gehoor gestelde asielmotieven niet inhoudelijk heeft beoordeeld. De conclusie dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en dat het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht heeft, is gebaseerd op verklaringen van de vreemdeling tijdens het eerste gehoor. De vreemdeling heeft eerst in de zienswijze zijn verklaringen gewijzigd. Mede gelet op de omstandigheid dat het ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op de weg van de vreemdeling ligt om zijn verklaringen aannemelijk te maken, bestaat geen grond om zijn gewijzigde verklaringen te beoordelen als eerste en enige verklaringen. Er mag van hem dan ook een grotere inspanning worden verwacht om zijn verklaringen aannemelijk te maken, aldus de minister.

De minister betoogt voorts dat de rechtbank, bij de beoordeling of aannemelijk is dat de vreemdeling zodanig was getraumatiseerd dat hij het advies van voor hem onbekende Iraniërs om een eerder verblijf in Nederland te verzwijgen, heeft moeten opvolgen, ten onrechte niet kenbaar heeft betrokken dat de vreemdeling vóór het eerste gehoor gebruik kon maken van professionele (rechts)hulpverlening en in Nederland aanwezige familieleden en bekenden. Uit het rapport van het Meldpunt Asielzoekers met Psychische Problemen (hierna: het MAPP) van 29 juni 2008 volgt bovendien niet eenduidig dat het vermogen van de vreemdeling om coherent en consistent te verklaren door psychische problemen zodanig is beïnvloed dat hij niet in staat was om te antwoorden op eenvoudige vragen zoals die zijn gesteld tijdens het eerste gehoor. Uit het rapport van Poelman van 11 augustus 2008 blijkt juist dat van de vreemdeling een eerste gehoor kon worden afgenomen. Het mailbericht van Th. Aerts van 24 maart 2009 gaat niet in op de vraag of de vreemdeling tijdens het eerste gehoor coherent en consistent kon verklaren. De minister acht het opmerkelijk dat in het rapport van de medische onderzoeksgroep van Amnesty International van 26 oktober 2009 (hierna: het AI rapport) wordt geconcludeerd dat de vreemdeling, gezien zijn toestand ten tijde van het onderzoek op 22 september 2009, geen weerstand kon bieden aan het advies dat hij bij zijn gestelde aankomst in Nederland in juni 2008 heeft gekregen. Bovendien laat deze rapportage buiten beschouwing dat de vreemdeling verschillende personalia heeft gebruikt en de aanwezigheid van familie in Nederland heeft verzwegen, aldus de minister.

2.2.2. De vreemdeling heeft Iran in januari 2008 op legale wijze verlaten en heeft in Nederland deelgenomen aan een karatewedstrijd. Hij stelt nadien te zijn teruggekeerd naar Iran en in juni 2008 opnieuw naar Nederland te zijn gekomen. Op 11 augustus 2008 heeft de vreemdeling een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De daaraan ten grondslag gelegde omstandigheden zouden zich na zijn terugkeer naar Iran in 2008 hebben voorgedaan. Niet in geschil is dat de vreemdeling bij zijn gehoren heeft verzwegen dat hij eerder in Nederland is geweest. Volgens de vreemdeling heeft hij dat op advies van andere asielzoekers gedaan en heeft hij door psychische problemen geen weerstand aan dat advies kunnen bieden.

2.2.3. Op 25 juni 2008 is de vreemdeling onderzocht door klinisch psycholoog A. Kievit, werkzaam bij het MAPP. Deze heeft in zijn rapport van 29 juni 2008 geconcludeerd dat de vreemdeling forse psychische problemen heeft en voldoet aan de criteria voor een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS). In een situatie waarin de vreemdeling gericht vragen moet beantwoorden, zal de mentale belastbaarheid beperkt zijn, hetgeen mogelijk zal interfereren met het vermogen om een coherent en consistent relaas te doen. Gezien de ernst van de klachten is verder onderzoek en behandeling door de GGZ geïndiceerd, aldus Kievit.

Voorafgaand aan het eerste gehoor heeft Poelman de vreemdeling op verzoek van de minister onderzocht. Volgens hem lijdt de vreemdeling aan een PTSS met gestoord denk- en belevingsvermogen. De vraag of de vreemdeling, gelet op zijn medische situatie, kon worden gehoord over zijn asielmotieven, heeft Poelman ontkennend beantwoord. Hij achtte de vreemdeling ten tijde van het onderzoek niet geschikt voor een nader gehoor. Een eerste gehoor kon volgens hem wel plaatsvinden. Verder heeft hij geconcludeerd dat een consult met een psychiater noodzakelijk was voor diagnose en behandeling.

In een e-mailbericht van 24 maart 2009 heeft maatschappelijk werker [..], werkzaam bij NIM Maatschappelijk Werk, verklaard dat de vreemdeling ernstig getraumatiseerd is en meerdere symptomen vertoont die erop kunnen duiden dat sprake is van een PTSS.

In het AI-rapport is vermeld dat de vreemdeling door extreme angsten, concentratieproblemen en enorme geagiteerdheid een eerder bezoek aan Nederland bij het eerste gehoor heeft verzwegen. De onderzoeker, dr. J.E. Jansen (hierna: Jansen), is van mening dat de vreemdeling, gezien zijn huidige toestand, door angst geen weerstand heeft kunnen bieden aan het advies deelname aan de karatekampioenschappen in Nederland in januari 2008 te verzwijgen.

2.2.4. Ingevolge artikel 3.110, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, zoals dat luidde ten tijde van belang, geschiedt het eerste gehoor overeenkomstig een bij ministeriële regeling vastgestelde vragenlijst. De vragenlijst bevat geen vragen omtrent de beweegredenen van de aanvraag.

Ingevolge artikel 3.44, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, zoals dat luidde ten tijde van belang, bevat die vragenlijst in ieder geval vragen omtrent de personalia van een vreemdeling, zijn geboorteplaats en geboortedatum, zijn nationaliteit en etnische afkomst, de datum van zijn vertrek uit het land van herkomst, de datum van zijn aankomst in Nederland, eventueel verblijf in derde landen, en het bezit van een paspoort en identiteitsdocumenten.

Ingevolge het tweede lid kunnen aanvullende vragen worden gesteld, indien de beantwoording van de vastgestelde vragen onvoldoende duidelijkheid verschaft.

Volgens paragraaf C12/1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, ten tijde en voor zover thans van belang, richt het eerste gehoor zich op vaststelling van de identiteit, nationaliteit en reisroute van de vreemdeling. Er worden geen vragen gesteld omtrent de beweegredenen van de aanvraag. In de praktijk komt het echter voor dat de vreemdeling al tijdens het eerste gehoor, zonder daarnaar gevraagd te zijn, zijn asielrelaas doet. In dat geval wordt de vreemdeling erop gewezen dat zijn asielmotieven eerst in het nader gehoor aan de orde komen.

2.2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 8 oktober 2002 in zaak nr. 200204720/1 en 14 februari 2003 in zaak nr. 200300012/1; JV 2002/414 en JV 2003/158) richt het eerste gehoor zich, gelet op de wijze waarop de asielprocedure is ingericht, niet op de asielmotieven van de vreemdeling. Dat neemt evenwel niet weg dat verklaringen die zijn afgelegd tijdens het eerste gehoor, aanleiding kunnen zijn voor gerede twijfel aan het asielrelaas en op voorhand afbreuk kunnen doen aan de geloofwaardigheid daarvan.

2.2.6. Ter zitting van de rechtbank heeft de minister verklaard dat hij er niet aan twijfelt dat de vreemdeling lijdt aan PTSS. De minister heeft tevens erkend dat hij de vreemdeling, in strijd met het advies van Poelman, voorafgaand aan het nader gehoor noch nadien door een psychiater heeft laten onderzoeken.

In hoger beroep heeft de minister betoogd dat deze handelwijze niet onzorgvuldig is, omdat hij de afwijzing van de aanvraag volledig heeft gegrond op verklaringen die de vreemdeling in het eerste gehoor heeft afgelegd en dat gehoor volgens Poelman zonder nader psychiatrisch onderzoek kon plaatsvinden. De minister gaat er daarmee aan voorbij dat hij in dit geval een aanmerkelijk zwaarder gewicht aan de door de vreemdeling tijdens het eerste gehoor afgelegde verklaringen heeft gehecht dan, gelet op het in de overwegingen 2.2.4. en 2.2.5. omschreven beperkte karakter van het eerste gehoor, gebruikelijk is en dan waarvan Poelman mocht uitgaan. Aan de verklaring van Poelman dat een eerste gehoor zonder nader psychiatrisch onderzoek kon plaatsvinden, kan daarom niet de betekenis worden toegekend die de minister daaraan met betrekking tot de afdoening van het asielverzoek gehecht wenst te zien. Dit geldt te meer nu uit het advies van Poelman volgt dat zijns inziens niet zonder nader psychiatrisch onderzoek op de asielaanvraag kon worden beslist.

Dat de vreemdeling volgens de minister voorafgaand aan het eerste gehoor gebruik kon maken van professionele (rechts)hulpverlening en in Nederland aanwezige familieleden en bekenden, leidt, gelet op het hiervoor aangehaalde AI-rapport, niet tot een ander oordeel. Voor zover de minister het opmerkelijk acht dat in dat rapport is geconcludeerd dat de vreemdeling gezien zijn toestand ten tijde van het onderzoek op 22 september 2009 geen weerstand heeft kunnen bieden aan een advies dat hem in juni 2008 werd gegeven, faalt dit betoog. De vreemdeling wijst er in zijn verweerschrift terecht op dat Jansen hem weliswaar pas in september 2009 heeft onderzocht, maar wel de beschikking heeft gehad over de medische rapporten uit 2008, zodat hij heeft kunnen vaststellen of de toestand van de vreemdeling sindsdien is gewijzigd. Nu de minister zelf geen medisch onderzoek heeft laten verrichten waaruit aanknopingspunten blijken voor twijfel aan de kwaliteit en de uitkomsten van het door Jansen verrichte onderzoek, moet het er op grond van diens bevindingen voor worden gehouden dat het feit dat de vreemdeling zijn eerdere bezoek aan Nederland heeft verzwegen, direct verband houdt met zijn psychische klachten.

Hoewel de minister er terecht op wijst dat het AI-rapport buiten beschouwing laat dat de vreemdeling de volgorde van zijn namen heeft gewijzigd en de aanwezigheid van familie in Nederland heeft verzwegen, laat dat onverlet dat uit de door de vreemdeling overgelegde medische rapporten genoegzaam blijkt dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat zijn psychische klachten de door hem afgelegde verklaringen ook op deze punten hebben beïnvloed. Nu de minister het advies om de vreemdeling voorafgaand aan het nemen van het besluit aan psychiatrisch onderzoek te onderwerpen, niet heeft opgevolgd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat door de handelwijze van de minister op voorhand het risico aanwezig was dat de vreemdeling niet naar behoren zou kunnen verklaren ten gevolge van zijn psychische situatie en dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het besluit van 17 juni 2009.

De grieven falen in zoverre.

2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank voorts overwogen dat de minister ten aanzien van een aantal door de vreemdeling overgelegde getuigenverklaringen onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze niet afkomstig zijn uit objectieve bronnen. Dit geldt met name voor de verklaringen van [referent] van 24 maart 2009 en [trainer]. Het enkele feit dat zij referent, onderscheidenlijk trainer/coach van de vreemdeling zijn geweest, maakt nog niet dat zij geen objectieve verklaring zouden kunnen afleggen. Daarnaast acht de rechtbank het aantal door de vreemdeling overgelegde stukken die wijzen op zijn terugkeer naar Iran en zijn aanwezigheid aldaar, zo groot dat de minister deze niet zonder nader onderzoek terzijde heeft kunnen schuiven, aldus de rechtbank.

2.3.1. In de derde grief klaagt de minister onder meer, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat de verklaring van [referent] niet nader is geconcretiseerd of onderbouwd en niet afkomstig is uit een objectief verifieerbare bron, omdat deze is opgesteld op verzoek van de vreemdeling en sprake is van een persoonlijke relatie tussen de vreemdeling en [referent]. De verklaring van [trainer] is niet gedateerd en er kan ook anderszins geen datering uit worden opgemaakt. Nu voorts mag worden aangenomen dat de vreemdeling een langdurige persoonlijke band met zijn trainer dan wel coach heeft en diens verklaring op verzoek van de vreemdeling is opgesteld, is deze verklaring evenmin afkomstig uit een objectief verifieerbare bron. Ten slotte heeft de rechtbank niet onderkend dat niet het aantal overgelegde stukken, maar de bron en inhoud daarvan relevant zijn voor de beoordeling en dat in de bestreden beschikking gemotiveerd op deze stukken is ingegaan, aldus de minister.

2.3.2. De klacht van de minister is terecht voorgedragen. De grief kan in zoverre echter niet tot het daarmee beoogde doel leiden, omdat de onder 2.2. weergegeven overwegingen de beslissing van de rechtbank zelfstandig kunnen dragen.

De grief faalt in zoverre.

2.4. Hetgeen overigens in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.6. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van Laar

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012

551.

Verzonden: 7 maart 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser