Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV9254

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
201107611/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

REGULIER. Gezinshereniging. 8 EVRM. Gezinshereniging met meerderjarig kind. De door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden kunnen er op wijzen dat de vreemdeling in een situatie verkeert waarin zij in zekere mate afhankelijk is van referent. Niet is gebleken dat sprake is van een dusdanig bijzondere afhankelijkheid tussen de vreemdeling en referent dat moet worden aangenomen dat tussen hen "more than the normal emotional ties" bestaan.

Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Onur tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 17 februari 2009, nr. 27319/07, par. 45; A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 12 januari 2010, nr. 47486/06, par. 32; beide: www.echr.coe.int) kan worden afgeleid dat indien een meerderjarig kind, hoewel het samenleeft met zijn ouders, zelf één of meer kinderen heeft voortkomend uit een relatie van enige duur, "further elements of dependency involving more than the normal emotional ties" zijn vereist om van gezinsleven met de ouders te kunnen spreken. De vreemdeling heeft in dit verband aangevoerd dat zij tot aan diens vertrek naar Nederland altijd met referent heeft samengewoond, dat de echtgenote van referent en hun kinderen sinds hun huwelijk dan wel geboorte bij haar hebben gewoond, dat zij de echtgenote en de kinderen van referent gevolgd is in hun vlucht naar Syrië waar zij – nu de overige gezinsleden in het bezit zijn gesteld van een machtiging tot voorlopig verblijf en naar Nederland zijn vertrokken – alleen woont, dat zij nog steeds afhankelijk is van referent die haar maandelijks geld stuurt, dat zij op hoge leeftijd is, gezondheidsproblemen heeft, illegaal is, geen Arabisch spreekt en dat de Somalische familie met wie zij een kamer deelt binnenkort naar Canada vertrekt. De door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, wat daar ook van zij, kunnen er op wijzen dat de vreemdeling in een situatie verkeert waarin zij in zekere mate afhankelijk is van referent. Uit voormelde omstandigheden blijkt evenwel niet dat sprake is van een dusdanig bijzondere afhankelijkheid tussen de vreemdeling en referent dat moet worden aangenomen dat tussen hen "more than the normal emotional ties" bestaan. Hieruit volgt dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat tussen haar en referent gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. De minister heeft zich dan ook terecht, zij het op niet geheel juiste gronden, op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM niet is geschonden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107611/1/V1.

Datum uitspraak: 9 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 16 juni 2011 in zaak nr. 10/36259 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag (lees: op het gemaakte bezwaar) neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 juli 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling beoogt verblijf in Nederland voor een periode langer dan drie maanden bij haar meerderjarige zoon (hierna: referent), die houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.2. Ingevolge artikel 3.24 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verbandhoudend met gezinshereniging worden verleend aan een ander familielid van een Nederlander of van een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), dan de echtgenoot of echtgenote, de al dan niet geregistreerde partner, of het minderjarig kind, indien:

a. de vreemdeling naar het oordeel van de minister feitelijk behoort en reeds in het buitenland feitelijk behoorde tot het gezin van de persoon bij wie deze vreemdeling wil verblijven, en

b. de achterlating van de vreemdeling naar het oordeel van de minister een onevenredige hardheid zou betekenen.

Volgens onderdeel B2/6.3, eerste alinea, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) wordt de verblijfsvergunning niet verleend, indien het familielid niet feitelijk behoort of niet reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de ouder. 'Feitelijk behoren tot het gezin' houdt in dat:

- de gezinsband reeds in het buitenland heeft bestaan;

- er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van degene bij wie verblijf wordt beoogd, welke afhankelijkheid reeds in het buitenland moet hebben bestaan; en

- de vreemdeling moet gaan samenwonen met degene bij wie verblijf wordt beoogd.

2.3. De minister klaagt in de grief in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in onderdeel B2/6.3 van de Vc 2000 geen specifiek beleid is geformuleerd ter beantwoording van de vraag of in een geval als het onderhavige de feitelijke gezinsband moet worden geacht te zijn verbroken en dat, nu in het bij de rechtbank bestreden besluit op grond van dit onderdeel van de Vc 2000 is geconcludeerd dat de vreemdeling feitelijk niet tot het gezin van referent behoort, dat besluit een deugdelijke motivering ontbeert.

2.3.1. Blijkens het besluit van 12 oktober 2010 heeft de minister zijn oordeel dat de vreemdeling in het land van herkomst niet feitelijk tot het gezin van referent behoorde doen steunen op de overweging dat referent de meerderjarige zoon van de vreemdeling is en derhalve volgens onderdeel B2/6.3 van de Vc 2000 niet langer tot het gezin van zijn ouders behoort en voorts op de overweging dat niet is aangetoond dat in het land van herkomst een morele en financiële afhankelijkheid bestond tussen de vreemdeling en referent.

2.3.2. In de toelichting op de grief stelt de minister dat de rechtbank terecht heeft opgemerkt dat hij ten onrechte het beleid als genoemd in onderdeel B2/6.3 van de Vc 2000 heeft toegepast voor zover dit is uitgewerkt voor meerderjarige kinderen. Voorts stelt de minister dat hij desalniettemin op juiste gronden heeft overwogen dat niet is gebleken van een feitelijke gezinsband tussen de vreemdeling en referent, nu niet is gebleken van een morele en financiële afhankelijkheid.

2.3.3. Volgens onderdeel B2/6.1 van de Vc 2000 wordt in onderdeel B2/6 uiteengezet onder welke voorwaarden gebruik wordt gemaakt van de in artikel 3.24 van het Vb 2000 vervatte bevoegdheid om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verruimde gezinshereniging' te verlenen.

Volgens onderdeel B2/6.2 vallen onder de reikwijdte van onderdeel B2/6 de andere familieleden dan de echtgenoot of echtgenote, de al dan niet geregistreerde partner, of het minderjarige kind.

Onderdeel B2/6.3, eerste alinea, bevat de criteria aan de hand waarvan wordt vastgesteld of sprake is van een feitelijke gezinsband. Vervolgens wordt een opsomming gegeven van de omstandigheden waaronder in elk geval de feitelijke gezinsband als verbroken kan worden beschouwd. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen meerderjarige kinderen en overige familieleden. Geen van de opgesomde omstandigheden doet zich in het voorliggende geval voor. Nu deze opsomming niet uitputtend is, heeft de minister terecht de vraag of tussen de vreemdeling en referent een feitelijke gezinsband bestond mede beantwoord aan de hand van de in de eerste alinea vervatte criteria.

Uit het voorgaande volgt dat de minister voor de vraag of in het land van herkomst tussen de vreemdeling en referent feitelijk een gezinsband bestond terecht bepalend heeft geacht of de vreemdeling financieel afhankelijk was van referent. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. De minister klaagt in de grief voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat de vreemdeling niet financieel afhankelijk was van referent.

2.4.1. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat uit het verslag van het gehoor van 16 september 2010 blijkt dat referent heeft verklaard dat de vreemdeling het geld van de erfenis van haar overleden echtgenoot beheerde. De rechtbank acht in dit kader van belang dat geld beheren niet hetzelfde betekent als beschikken over dat geld, zodat uitsluitend hieruit niet kan worden geconcludeerd dat de vreemdeling daadwerkelijk de beschikking heeft gehad over de erfenis. Verder acht de rechtbank van belang dat de minister niet heeft weersproken dat de vreemdeling, die thans in Syrië verblijft, in slechte omstandigheden verkeert, dat zij vanuit Nederland financieel wordt ondersteund door referent en dat ook uit het overgelegde 'vulnerability assessment form' van de United Nations High Commissioner for Refugees blijkt dat de vreemdeling 'community support' krijgt. Hieruit blijkt volgens de rechtbank niet dat de erfenis de financiële afhankelijkheid van de vreemdeling in belangrijke mate heeft doen afnemen, waarbij de rechtbank van belang acht dat de financiële afhankelijkheid één van de aspecten is die een rol spelen bij de beoordeling door de minister of sprake is van een feitelijke gezinsband.

2.4.2. De minister voert aan dat uit het feit dat de vreemdeling de erfenis beheerde in ieder geval niet blijkt dat zij moreel en financieel afhankelijk was van referent, dat referent ter zitting van de ambtelijke hoorcommissie heeft verklaard dat de vreemdeling recht had op een deel van de erfenis en dat de 'vulnerability assessment form' niet is ondertekend en gedateerd en eerst in beroep is overgelegd. Voorts voert de minister aan dat deze 'form' vermeldt dat de vreemdeling één van de huizen die het gezin bezat heeft verkocht en een mensensmokkelaar met de opbrengst van de verkoop heeft betaald om referent te helpen vluchten uit Somalië en dat de vreemdeling voor dat doel later ook het tweede huis van het gezin heeft verkocht. Uit deze zelfstandig aangegane transacties blijkt volgens de minister geenszins dat de vreemdeling reeds in het land van herkomst moreel en financieel afhankelijk was van referent en tot diens gezin behoorde.

2.4.3. Door van belang te achten dat de minister niet heeft weersproken dat de vreemdeling, die thans in Syrië verblijft, in slechte omstandigheden verkeert, dat zij vanuit Nederland financieel wordt ondersteund door referent en dat ook uit het overgelegde 'vulnerability assessment form' blijkt dat de vreemdeling 'community support' krijgt, heeft de rechtbank niet onderkend dat volgens de onder 2.2 weergegeven beleidsregel de vreemdeling aannemelijk dient te maken dat zij reeds in Somalië moreel en financieel afhankelijk was van referent. De vreemdeling heeft in dit verband gesteld dat de inkomsten van het gezin met name voortkwamen uit verpachting dan wel verhuur van land, huizen en landbouwwerktuigen, dat de eigendom van deze zaken na de dood van haar echtgenoot werden geërfd door referent en dat zij daardoor formeel gezien in een financieel afhankelijke relatie tot hem kwam te staan. Daargelaten of de verklaring van referent tijdens de hoorzitting dat de vreemdeling de erfenis beheerde berust op een misverstand als gevolg van het gebruik van een telefonische tolk, heeft de minister, in aanmerking nemend dat referent ter zitting van de ambtelijke hoorcommissie heeft verklaard dat de vreemdeling recht had op een deel van de erfenis - waarvan referent niet is teruggekomen - en dat uit de door de vreemdeling overgelegde 'vulnerability assessment form' blijkt dat de vreemdeling zelfstandig twee van de huizen van het gezin heeft verkocht en met de opbrengst daarvan mensensmokkelaars heeft betaald, in redelijkheid niet aannemelijk kunnen achten dat de vreemdeling ten tijde van haar verblijf in Somalië feitelijk financieel afhankelijk was van referent.

De grief slaagt.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 12 oktober 2010 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.6. De vreemdeling klaagt in beroep dat het besluit van 12 oktober 2010 in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), ingevolge welke bepaling, voor zover thans van belang, een ieder recht heeft op respect voor zijn familie en gezinsleven. Volgens de vreemdeling vloeit uit voormelde bepaling in dit geval de positieve verplichting voort om haar aanvraag in te willigen. Daartoe voert zij aan dat zij op het moment waarop referent Somalië verliet met hem en zijn echtgenote en kinderen één gezin vormde en financieel en emotioneel van referent afhankelijk was en dat gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval de minister ten onrechte de te maken belangenafweging in haar nadeel heeft doen uitvallen.

2.6.1. De minister heeft het door hem ter zake gevoerde, in onderdeel B2/10 van de Vc 2000 vervatte beleid toegepast. Volgens dit beleid neemt de minister aan dat tussen ouders en meerderjarige kinderen gezinsleven bestaat. Indien sprake is van gezinsleven dienen de belangen van de Staat te worden afgewogen tegen die van de desbetreffende vreemdeling. Bij gezinshereniging dient, voor zover hier van belang, in ieder geval bij de belangenafweging te worden betrokken: objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, bijzondere omstandigheden en meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding. Aan het bestaan van een objectieve belemmering en een meer dan gebruikelijke binding komt volgens dit beleid op zichzelf geen doorslaggevend gewicht toe.

De minister neemt met toepassing van voormeld beleid aan dat tussen de vreemdeling en referent sprake is van gezinsleven en voorts dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Van een meer dan gebruikelijk afhankelijkheid is volgens de minister evenwel geen sprake nu de gestelde financiële afhankelijkheid ontbreekt, de gestelde gezondheidstoestand van de vreemdeling en de gestelde onmogelijkheid om vanuit Syrië naar Somalië terug te keren onvoldoende zijn aangetoond en de omstandigheid dat de vreemdeling alleen in Syrië is achtergelaten doordat de overige gezinsleden naar Nederland zijn vertrokken de eigen keuze van die gezinsleden is. Voorts is niet toereikend onderbouwd dat sprake is van meer dan een normale emotionele afhankelijkheid tussen de vreemdeling en referent. De weigering om de vreemdeling verblijf toe te staan is daarom volgens de minister geen schending van artikel 8 van het EVRM.

2.6.2. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Onur tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 17 februari 2009, nr. 27319/07, par. 45; A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 12 januari 2010, nr. 47486/06, par. 32; beide: www.echr.coe.int) kan worden afgeleid dat indien een meerderjarig kind, hoewel het samenleeft met zijn ouders, zelf één of meer kinderen heeft voortkomend uit een relatie van enige duur, "further elements of dependency involving more than the normal emotional ties" zijn vereist om van gezinsleven met de ouders te kunnen spreken.

De vreemdeling heeft in dit verband aangevoerd dat zij tot aan diens vertrek naar Nederland altijd met referent heeft samengewoond, dat de echtgenote van referent en hun kinderen sinds hun huwelijk dan wel geboorte bij haar hebben gewoond, dat zij de echtgenote en de kinderen van referent gevolgd is in hun vlucht naar Syrië waar zij – nu de overige gezinsleden in het bezit zijn gesteld van een machtiging tot voorlopig verblijf en naar Nederland zijn vertrokken – alleen woont, dat zij nog steeds afhankelijk is van referent die haar maandelijks geld stuurt, dat zij op hoge leeftijd is, gezondheidsproblemen heeft, illegaal is, geen Arabisch spreekt en dat de Somalische familie met wie zij een kamer deelt binnenkort naar Canada vertrekt.

De door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, wat daar ook van zij, kunnen er op wijzen dat de vreemdeling in een situatie verkeert waarin zij in zekere mate afhankelijk is van referent. Uit voormelde omstandigheden blijkt evenwel niet dat sprake is van een dusdanig bijzondere afhankelijkheid tussen de vreemdeling en referent dat moet worden aangenomen dat tussen hen "more than the normal emotional ties" bestaan. Hieruit volgt dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat tussen haar en referent gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. De minister heeft zich dan ook terecht, zij het op niet geheel juiste gronden, op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM niet is geschonden.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. De vreemdeling klaagt voorts dat de minister ten onrechte niet heeft gereageerd op haar verzoek om haar vrij te stellen van het betalen van leges.

2.7.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Rijkswet op de consulaire tarieven is de belanghebbende aan de minister dan wel indien dat bij algemene maatregel van rijksbestuur is bepaald aan de gevolmachtigde minister een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen vergoeding verschuldigd voor het verlenen van de bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur aangeduide diensten met betrekking tot de verlening van visa.

Ingevolge artikel 3b van de Regeling op de consulaire tarieven (hierna: de Regeling) is de vergoeding voor aanvragen tot het verlenen van een mvv niet verschuldigd indien de aanvraag betrekking heeft op een mvv met het oog op gezinshereniging of gezinsvorming indien de belanghebbende:

a. een, ter beoordeling van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel), gerechtvaardigd beroep op artikel 8 van het EVRM doet;

b. aantoont dat hij niet over de middelen beschikt om de vergoeding te kunnen voldoen;

c. aantoont dat hij gedurende een redelijke termijn actief heeft getracht om de middelen, bedoeld onder b, te verwerven; en

d. aannemelijk maakt dat hij op korte termijn niet over de middelen, bedoeld onder b, zal komen te beschikken.

2.7.2. De klacht is terecht voorgedragen, doch kan, nu gelet op het overwogene onder 2.6.2 niet aan het in artikel 3b, aanhef en onder a, van de Regeling vervatte vereiste van een gerechtvaardigd beroep op artikel 8 van het EVRM is voldaan, niet tot het ermee beoogde doel leiden, zodat deze beroepsgrond faalt.

2.8. Het inleidend beroep zal ongegrond worden verklaard.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 16 juni 2011 in zaak nr. 10/36259;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter w.g. De Groot

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2012

210.

Verzonden: 9 maart 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser