Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8818

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201004459/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2009, nummer 13, heeft de raad van de gemeente Ameland het bestemmingsplan "Hollum 2009" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2012/22 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2012/513
BR 2012/94 met annotatie van P.M.J. de Haan

Uitspraak

201004459/1/R3.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te Beetsterzwaag, gemeente Opsterland,

2. [appellante sub 2], wonend te Hollum, gemeente Ameland,

3. [appellant sub 3], wonend te Hollum, gemeente Ameland,

4. [appellant sub 4], wonend te Hollum, gemeente Ameland,

5. [appellant sub 5] en anderen, allen wonend te Hollum, gemeente Ameland,

6. [appellant sub 6], wonend te Minden, Duitsland,

7. [appellant sub 7], wonend te Groningen,

8. [appellant sub 8], wonend te Hollum, gemeente Ameland,

9. [appellant sub 9], wonend te Hollum, gemeente Ameland,

10. [appellant sub 10], wonend te Hollum, gemeente Ameland,

en

de raad van de gemeente Ameland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2009, nummer 13, heeft de raad van de gemeente Ameland het bestemmingsplan "Hollum 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen, [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellant sub 10] tijdig beroep ingesteld. Een aantal heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellant sub 8] en [appellant sub 6] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2011, waar partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen is onder meer ingediend namens [appellant sub 5 A]. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad van de gemeente Ameland. [appellant sub 5 A] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 5 A] is derhalve niet-ontvankelijk. Indien hierna wordt gesproken over [appellant sub 5] en anderen wordt [appellant sub 5 A] daaronder niet begrepen.

2.2. Met het plan wordt een actuele planologisch-juridische regeling gegeven voor de gehele bebouwde kom van Hollum.

2.3. [appellant sub 8] voert als procedurele bezwaren aan dat de raad in strijd met artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro niet binnen twaalf weken na de termijn van ter inzage legging van het ontwerp het plan heeft vastgesteld. Verder betoogt hij dat de raad in strijd met artikel 3.8, derde lid, van de Wro het besluit tot vaststelling niet binnen twee weken na vaststelling van het plan heeft bekendgemaakt.

Niet in geschil is dat de termijnen voor de vaststelling van het besluit en de bekendmaking van het vaststellingsbesluit zijn overschreden. De periode van twaalf weken, als bedoeld in artikel 3.8 van de Wro, waarbinnen de raad moet beslissen over de vaststelling van het plan is een termijn van orde. Uit deze wettelijke bepaling noch enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd omtrent de te late bekendmaking van de vaststelling van het plan is een omstandigheid die dateert van na het nemen van het besluit en kan reeds daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De procedurele bezwaren van [appellant sub 8] treffen derhalve geen doel.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.4. [appellante sub 1] voert aan dat het bouwvlak op haar perceel aan de [locatie 1] te Hollum onjuist is weergegeven. Zij betoogt dat het bouwvlak ten onrechte niet in overeenstemming is gebracht met het bouwvlak zoals dat is weergegeven op de tekening behorende bij de bouwvergunning die bij besluit van 22 mei 2007 aan haar is verleend.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 mei 2003 in zaak nr. 200203644/1) is een rechtsgeldige bouwvergunning een bestaand recht waaraan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel niet voorbij kan worden gegaan.

Vast staat dat het bouwvlak zoals dat op de kaart behorende bij de bouwvergunning is weergegeven, niet overeenstemt met het bouwvlak zoals dat op de verbeelding van het voorliggende plan is opgenomen.

Ter zitting heeft de raad erkend dat met de bovengenoemde bouwvergunning geen rekening is gehouden bij het vaststellen van het plan.

2.4.2. Reeds hierom ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 1] grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

De beroepen van [appellante sub 2] en [appellant sub 8]

2.5. [appellante sub 2] en [appellant sub 8] kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Wonen-2" ter plaatse van de twee percelen gelegen tussen de woning van [appellante sub 2], aan de [locatie 2], en de woning van [appellant sub 8], aan de [locatie 3]. Het plan voorziet in de bouw van een woning op elk van deze percelen, die aan de kruising van de Molenweg en de Badweg aan de rand van Hollum liggen.

2.6. [appellant sub 8] en [appellante sub 2] betogen dat in het voorontwerp van het bestemmingsplan ter plaatse slechts één bouwvlak was opgenomen. Volgens hen is hieraan in het ontwerp van het plan ten onrechte een bouwvlak toegevoegd, zonder dat hiervoor een afdoende motivering is gegeven.

2.6.1. De Afdeling overweegt dat het voorontwerp een ambtelijk stuk is waaraan de raad niet is gebonden. Over de afwijking daarvan hoeft de raad dan ook geen verantwoording af te leggen.

2.7. [appellante sub 2] en [appellant sub 8] voeren aan dat het toekennen van een woonbestemming aan de percelen in strijd is met de gemeentelijke Structuurvisie Wonen 2002 die op 12 augustus 2002 is vastgesteld (hierna: de structuurvisie) aangezien de genoemde percelen niet zijn aangewezen als mogelijke dorpsuitbreiding. [appellant sub 8] voert verder aan dat het plan op dit punt in strijd is met het streekplan Fryslân van 2007 (hierna: het streekplan). Verder voeren zij aan dat nieuwbouw niet nodig is. Zij wijzen er op dat veel woningen in strijd met de daarvoor geldende woonbestemming worden gebruikt voor recreatief verblijf. [appellant sub 8] stelt voorts dat aan het plan geen ruimtelijke motieven ten grondslag liggen, maar slechts persoonlijke en commerciële belangen van grondeigenaren. [appellante sub 2] en [appellant sub 8] voeren verder aan dat door de woningen lintbebouwing ontstaat, hetgeen niet past in het landschap. Tot slot voert [appellante sub 2] aan dat een alternatieve locatie voorhanden is, namelijk een ijsbaan die niet langer in gebruik is.

2.7.1. Ten aanzien van het betoog dat het plan zich niet verhoudt met de gemeentelijke structuurvisie, overweegt de Afdeling dat vast staat dat de percelen niet als locatie zijn aangewezen waar woningbouw wordt beoogd. De structuurvisie is gebaseerd op een prognose van de woonbehoefte tot aan 2010. Het plan ziet op de periode daarna. De structuurvisie is volgens de raad gedateerd. Hij heeft toegelicht dat door voortschrijdend inzicht, onder meer doordat gebleken is dat niet alle geldende woonbestemmingen gerealiseerd zullen worden, behoefte is aan nieuwe woonbestemmingen. De raad heeft verder toegelicht dat hij voor het opnemen van de bouwvlakken op de percelen tussen de woning van [appellante sub 2] en de woning van [appellant sub 8] in het plan eerst heeft onderzocht of nieuwbouw op een van de in de structuurvisie genoemde open plekken of op een locatie uit de restcapaciteit van een voorheen geldend bestemmingsplan binnen Hollum mogelijk was. Dat bleek niet het geval te zijn. Daarbij heeft de raad eveneens overwogen dat aan de behoefte aan woningen niet slechts kan worden voldaan door het gebruik van woningen als recreatiewoningen tegen te gaan, nog daargelaten de vraag of handhavend optreden in alle gevallen mogelijk is. Nadat de raad tot de conclusie kwam dat het voorzien in de bestaande behoefte aan woningen slechts mogelijk is door uitbreiding van Hollum aan de westkant, heeft hij de beide bouwvlakken op de bovengenoemde percelen aan de rand van Hollum in het plan opgenomen. In hetgeen [appellante sub 2] en [appellant sub 8] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de afwijking van de structuurvisie in zoverre onvoldoende is gemotiveerd en dat geen behoefte bestaat aan de nieuw te bouwen woningen.

2.7.2. Met betrekking tot het betoog dat het plan in strijd is met het beleid uit het streekplan overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan dit beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In de plantoelichting is expliciet aandacht aan het beleid van de provincie Fryslân besteed en is ingegaan op de verhouding van dit beleid tot het gemeentelijke beleid ter zake. Gelet hierop heeft de raad het provinciale beleid voldoende in de belangenafweging betrokken.

2.7.3. Met betrekking tot het betoog dat enkel commerciële motieven aan het plan ten grondslag liggen, overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor het oordeel dat met commerciële belangen geen ruimtelijke belangen zouden kunnen worden gediend.

2.7.4. Met betrekking tot het betoog dat de woningen niet passen in het landschap en dat lintbebouwing ontstaat, heeft de raad gesteld dat de rand van Hollum ter plaatse wordt gevormd door de kruising van de Molenweg en de Badweg. Volgens de raad ontstaat door het toevoegen van twee woningen aan deze splitsing en aansluitend op de bestaande woningen aan de Badweg en de gebouwen aan de Molenweg geen lintbebouwing en misstaan de woningen daar niet in het landschap. In hetgeen [appellant sub 8] en [appellante sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.7.5. Met betrekking tot het betoog dat de raad een alternatieve locatie voor de woningen had kunnen kiezen, namelijk een voormalige ijsbaan, overweegt de Afdeling dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid een groter belang kunnen toekennen aan de omstandigheid dat het betreffende perceel in eigendom is van de personen die de woningen wensen te bouwen en de voormalige ijsbaan niet.

2.8. [appellant sub 8] en [appellante sub 2] betogen dat de nieuwe woningen hun uitzicht zullen aantasten en een waardedaling van hun woningen tot gevolg hebben.

De Afdeling acht aannemelijk dat door de te realiseren woningen het uitzicht vanuit de woningen [appellant sub 8] en [appellante sub 2] in zekere mate wordt aangetast. Gezien de onderlinge afstanden tussen de nieuw te bouwen woningen en de woningen van [appellant sub 8] en [appellante sub 2] ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de aantasting van het uitzicht van hen zo ernstig zal zijn, dat de raad bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gebaat bij de realisatie van de woningen.

2.9. [appellant sub 8] voert aan dat de raad ten onrechte heeft nagelaten om te reageren op zijn zienswijze dat de locatie van de twee beoogde woningen deel uitmaakt van een beschermd archeologisch gebied. De raad had met het oog hierop volgens [appellant sub 8] voorwaarden ter bescherming van archeologische waarden in het plan moeten opnemen.

2.9.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebied volgens de provinciale kaart "Friese Archeologische Monumentenkaart Extra" is aangeduid als "Middeleeuwen: Karterend onderzoek 1". De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 500 m2 een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Nu de oppervlakte van de bouwvlakken tezamen ongeveer 150 m2 bedraagt, bestond volgens de raad geen aanleiding om op voorhand nader archeologisch onderzoek te laten verrichten of nadere voorwaarden omtrent de archeologische waarden in de planregels op te nemen.

2.9.2. De oppervlakte van de bouwvlakken tezamen bedraagt 150 m2 hetgeen minder is dan de oppervlakte die de provincie aanbeveelt om karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. De door de raad naar voren gebrachte motivering dat slechts aanleiding bestaat voor nader onderzoek indien de ingreep meer dan 500 m2 omvat, is naar het oordeel van de Afdeling evenwel onvoldoende om in dit geval daar van af te zien. Daartoe overweegt de Afdeling dat het provinciale beleid niet uitsluit dat nader onderzoek bij kleinere ingrepen dan 500 m2 wordt uitgevoerd en dat volgens het beleid gronden met de aanduiding "Middeleeuwen" een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Gelet hierop had de raad niet zonder nadere motivering zich op het standpunt kunnen stellen dat nader onderzoek niet noodzakelijk was. Het betoog slaagt.

2.10. [appellant sub 8] voert aan dat de raad zonder nadere motivering niet is ingegaan op zijn verzoek om in het plan de dorpsrand van Hollum aan te wijzen als beschermd dorpsgezicht.

Het verzoek tot het aanwijzen van een beschermd dorpsgezicht kent een afzonderlijk procedure, waarvoor de raad niet het bevoegd gezag is. Niet gebleken is dat deze aanwijzing door het daartoe bevoegde orgaan op handen was. De raad heeft daarom terecht hiermee geen rekening gehouden bij het vaststellen van het plan.

2.11. [appellant sub 8] voert aan dat, nu de raad de met de eigenaren van de percelen gesloten planschadeovereenkomsten niet aan hem heeft overgelegd, hij niet kan beoordelen of deze er zijn en of het planschaderisico afdoende is afgedekt. Hij wenst daarom inzage in deze overeenkomsten.

De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat [appellant sub 8] hiermee de financiële uitvoerbaarheid van het plan in twijfel trekt. Met zijn stelling heeft [appellant sub 8] echter niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet financieel uitvoerbaar is.

2.12. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.13. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.14. Nu ter zitting is gebleken dat bij het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden geen archeologische waarden zijn aangetroffen, ziet de Afdeling evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in zoverre in stand te laten.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.15. [appellant sub 3] betoogt dat de recreatiewoningen aan de [locatie 4 en 5] ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Hij wijst er op dat het uitgangspunt bij het vaststellen van het plan is geweest om vergunde situaties als zodanig te bestemmen en dat voor deze recreatiewoningen bouwvergunningen zijn verleend. Verder wijst hij er op dat in de bouwvergunning voor het bijgebouw op het adres [locatie 4] uitdrukkelijk is vermeld dat het om een recreatiewoning gaat.

2.15.1. Met betrekking tot de woningen aan de [locatie 5] heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat vanaf 2008 slechts één van de drie woningen op dit perceel voor recreatie wordt gebruikt en dat ook voor één recreatiewoning toeristenbelasting is betaald. Gelet hierop heeft de raad de bestemming "Wonen-1" en de aanduiding "vr - verblijfsrecreatie" toegekend aan het perceel, hetgeen volgens de raad betekent dat dit appartement voor verblijfsrecreatie mag worden gebruikt en daarmee de bestaande situatie als zodanig is bestemd.

2.15.2. Ingevolge artikel 26, lid 26.1, onder a, aanhef en onder 3, van de planregels zijn de voor "Wonen -1" aangewezen gronden bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor appartementen, voor zover ondergeschikt aan het wonen, ter plaatse van de aanduiding "verblijfsrecreatie". Ingevolge het gestelde onder b van dit artikellid zijn deze gronden eveneens bestemd voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen.

Ingevolge artikel 26, lid 26.5, aanhef en onder b, wordt tot een gebruik strijdig met deze bestemming in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor recreatieve bewoning, tenzij de gronden zijn voorzien van de aanduiding "verblijfsrecreatie", in welk geval:

1. het aantal appartementen per aanduiding niet meer dan één mag bedragen;

2. de appartementen niet in bijgebouwen mogen worden gevestigd.

2.15.3. Met betrekking tot het perceel [locatie 5] overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is gebleken dat op dit perceel een woning, bestaande uit een voorhuis waarin [appellant sub 3] woont en een middenwoning die als recreatiewoning wordt gebruikt, en een voormalige schuur, die eveneens als recreatiewoning wordt gebruikt, aanwezig zijn. Voor het realiseren en restaureren van deze gebouwen is bij besluit van 6 februari 1990 een bouwvergunning verleend. Ter zitting is door [appellant sub 3] gesteld dat beide recreatiewoningen ook na 2008 zijn verhuurd, met dien verstande dat één van de woningen met medeweten van de raad tijdelijk niet is verhuurd. De raad heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop is het standpunt van de raad dat op het perceel [locatie 5] slechts één woning voor recreatie wordt gebruikt niet gebaseerd op een deugdelijk onderzoek.

Met betrekking tot het perceel [locatie 4], is door de raad ter zitting erkend dat bij besluit van 28 april 1998 een bouwvergunning is verleend voor het renoveren van een bestaande recreatiewoning. In de stukken noch ter zitting heeft de raad gemotiveerd waarom desondanks deze recreatiewoning niet als zodanig is bestemd.

2.15.4. Gezien het bovenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.16. [appellant sub 4] betoogt dat ten onrechte aan het gedeelte van zijn perceel [locatie 6], voor zover zich dat uitstrekt achter de naastgelegen percelen Zuiderlaan 8 en 10, de bestemming "Tuin" is toegekend. Hij voert aan dat hij in zijn zienswijze onder meer heeft verzocht om aan deze strook grond de bestemming "Wonen" toe te kennen en dat zijn zienswijze zonder voorbehoud in de raadsvergadering van 30 november 2009 gegrond is verklaard.

2.16.1. De raad heeft de zienswijze van [appellant sub 4] zo heeft opgevat, dat dit een verzoek behelsde om enkel aan het stuk grond achter zijn woning op het adres [locatie 6] een woonbestemming toe te kennen. Volgens de raad zag het verzoek niet op het perceel voor zover dat doorloopt achter de naastgelegen percelen aan de Zuiderlaan.

2.16.2. Blijkens de verbeelding is aan het stuk grond achter het adres [locatie 6] de bestemming "Wonen" toegekend. Aan de gronden achter de woningen naast de woning van [appellant sub 4], is de bestemming "Tuin" toegekend.

[appellant sub 4] heeft in zijn zienswijze verzocht de bestemming "Wonen" toe te kennen aan zijn gehele tuin. Daarbij is niet aangegeven dat het slechts gaat om het gedeelte van de tuin achter zijn woning aan de [locatie 6]. In het besluit van 14 december 2009 is de zienswijze van [appellant sub 4] geheel gegrond verklaard. In het bestreden besluit noch de daaraan voorafgaande raadsvergadering van 30 november 2009, waarin is gestemd over de zienswijze van [appellant sub 4], is aangegeven dat de gegrondverklaring van deze zienswijze inhield dat slechts een deel van de tuin een woonbestemming zou moeten krijgen of dat deze zienswijze aldus is opgevat. De stelling in het verweerschrift dat de raad de bedoeling heeft gehad om enkel de tuin achter het perceel [locatie 6] een woonbestemming toe te kennen, vindt geen steun in de stukken.

2.16.3. Nu het besluit van de raad niet overeenstemt met de verbeelding, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep is derhalve gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 6]

2.17. [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met de bestemming "Wonen-1" voor het perceel [locatie 7]. Hij betoogt dat dit perceel de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 3" had moeten krijgen. Hij voert daartoe aan dat de recreatieve gebouwen, bestaande uit een in appartementen opgedeelde woning en een bijgebouw, reeds lange tijd worden verhuurd. Verder wijst hij er op dat aan de woningen Westerlaan 36, Yme Dunenweg 7 en Fabriekweg 12 deze bestemming wel is toegekend en deze woningen eveneens al lange tijd voor recreatieve verhuur worden gebruikt.

2.17.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen is dat de gebouwen op het adres [locatie 7] voor recreatie zijn gebruikt. Hij wijst er op dat volgens de gemeentelijke basisadministratie van 1988 tot en met 2008 diverse personen ingeschreven zijn geweest op het adres en dat ook op het aanvraagformulier voor een Monumentenvergunning en voor een bouwvergunning is vermeld dat de gebouwen worden gebruikt voor wonen. Voor de andere adressen die [appellant sub 6] heeft genoemd is volgens de raad sprake van een andere situatie, omdat deze adressen niet al twintig jaar voor bewoning worden gebruikt.

2.17.2. Ter zitting heeft [appellant sub 6] verklaard dat op het perceel een woning aanwezig is, die tot 2009 in vier appartementen is opgedeeld en na een verbouwing in 2009 in drie appartementen. Verder heeft [appellant sub 6] verklaard dat van deze appartementen één appartement in de periode 1988 tot en met 2008 aan diverse derden voor tijdelijke bewoning is verhuurd. De overige appartementen in de woning zijn in deze periode voor recreatief verblijf verhuurd geweest. [appellant sub 6] heeft hiertoe diverse huurcontracten overgelegd. Na 2008 zijn alle appartementen voor recreatief verblijf verhuurd. Ter zitting heeft de raad erkend dat hij bekend was met het recreatieve gebruik van in elk geval enkele van de appartementen. Reeds hierom berust het standpunt van de raad dat niet is aangetoond dat de woning aan het perceel [locatie 7] voor recreatieve doeleinden werd gebruikt op een ondeugdelijke motivering en ondeugdelijk onderzoek.

2.17.3. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling daarom aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijk motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 7]

2.18. [appellant sub 7] kan zich niet verenigen met de bestemming "Wonen-1" die is toegekend aan zijn perceel [locatie 8]. Hij voert aan dat de raad ten onrechte er van is uitgegaan dat zijn recreatiewoning op dit perceel als een bijgebouw bij de woning [locatie 9] moet worden aangemerkt. Volgens [appellant sub 7] is het gebouw op het perceel [locatie 8] evenwel een op zichzelf staande woning die ten tijde van het hiervoor geldende plan binnen een bouwvlak is gerealiseerd. Sinds de verkoop en kadastrale scheiding van het perceel [locatie 9] is dit perceel een op zichzelf staande eenheid en wordt dit ook zo beschouwd door de gemeente. Zo wordt voor het gebouw op zijn perceel onroerende zaakbelasting betaald. Voorts is het gebouw zelfstandig aangesloten op de nuts-voorzieningen.

2.18.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat nooit een bouwvergunning is verleend om een recreatiewoning te bouwen. Het gebouw op het perceel [locatie 8] is volgens hem daarom een illegaal bijgebouw bij de woning [locatie 9]. Hij wijst er op dat het beleid van de gemeente er op is gericht dat vrijstaande recreatief gebruikte bijgebouwen overeenkomstig de geldende bestemming worden gebruikt.

2.18.2. Anders dan [appellant sub 7] veronderstelt, betekent de omstandigheid dat hij onroerende zaakbelasting betaalt voor het pand op het perceel [locatie 8] niet dat hij het gerechtvaardigde vertrouwen kon hebben dat dit pand als zelfstandige woonruimte zou worden aangemerkt in het bestemmingsplan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 november 2009 in zaak nr. 200808341/1/R1) is bij het vaststellen van een bestemming de waardering in het kader van de onroerende zaakbelasting niet relevant. Vast staat evenwel dat het college van burgemeester en wethouders van Ameland bij brief van 13 februari 1977 advies heeft gegeven over een uitbouw voor het gebouw op het perceel [locatie 8] en bij besluit van 29 juni 2007 een bouwvergunning heeft verleend voor het vernieuwen en veranderen van een aanbouw op het adres [locatie 8]. Daarbij is aangegeven dat het bouwplan niet in strijd is met het op dat moment geldende bestemmingsplan "Hollum Kom". Voorts heeft de raad niet bestreden dat de bijgebouwen op de adressen Hagen 4 en Fabrieksweg 2, na de verkoop van de percelen waarop die bijgebouwen staan, een bestemming als zelfstandige recreatiewoning hebben gekregen.

2.18.3. Gezien het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 7] naar voren heeft gebracht aanleiding voor het oordeel dat het standpunt van de raad dat het gebouw op het adres [locatie 8] niet als een zelfstandig gebouw, maar als een bijgebouw bij het adres [locatie 9] dient te worden beschouwd niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 5] en anderen

2.19. [appellant sub 5] en anderen betogen dat zij ieder een bijgebouw hebben bij hun woning dan wel eigenaar zijn van zelfstandige gebouwen die worden gebruikt voor recreatieve bewoning. Deze gebouwen staan op de percelen [locatie 10], [locatie 11], [locatie 12], [locatie 13], [locatie 14], [locatie 15], [locatie 16], [locatie 17], [locatie 18], [locatie 19], [locatie 20], [locatie 21], [locatie 22], en [locatie 23] en hebben de bestemming "Wonen-1" of "Wonen-2" gekregen. Deze recreatieve woningen zijn volgens hen ten onrechte voor de tweede maal onder het overgangsrecht gebracht en hadden als zodanig bestemd moeten worden. Verder stellen zij dat de raad niet eenduidig is omgegaan met deze situatie. Zij wijzen er op dat aan sommige percelen waarop vrijstaande bijgebouwen staan een bouwvlak voor deze bijgebouwen is toegekend en aan andere niet. Verder hebben sommige bijgebouwen de aanduiding "verblijfsrecreatie" gekregen, terwijl deze aanduiding enkel van toepassing kan zijn indien in- en/of aan de woning een appartement is gebouwd. Tot slot wijzen zij er op dat voor enkele bijgebouwen bouwvergunningen zijn verleend voor het bouwen of verbouwen van bijgebouwen die voor recreatie worden gebruikt. Deze bestaande rechten zijn niet vertaald in het bestemmingsplan.

2.19.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn beleid er op is gericht het gebruik van de desbetreffende gebouwen in overeenstemming te brengen met de desbetreffende bestemming. Daarbij wordt volgens hem passief beleid gevoerd, hetgeen betekent dat als de recreatieve activiteiten worden beëindigd het betreffende gebouw enkel nog overeenkomstig de geldende bestemming mag worden gebruikt.

2.19.2. Aan de percelen waarop de bovengenoemde bijgebouwen staan, is de bestemming "Wonen-1" dan wel de bestemming "Wonen-2" toegekend. Ingevolge de artikelen 26, lid 26.1, en 27, lid 27.1, mogen deze bijgebouwen niet voor recreatieve doeleinden worden gebruikt.

In artikel 36, lid 36.4, van de planregels is bepaald dat het gebruik van de bijgebouwen behorend bij de in de onderstaande tabel opgenomen adressen, ten behoeve van recreatieve bewoning mag worden voortgezet tenzij:

a. het gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken;

b. het gebruik in omvang wordt vergroot.

In de bij deze planregel behorende tabel zijn alle onder overweging 2.19 genoemde adressen opgenomen, met uitzondering van de percelen [locatie 18] en [locatie 19].

2.19.3. Ter zitting is vast komen te staan dat ten aanzien van de percelen [locatie 18], [locatie 10], [locatie 12], [locatie 13], [locatie 21], [locatie 22], [locatie 20] en [locatie 15] door het college van burgemeester en wethouders van Ameland bouwvergunningen zijn afgegeven voor hetzij het ombouwen van de bijgebouwen die op deze percelen zijn opgericht tot, samengevat weergegeven, recreatiewoningen, hetzij het aanbrengen van wijzigingen in reeds bestaande recreatiewoningen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 mei 2003 in zaak nr. 200203644/1) is een rechtsgeldige bouwvergunning een bestaand recht waaraan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel niet voorbij kan worden gegaan. Ter zitting heeft de raad erkend dat met deze bouwvergunningen ten onrechte geen rekening is gehouden bij het vaststellen van het plan.

Met betrekking tot het recreatieve gebruik van het gebouw op het perceel [locatie 19] heeft de raad ter zitting erkend dat abusievelijk voor dit gebouw in het geheel geen regeling is opgenomen in het plan, terwijl dit wel had gemoeten.

Gezien het bovenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen 1" respectievelijk "Wonen 2" voor de percelen [locatie 18], [locatie 10], [locatie 12], [locatie 13], [locatie 21], [locatie 22], [locatie 20] en [locatie 15], alsmede de vermelding van deze percelen, behoudens [locatie 18], in de bij artikel 36, lid 36.4, van de planregels behorende tabel is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd

2.19.4. Met betrekking tot de percelen [locatie 16], [locatie 23], [locatie 14] en [locatie 17] en [locatie 11] overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat voor de bijgebouwen op deze percelen die als recreatiewoning worden gebruikt geen bouwvergunningen voor het ombouwen tot recreatiewoning zijn verleend en ook het gebruik van de bijgebouwen op deze percelen als recreatiewoning was onder het hiervoor geldende plan niet toegestaan. Met de in artikel 36, lid 36.4, van de planregels getroffen regeling voor deze percelen zijn derhalve meer gebruiksmogelijkheden voor deze bijgebouwen toegekend dan waarop de eigenaren daarvan aanspraak konden maken. Reeds om deze reden ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] en anderen ten aanzien van deze percelen naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in artikel 36, lid 36.4, van de planregels opgenomen regeling voor recreatief gebruik van bijgebouwen strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 9]

Verkoopactiviteiten

2.20. [appellant sub 9] betoogt dat door het toekennen van de bestemming "Wonen-1" aan zijn perceel, [locatie 24], het niet langer mogelijk is om materialen te verkopen binnen het klusbedrijf dat hij op dit perceel exploiteert. Volgens [appellant sub 9] wordt hij hierdoor onnodig in zijn bedrijfsvoering beperkt. Verder betoogt hij dat zijn bedrijf had moeten worden opgenomen in de bij het bestemmingsplan behorende lijst van bedrijven.

2.20.1. De raad heeft betoogd dat gezien de huidige plansystematiek enkel de bestemmingen "Detailhandel" of "Bedrijven" zouden kunnen behoren bij de bedrijfsvoering op het perceel [locatie 24]. Hij heeft geen van deze bestemmingen toegekend omdat het perceel overwegend in gebruik is voor wonen, en omdat bedrijfs- of detailhandelactiviteiten niet passen in de omgeving, namelijk een woonwijk. Voorts wijst hij er op dat de afstand tussen het perceel [locatie 24] en nabijgelegen woningen klein is. Voorts heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 26, lid 26.1 van de planregels de voor "Wonen-1" aangewezen gronden bestemd zijn voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep. De werkzaamheden op het perceel [locatie 24] zijn volgens de raad zo kleinschalig, ook wat milieubelasting betreft, dat zij onder het begrip "aan huis verbonden beroep" vallen. Met de bestemming "Wonen-1" kunnen de huidige activiteiten daarom worden gecontinueerd. Voorts heeft de raad gezien de kleinschaligheid van de bedrijfsactiviteiten op het perceel geen aanleiding gezien het bedrijf van [appellant sub 9] te plaatsen op de lijst van bedrijven.

2.20.2. Aan het perceel [locatie 24] was onder het hiervoor geldende plan de bestemming "Eengezinshuis" met de nadere aanduiding "winkels en ambachtelijke bedrijven toegestaan" toegekend. Ingevolge artikel 9 van de planvoorschriften van dat plan was onder meer detailhandel toegestaan op percelen met deze aanduiding.

Ingevolge artikel 26, lid 26.1, van de planregels van het ter beoordeling staande plan zijn de voor "Wonen-1" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor:

1. een aan-huis-verbonden beroep; (…).

In artikel 1, onder 6, van de planregels is het begrip "aan-huis-verbonden beroep" omschreven als een beroep, dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten.

2.20.3. Op het perceel [locatie 24] is zowel de woning van [appellant sub 9] gevestigd als een klein klusbedrijf, van waaruit [appellant sub 9] klusdiensten verricht en op bestelling klusmaterialen zoals verf verkoopt. Niet in geschil is dat de raad niet heeft beoogd de bestaande bedrijfsactiviteiten, waaronder de verkoopactiviteiten, te beëindigen door het toekennen van de bestemming "Wonen-1". Het begrip "diensten" is evenwel niet omschreven in de definitiebepalingen van het plan. Ook anderszins blijkt uit de planregels niet wat onder dit begrip dient te worden verstaan en of verkoopactiviteiten hieronder kunnen vallen. Het begrip "verkoop" is in artikel 1, onder 30, van de planregels daarentegen wel opgenomen in de definitie van het begrip "detailhandel". De Afdeling leidt hieruit af dat verkoopactiviteiten door de raad in ieder geval niet worden gezien als onderdeel van het begrip "diensten". Gelet hierop, en op de betekenis die in het normale spraakgebruik aan het begrip "verkoop" wordt toegekend, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de verkoopactiviteiten ook onder het begrip "diensten" vallen en daarmee niet zijn toegestaan op het perceel van [appellant sub 9]. Nu het de bedoeling van de raad is geweest de bedrijfsactiviteiten, waaronder de kleinschalige verkoopactiviteiten als zodanig te bestemmen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.20.4. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Parkeerplaats en dobben

2.21. [appellant sub 9] betoogt dat ten onrechte de bestemming "verkeer-parkeerplaats" is toegekend aan de volkstuinen achter zijn woning. [appellant sub 9] voert daartoe aan dat met de toekenning van deze bestemming aan deze volkstuinen zijn vrije uitzicht en het beschermde dorpsgezicht onevenredig worden aangetast.

2.21.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de volkstuinen grenzen aan een reeds bestaand parkeerterrein. Met de uitbreiding van dit bestaande parkeerterrein kan gedeeltelijk worden voorzien in de grote behoefte aan parkeervoorzieningen in Hollum.

2.21.2. De Afdeling acht aannemelijk dat door het te realiseren parkeerterrein het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 9] in zekere mate wordt aangetast. Gelet op het feit dat de afstand tussen het perceel waarop de parkeerplaats zal worden aangelegd en de woning van [appellant sub 9] minimaal 30 meter bedraagt en op het parkeerterrein de maximale bouwhoogte 3 meter voor gebouwen en 5,5 meter voor bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de aantasting van het uitzicht van [appellant sub 9] zo ernstig zal zijn, dat de raad bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gebaat bij het realiseren van het parkeerterrein dan aan het belang van [appellant sub 9]. Het betoog faalt.

2.22. [appellant sub 9] kan zich niet verenigen met de aanduiding "recreatie" die is toegekend aan zijn gronden met de bestemming "Agrarisch - Cultuurgrond" nabij de dobbe "Leenewiel" en de dobbe "Lombok". [appellant sub 9] stelt dat hij geen enkele medewerking zal verlenen aan het recreatieve gebruik van zijn gronden door derden en dat hij de gemeente Ameland heeft aangegeven op geen enkele wijze bereid te zijn om deze gronden te zullen verkopen.

2.22.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanduiding is toegekend aan de bovengenoemde gronden zodat daar in de toekomst wandelpaden zouden kunnen worden aangelegd en bankjes kunnen worden geplaatst. [appellant sub 9] is volgens de raad in het geheel niet verplicht hieraan mee te werken dan wel het gebied openbaar te stellen voor recreatief gebruik door derden.

2.22.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Cultuurgrond" aangewezen gronden bestemd voor:

(…)

f. beperkt recreatief medegebruik, ter plaatse van de aanduiding "recreatie";

(…)

2.22.3. De Afdeling is van oordeel dat uit artikel 4, lid 4.1 van de planregels volgt dat het onder de bestemming "Agrarisch - Cultuurgrond" toegestane recreatief medegebruik niet verplicht tot openstelling van het terrein voor derden dan wel het realiseren van de door de raad genoemde voorzieningen, maar slechts de mogelijkheid biedt voor [appellant sub 9] of diens rechtsopvolgers om - indien zij in de toekomst hiertoe wel bereid zijn -recreatievoorzieningen aan te leggen. Bij het bestemmen van gronden in een bestemmingsplan gaat het immers om toelatingsplanologie. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan de gronden van [appellant sub 9] de aanduiding "recreatie" had kunnen toekennen. Het betoog faalt.

2.22.4. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10]

2.23. [appellant sub 10] betoogt dat aan het perceel [locatie 25] naast de bestemming "Detailhandel" ook de bestemming "Horeca" had moeten worden toegekend. Hij wijst er in dit verband op dat in het hiervoor geldende plan het perceel de bestemming "Horeca" had. Dat een vrijstelling is verleend voor detailhandel, betekent volgens [appellant sub 10] niet dat de horecabestemming had moeten komen te vervallen. Volgens hem biedt de mogelijkheid om horeca op het perceel uit te oefenen de mogelijkheid om snel in te kunnen spelen op trends en ontwikkelingen in de toeristenmarkt op Ameland. Tot slot wijst [appellant sub 10] er op dat diverse andere met naam genoemde detailhandels wel een horecabestemming hebben gekregen.

2.23.1. De raad heeft betoogd dat bij besluit van 12 december 2005 een vrijstelling van het hiervoor geldende plan is verleend voor het gebruik van het perceel ten behoeve van detailhandel. Bij het opstellen van het thans ter beoordeling staande plan is gebleken dat het perceel voor detailhandel werd gebruikt. Verder heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat in het Horecabeleidsplan dat op 18 december 2006 is vastgesteld, is vermeld dat een dubbelbestemming "Horeca" niet wenselijk is. Daarnaast acht de raad de ontwikkeling van horeca alleen in het centrum van Hollum wenselijk. Het perceel van [appellant sub 10] ligt volgens de raad buiten het centrum en komt derhalve niet voor een horecabestemming in aanmerking. De door [appellant sub 10] genoemde detailhandels zijn daarnaast niet vergelijkbaar met de situatie van [appellant sub 10], aldus de raad.

2.23.2. Ter zitting heeft [appellant sub 10] verklaard dat de door hem gewenste horeca-activiteiten louter zullen bestaan uit dagcomplementaire horeca, bestaande uit het serveren van koffie, thee, fris, gebak en een lunch in de tuin. De raad heeft ter zitting verklaard er van te zijn uitgegaan dat de horeca-activiteiten die [appellant sub 10] op het perceel zou willen exploiteren ruimer waren dan [appellant sub 10] ter zitting heeft aangegeven en dat hij zich hierover nader zou willen beraden. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.23.3. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Proceskosten

2.24. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 6], [appellant sub 9] en [appellant sub 10] op hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellante sub 2] bestaat geen aanleiding. Wat betreft de overige appellanten is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 5] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 5 A], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 5], voor zover ontvankelijk, en [appellant sub 9] gedeeltelijk, en de beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 8], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 10], geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Ameland van 14 december 2009, nummer 13, voor zover het betreft:

a. het bouwvlak op het perceel [locatie 1] te Hollum;

b. het plandeel met de bestemming "Wonen-2" voor het perceel gelegen tussen de percelen [locatie 3] en [locatie 2] te Hollum;

c. de plandelen met de bestemming "Wonen-1" voor de percelen [locatie 18], [locatie 4] en [locatie 5], [locatie 15], [locatie 8], [locatie 24], [locatie 19], [locatie 7], [locatie 10], [locatie 22] en [locatie 20], alle te Hollum;

d. de plandelen met de bestemming "Wonen-2" is toegekend aan de percelen [locatie 12], [locatie 13] en [locatie 21], alle te Hollum;

e. de tabel behorende bij artikel 36, lid 36.4, van de planregels voor zover het betreft de percelen [locatie 15], [locatie 20], [locatie 10], [locatie 22], [locatie 12], [locatie 13] en [locatie 21];

f. het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel [locatie 6], voor zover dat ligt achter de percelen Zuiderlaan 8 en Zuiderlaan 10 te Hollum;

g. het plandeel met de bestemming "Detailhandel" voor het perceel [locatie 25] te Hollum;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dat onder III, onder b, is vernietigd, in stand blijven;

V. draagt de raad van de gemeente Ameland op om binnen zestien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor de onder III, onder a, c, d, f en g genoemde plandelen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 5] en anderen, voor zover ontvankelijk, en [appellant sub 9] beide voor het overige, en [appellante sub 2] geheel ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Ameland tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. bij [appellant sub 6] tot een bedrag van € 563,05 (zegge: vijfhonderddrieënzestig euro en vijf cent), waarvan € 437,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. bij [appellant sub 9] tot een bedrag van € 1179,71 (zegge: elfhonderdnegenenzeventig euro en eenenzeventig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. bij [appellant sub 10] tot een bedrag van € 50,71 (zegge: vijftig euro en eenenzeventig cent);

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Ameland aan appellanten elk het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat ten aanzien van [appellant sub 5] en anderen betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Van Helvoort

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

361.