Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
201101136/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

COA. Rva 2005. Door het COa kan achteraf worden geverifieerd of de opsteller van de contra-expertise, van wie de identiteit dan desgevraagd in beginsel aan het COa dient te worden bekendgemaakt, werkelijk onafhankelijk en deskundig is.

Zoals volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010, kan de eis van het COa dat De Taalstudio inzichtelijk maakt wie op welke wijze de contra-expertise heeft verricht niet als onredelijk worden aangemerkt. Aldus kan achteraf door het COa worden geverifieerd of de opsteller van de contra-expertise, van wie de identiteit dan desgevraagd in beginsel aan het COa dient te worden bekendgemaakt, werkelijk onafhankelijk en deskundig is. De door De Taalstudio als derde fase van een contra expertise taalanalyse getypeerde fase betreft een afzonderlijke fase. Het vertrouwensbeginsel staat er dan ook niet aan in de weg dat het COa op het aan de orde zijnde verzoek van de vreemdeling van 3 september 2009 de Handleiding heeft toegepast. Daaraan doet niet af dat het COa de vergoeding van de eerste en tweede fase naar de vóór 1 maart 2009 geldende uitgangspunten heeft beoordeeld en daarbij niet heeft gevraagd om de identiteit van de opsteller van de contra-expertise bekend te maken. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het COa het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101136/1/V1.

Datum uitspraak: 8 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 29 december 2010 in zaak nr. 09/40117 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

het COa.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het COa, onder afwijzing van een verzoek van de vreemdeling om vergoeding van kosten voor een contra expertise taalanalyse derde fase tot een bedrag van € 820,00 (exclusief BTW), vergoeding van de kosten toegekend tot een bedrag van maximaal € 300,00 (exclusief BTW). Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het COa een nieuw besluit op het verzoek neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het COa bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COa), zoals deze ten tijde van belang luidde, is het COa onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

Ingevolge het tweede lid kan de minister van Justitie (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel; hierna: de minister) het COa taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

Ingevolge artikel 12 kan de minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid.

De Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005), zoals deze ten tijde van belang luidde, strekt ter uitvoering van artikel 12 van de Wet COa.

In artikel 3 van de Rva 2005 is bepaald aan welke categorieën asielzoekers of daarmee gelijk te stellen categorieën vreemdelingen door het COa opvang wordt geboden.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval betaling van buitengewone kosten.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g, die hij heeft gemaakt.

Ingevolge het tweede lid zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.

In de toelichting op artikel 17, eerste en tweede lid, van de

Rva 2005 (Stcrt. 2005, 24, p. 17) is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"Het gaat om kosten waarvan in redelijkheid geoordeeld kan worden dat zij noodzakelijk zijn. Het orgaan zal deze kosten in alle redelijkheid als buitengewoon moeten kunnen aanmerken. Voorwaarde hierbij is dat de kosten in enige mate (direct of indirect) gerelateerd zijn aan het verblijf in de voorziening of aan de (medische en mentale) situatie van betrokkene. Dat betekent dat het mogelijk is dat ook kosten vergoed kunnen worden die niet opgehangen zijn aan, of verbonden zijn met de asielprocedure."

2.2. In de enige grief klaagt het COa dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, het in het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het, anders dan bij de eerste en tweede fase, thans wenst dat de identiteit en hoedanigheid van de opsteller van de derde fase van de contra expertise bekend zijn. Daartoe voert het COa aan, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010 in zaak nr. 201002786/1/V1 (www.raadvanstate.nl), dat het in redelijkheid de eis heeft kunnen stellen dat de identiteit van de opsteller van de contra expertise bekend wordt gemaakt. Volgens het COa heeft de rechtbank voorts miskend dat het COa per 1 maart 2009 de vaste gedragslijn inzake de vergoeding van buitengewone kosten heeft gewijzigd. Het aan de orde zijnde verzoek van de vreemdeling is derhalve beoordeeld volgens de vaste gedragslijn, die het COa heeft neergelegd in de Handleiding Vergoeding Buitengewone Kosten van 1 maart 2009 (hierna: de Handleiding), aldus het COa.

2.2.1. Zoals volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010, kan de eis van het COa dat De Taalstudio inzichtelijk maakt wie op welke wijze de contra-expertise heeft verricht niet als onredelijk worden aangemerkt. Aldus kan achteraf door het COa worden geverifieerd of de opsteller van de contra-expertise, van wie de identiteit dan desgevraagd in beginsel aan het COa dient te worden bekendgemaakt, werkelijk onafhankelijk en deskundig is. De door De Taalstudio als derde fase van een contra expertise taalanalyse getypeerde fase betreft een afzonderlijke fase. Het vertrouwensbeginsel staat er dan ook niet aan in de weg dat het COa op het aan de orde zijnde verzoek van de vreemdeling van 3 september 2009 de Handleiding heeft toegepast. Daaraan doet niet af dat het COa de vergoeding van de eerste en tweede fase naar de vóór 1 maart 2009 geldende uitgangspunten heeft beoordeeld en daarbij niet heeft gevraagd om de identiteit van de opsteller van de contra-expertise bekend te maken. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het COa het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 21 oktober 2009 alsnog ongegrond worden verklaard. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat aan de in eerste aanleg voorgedragen, maar hiervoor niet besproken beroepsgronden, niet wordt toegekomen. Over die gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden dan wel onderdelen van het besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen partijen in hoger beroep aan de orde hebben gesteld. Die gronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 29 december 2010 in zaak nr. 09/40117;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt Schouten en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Lustberg, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Lustberg

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2012

587.

Verzonden: 8 maart 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser