Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8814

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201004181/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2010, kenmerk 1653937/1662397, heeft het college aan de raad een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 11 februari 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Alphen-Chaam 2010" (hierna: het bestemmingsplan).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/404
AB 2012/212 met annotatie van A.A.J. de Gier
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004181/1/R3.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Strijbeek, gemeente Alphen-Chaam,

2. [appellant sub 2], wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

3. de raad van de gemeente Alphen-Chaam,

4. [appellante sub 4], gevestigd te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

5. [appellant sub 5], wonend te Chaam, gemeente Alphen-Chaam,

6. [appellant sub 6], wonend te Ulvenhout, gemeente Breda,

7. [appellant sub 7], wonend te Prinsenbeek, gemeente Breda, en andere (hierna in enkelvoud: [appellant sub 7]),

8. [appellant sub 8], wonend te Ulvenhout, gemeente Alphen-Chaam,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2010, kenmerk 1653937/1662397, heeft het college aan de raad een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 11 februari 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Alphen-Chaam 2010" (hierna: het bestemmingsplan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], de raad, [appellante sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] tijdig beroep ingesteld. Een aantal heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2012, waar het merendeel van de partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.1. [appellante sub 4] heeft aangegeven dat zij een adviesbureau heeft dat werkzaam is in de provincie Noord-Brabant. Zij stelt dat zij moet worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit. In dit verband wijst zij onder meer op artikel 2 van haar statuten.

2.1.2. Blijkens artikel 2 van haar statuten, voor zover hier van belang, heeft [appellante sub 4] ten doel:

a. het geven van adviezen op het gebied van bouwvergunningen en milieuwetgeving verband houdende met de bouw en voorts het verrichten van alle handelingen welke met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daaraan bevorderlijk kunnen zijn.

2.1.3. [appellante sub 4] is, zo heeft zij ter zitting aangegeven, een adviesbureau dat werkt in opdracht van ondernemers, particulieren en ontwikkelaars. Bij brief van 4 januari 2011 heeft zij desgevraagd vermeld dat zij beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit vanuit haar positie als een soort belangenbehartiger van haar (potentiële) klanten, die zijn gevestigd in het bestemmingsplangebied of die wonen in dat gebied. Zij stelt dat het daarbij gaat om aspecten waarvan haar (potentiële) klanten nog niet de gevolgen kunnen overzien en die niet zijn te herleiden tot concrete gevallen, maar waarvan zij, vanwege haar expertise, in de toekomst nadelige gevolgen verwacht. Daarbij heeft zij zich naar eigen zeggen beperkt tot aspecten die niet door anderen in beroep zijn bestreden. Zij verzoekt de Afdeling over die aspecten een rechtmatigheidsoordeel te geven.

2.1.4. Gelet op het hiervoor weergegeven artikel 2 van de statuten en de daarop door [appellante sub 4] gegeven toelichting, is de Afdeling van oordeel dat [appellante sub 4] geen rechtspersoon is die zich ten doel stelt om op te komen voor de bescherming van bovenindividuele belangen. Zij kan derhalve niet worden aangemerkt als een rechtspersoon die, krachtens haar doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden, algemene en collectieve belangen behartigt als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

Uit de brief van [appellante sub 4] van 4 januari 2011 en uit het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat [appellante sub 4] zelf geen gronden heeft in het gebied waarvoor het bestemmingsplan is vastgesteld. Zij heeft voorts geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat zij een objectief en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks door het betreden besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

2.1.5. De conclusie is dat [appellante sub 4] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellante sub 4] is niet-ontvankelijk.

Wettelijk kader

2.2. Ingevolge artikel 3.8, vierde lid, van de Wro, voor zover hier van belang, wordt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zes weken na de vaststelling bekendgemaakt, indien door het college een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen of indien de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van het college.

Ingevolge het zesde lid, eerste volzin, kan het college, indien aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden is voldaan, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, binnen de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan aan de raad een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld (hierna: reactieve aanwijzing). Ingevolge de vierde volzin vermeldt het college in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan hem toekomende bevoegdheden te beschermen.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, kan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, het college aan de raad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

Maximale inhoudsmaat burgerwoningen

2.3. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot artikel 23.2.2, onder a, van de planregels.

2.3.1. Artikel 23 van de planregels heeft betrekking op de bestemming "Wonen". Ingevolge artikel 23.2.2, onder a, mag de inhoud van een woning niet meer bedragen dan 750 m³; indien de bestaande inhoud meer bedraagt dan 750 m³ dan mag de bestaande inhoud niet worden uitgebreid.

2.3.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot artikel 23.2.2, onder a, van de planregels ten grondslag gelegd dat een maximale inhoudsmaat van 600 m3 (exclusief ondergrondse ruimten) voor burgerwoningen in het buitengebied in beginsel voldoende moet worden geacht. Het college heeft geen bezwaar tegen de handhaving van bestaande woningen met een grotere inhoud, maar kan zich niet verenigen met de mogelijkheid om kleinere woningen te herbouwen dan wel uit te breiden tot een inhoud van meer dan 600 m3. Dit vormt volgens het college een visuele inbreuk op het natuurlijke landschap en kan leiden tot een toename van niet-functioneel aan het buitengebied gebonden verstening, zonder dat daar kwaliteitswinst (bijvoorbeeld door middel van een rood-voor-groen- of een ruimte-voor-ruimteconstructie) tegenover staat. Het college acht dit in strijd met het provinciale belang.

2.3.3. De raad, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij betogen dat geen sprake is van provinciale belangen die het geven van deze aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

De raad heeft onder meer aangevoerd dat in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening) geen maximale inhoudsmaat voor burgerwoningen in het buitengebied is opgenomen en dat hij op dit punt een eigen beleidskeuze heeft mogen maken. Volgens de raad wordt met het hanteren van een maximale inhoudsmaat van 750 m3 voor alle woningen in het buitengebied een einde gemaakt aan de rechtsongelijkheid tussen bedrijfswoningen, waarvoor de genoemde inhoudsmaat reeds wordt gehanteerd, en niet-bedrijfswoningen, die in het verleden doorgaans een inhoud van 500 m3 of 600 m3 mochten hebben.

[appellant sub 6] en [appellant sub 8] hebben vergelijkbare beroepsgronden naar voren gebracht. In aanvulling daarop stellen zij dat de mogelijkheid om bestaande woningen te verbouwen en uit te breiden tot 750 m3 kan leiden tot het behoud van voor het buitengebied kenmerkende boerderijgebouwen en tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

2.3.4. Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 8] overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens hun beroepschriften zijn zij (mede)eigenaar van een woning in het plangebied en hebben zij beroep ingesteld om te bewerkstelligen dat zij hun woningen kunnen uitbreiden tot een inhoud van meer dan 600 m3.

Anders dan het college bij het nemen van zijn besluit kennelijk heeft beoogd, heeft de reactieve aanwijzing met betrekking tot artikel 23.2.2, onder a, van de planregels er toe geleid dat het bestemmingsplan is bekendgemaakt en in werking is getreden zonder een maximale inhoudsmaat voor burgerwoningen. Blijkens het verhandelde ter zitting is, in verband hiermee, inmiddels een omgevingsvergunning voor bouwen verleend voor de vervangende nieuwbouw van de woning van [appellant sub 6] en is een bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van de woning van [appellant sub 8]. Deze vergunningen, die inmiddels onherroepelijk zijn geworden, maken een uitbreiding van de desbetreffende woningen mogelijk tot een inhoud van meer dan 600 m3, zo hebben de raad en [appellant sub 8] ter zitting vermeld. De raad heeft daarbij aangegeven dat hij inmiddels voorbereidingsbesluiten als bedoeld in artikel 3.7 van de Wro heeft genomen, om te voorkomen dat alle vergunningaanvragen voor de uitbreiding van een burgerwoning moeten worden gehonoreerd wegens het ontbreken van een maximale inhoudsmaat voor burgerwoningen in de planregels.

Uit het vorenstaande volgt dat [appellant sub 6] en [appellant sub 8] inmiddels hebben bereikt wat zij met het instellen van hun beroepen hebben beoogd.

In zoverre hebben zij dan ook geen belang meer bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Ook anderszins is niet gebleken dat zij nog processueel belang hebben bij een inhoudelijk oordeel.

De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 8] zijn derhalve niet-ontvankelijk.

2.3.5. Ten aanzien van het beroep van de raad wordt het volgende overwogen. In de uitspraak van 18 november 2011 in zaak nr. 200908600/6/R4 heeft de Afdeling geoordeeld over een beroep tegen een reactieve aanwijzing van het college met betrekking tot het door de raad van de gemeente Eersel vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied". Het betrof een aanwijzing ten aanzien van een inhoudsmaat van 650 m3 voor woningen in het buitengebied.

De Afdeling heeft het aanwijzingsbesluit in zoverre vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. In de overwegingen 2.62.1 en 2.62.2 van die uitspraak is daartoe, kort samengevat, overwogen dat het college gebruik kan maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing in gevallen waarin het stellen van algemene regels wordt overwogen of voorbereid, dat het college de desbetreffende aanwijzing heeft gegeven vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, maar dat de door het college opgelegde inhoudsmaat van maximaal 600 m3 voor woningen in het buitengebied, zoals neergelegd in paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota, geen vertaling heeft gekregen in de Verordening. Daarbij is in aanmerking genomen dat de Verordening geen specifieke regels over de maximale inhoud van burgerwoningen in het buitengebied bevat en dat de in artikel 2.1 van de Verordening opgenomen zorgplicht zodanig algemeen is dat daaruit niet kan worden afgeleid dat een maximale inhoud van 650 m3 voor burgerwoningen in het buitengebied niet aanvaardbaar kan worden geacht. Gelet hierop heeft de Afdeling in voornoemde uitspraak geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat provinciale belangen door de desbetreffende planregel onvoldoende worden gewaarborgd en een reactieve aanwijzing noodzakelijk maken.

2.3.6. In het voorliggende geval ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraak van 18 november 2011.

Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat het college ook dit besluit heeft genomen vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, ter waarborging van provinciale belangen die een vertaling zouden krijgen in de Verordening, terwijl de Verordening op dit punt geen specifieke regels bevat. De Afdeling overweegt verder dat de reactieve aanwijzing in het voorliggende geval weliswaar betrekking heeft op een ruimere inhoudsmaat voor burgerwoningen dan in de hiervoor genoemde uitspraak, maar dat het college niet kan worden gevolgd in het standpunt dat met een inhoudsmaat van 750 m3 onvoldoende invulling wordt gegeven aan de algemene zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 2.1 van de Verordening.

2.3.7. Gelet op het vorenstaande heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat provinciale belangen door artikel 23.2.2, onder a, van de planregels onvoldoende worden gewaarborgd en een reactieve aanwijzing noodzakelijk maken. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.3.8. Het beroep van de raad is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot artikel 23.2.2, onder a, van de planregels, dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.3.9. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op artikel 23.2.2, onder a, van de planregels, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden die in het kader van het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze hebben ingediend tegen dit planonderdeel, dan wel aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten ter zake geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, beroep bij de Afdeling openstaat.

Paardenhouderijen

2.4. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het zinsdeel "inclusief pensionstal" in de begripsomschrijving van "agrarisch bedrijf" die is opgenomen in artikel 1 van de planregels.

Daarnaast heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de bijzin "zoals fok- en opfokbedrijven, hengstenhouderij, paardenmelkerij, spermawinstation, handelsstal, stoeterij en/of sportstal, paardenpension" in de begripsomschrijving van "grondgebonden agrarisch bedrijf" die is opgenomen in artikel 1 van de planregels.

2.4.1. In artikel 1 van de planregels is het begrip "agrarisch bedrijf" gedefinieerd als "een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren, waaronder mede wordt verstaan de met die activiteiten qua aard vergelijkbare activiteiten, zoals een productiegerichte paardenhouderij, inclusief pensionstal".

Het begrip "grondgebonden agrarisch bedrijf" is in dit artikel gedefinieerd als "een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden behorend bij het bedrijf. Hieronder worden ook productiegerichte paardenhouderijen verstaan zoals fok- en opfokbedrijven, hengstenhouderij, paardenmelkerij, spermawinstation, handelsstal, stoeterij en/of sportstal, paardenpension".

2.4.2. Het college heeft aan de bovengenoemde reactieve aanwijzingen ten grondslag gelegd dat in de desbetreffende begripsbepalingen niet alleen voorbeelden zijn opgenomen van productiegerichte paardenhouderijen, maar ook van niet-productiegerichte paardenhouderijen zoals een pensionstal. Nu in de bestemmingsregels voor agrarische bedrijven geen uitzonderingen worden gemaakt voor niet-productiegerichte paardenhouderijen, kunnen deze op ieder agrarisch bouwblok, dus ook in het landbouwontwikkelingsgebied en in de GHS-landbouw, worden gevestigd. Het college acht dit in strijd met het provinciale belang, zoals dat onder meer is verwoord in de beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling, die door het college is vastgesteld op 20 juli 2004 (hierna: de beleidsnota Buitengebied).

2.4.3. [appellant sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 7], die allen een paardenfokkerij inclusief pensionstal in het plangebied exploiteren, en de raad stellen dat deze reactieve aanwijzingen ten onrechte zijn gegeven. Zij betogen dat geen sprake is van provinciale belangen die het geven van deze aanwijzingen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

De raad heeft aangevoerd dat het vastgestelde bestemmingsplan op dit punt niet in strijd is met het provinciale beleid, zoals dat onder meer was neergelegd in de beleidsnota Buitengebied. Verder heeft de raad aangevoerd dat in de Verordening geen regels zijn opgenomen ten aanzien van paardenhouderijen. De raad stelt dan ook dat hij op dit punt een eigen beleidskeuze heeft mogen maken, waarbij hij heeft kunnen aansluiten bij de brochure "Paardenhouderij en ruimtelijke ordening; Herziene handreiking voor de praktijk" van februari 2009, die is opgesteld door de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de Sectorraad Paarden.

[appellant sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 7] hebben vergelijkbare beroepsgronden naar voren gebracht. In aanvulling daarop stellen zij onder meer dat de reactieve aanwijzingen leiden tot een beperking van hun bedrijfsvoering.

2.4.4. Zoals reeds is overwogen onder 2.3.6 heeft het college het bestreden aanwijzingsbesluit genomen vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, ter waarborging van provinciale belangen die een vertaling zouden krijgen in de Verordening. Blijkens de overwegingen van het bestreden besluit heeft het college zich, voor de inhoudelijke afweging of er provinciale belangen in het geding zijn, onder meer gebaseerd op de beleidsnota Buitengebied.

In die beleidsnota is, voor zover hier van belang, vermeld dat het niet noodzakelijk is de vestiging van paardenhouderijen op voormalige agrarische bedrijfslocaties binnen de GHS-landbouw in zijn algemeenheid uit te sluiten en dat het oprichten van een in omvang beperkte rijhal ten dienste van africhtactiviteiten aanvaardbaar is, mits er geen publieks- en verkeersaantrekkende activiteiten worden uitgeoefend. Verder is daarin vermeld dat - buiten de locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven (waaruit volgt dat vestiging van een paardenhouderij in landbouwontwikkelingsgebied in beginsel niet mogelijk is) en buiten de locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de regeling ‘ruimte-voor-ruimte’ - vestiging op een voormalige agrarische bedrijfslocatie is toegestaan.

2.4.5. De Afdeling stelt vast dat het hiervoor weergegeven beleid ten aanzien van paardenhouderijen niet is omgezet in algemene regels, zodat de onder 2.4 genoemde plandelen niet in strijd zijn met de inmiddels vastgestelde en in werking getreden Verordening. Het college heeft dit ter zitting bevestigd. Gelet hierop is in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat provinciale belangen door de desbetreffende plandelen onvoldoende worden gewaarborgd en het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot deze plandelen noodzakelijk maken.

2.4.6. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 7] zijn geheel en het beroep van de raad is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij reactieve aanwijzingen zijn gegeven met betrekking tot het zinsdeel "inclusief pensionstal" in de begripsomschrijving van "agrarisch bedrijf" die is opgenomen in artikel 1 van de planregels en met betrekking tot de bijzin "zoals fok- en opfokbedrijven, hengstenhouderijen, paardenmelkerij, spermawinstation, handelsstal, stoeterij en/of sportstal, paardenpension" in de begripsomschrijving van "grondgebonden agrarisch bedrijf" die is opgenomen in artikel 1 van de planregels, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.4.7. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.4.8. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het zinsdeel "inclusief pensionstal" in de begripsomschrijving van "agrarisch bedrijf" die is opgenomen in artikel 1 van de planregels, alsmede voor zover dat betrekking heeft op de bijzin "zoals fok- en opfokbedrijven, hengstenhouderijen, paardenmelkerij, spermawinstation, handelsstal, stoeterij en/of sportstal, paardenpension" in de begripsomschrijving van "grondgebonden agrarisch bedrijf" die is opgenomen in artikel 1 van de planregels, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden die in het kader van het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze hebben ingediend tegen dit planonderdeel, dan wel aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten ter zake geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, beroep bij de Afdeling openstaat.

Nevenactiviteiten en verbrede landbouw

2.5. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot artikel 4.5.1 van de planregels, uitsluitend wat betreft het op de planverbeeldingen aangegeven "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied".

2.5.1. Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven.

Ingevolge artikel 4.5.1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 4.1, onder a, voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten, onder de nader gestelde voorwaarden.

2.5.2. [appellant sub 2], die een agrarisch bedrijf exploiteert in het deel van het plangebied dat is aangeduid als landbouwontwikkelingsgebied, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven.

2.5.3. Ter zitting heeft het college aangegeven dat hij zich inmiddels kan verenigen met artikel 4.5.1 van de planregels, ook voor zover dit betrekking heeft op het op de planverbeeldingen aangegeven "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied".

Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan het in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot artikel 4.5.1 van de planregels, uitsluitend wat betreft het op de planverbeeldingen aangegeven "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied", dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.5.4. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.5.5. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op artikel 4.5.1 van de planregels, uitsluitend wat betreft het op de planverbeeldingen aangegeven "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied", onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden die in het kader van het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze hebben ingediend tegen dit planonderdeel, dan wel aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten ter zake geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, beroep bij de Afdeling openstaat.

Proceskosten

2.6. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 5] en [appellant sub 7] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de raad is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellante sub 4] is voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.3.7, dient het college eveneens op na te melden wijze te worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 6]. Ten aanzien van [appellant sub 8] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Verder ziet de Afdeling, gezien het voorgaande, aanleiding het college te gelasten ook het griffierecht te vergoeden dat [appellant sub 6] en [appellant sub 8] voor de behandeling van het beroep hebben betaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 8] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], de raad van de gemeente Alphen-Chaam, [appellant sub 5] en [appellant sub 7] en andere gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 23 maart 2010, kenmerk 1653937/1662397, voor zover daarbij ten aanzien van het op 11 februari 2010 door de raad van de gemeente Alphen-Chaam vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Alphen-Chaam 2010" een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot:

- artikel 23.2.2, onder a, van de planregels,

- het zinsdeel "inclusief pensionstal" in de begripsomschrijving van "agrarisch bedrijf" die is opgenomen in artikel 1 van de planregels,

- de bijzin "zoals fok- en opfokbedrijven, hengstenhouderijen, paardenmelkerij, spermawinstation, handelsstal, stoeterij en/of sportstal, paardenpension" in de begripsomschrijving van "grondgebonden agrarisch bedrijf" die is opgenomen in artikel 1 van de planregels,

- artikel 4.5.1 van de planregels, uitsluitend wat betreft het op de planverbeeldingen aangegeven "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied";

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van:

- de bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 7] en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2],

- € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de raad van de gemeente Alphen-Chaam,

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 5],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 6],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 7] en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 8].

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Breunese-van Goor

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

208.