Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8808

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201106150/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2010 heeft Belastingsdienst/Toeslagen de huurtoeslag 2007 voor [appellante] vastgesteld op nihil en een betaald voorschot ten bedrage van € 1.529,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106150/1/A2.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2011 in zaak nr. 10/5033 in het geding tussen:

[appellante]

en

Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2010 heeft Belastingsdienst/Toeslagen de huurtoeslag 2007 voor [appellante] vastgesteld op nihil en een betaald voorschot ten bedrage van € 1.529,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 7 september 2010 heeft Belastingsdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Belastingsdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [vader], is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Awir, wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, bestaat indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, geen aanspraak op een tegemoetkoming indien bij de belanghebbende over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstellingen bedoeld in afdeling 5.3 en 5.3A van die wet.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, is toetsingsinkomen: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, worden, indien voorschotten zijn verleend, deze verrekend met de tegemoetkoming.

Ingevolge het derde lid kan de in het tweede lid bedoelde verrekening leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 26 is, indien de herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

Ingevolge artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt het voordeel uit sparen en beleggen gesteld op 4% van het (forfaitair rendement) van het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (begindatum) en de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar (einddatum), voor zover het gemiddelde meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat Belastingdienst/Toeslagen niet tot terugvordering mocht overgaan. Zij voert in de eerste plaats aan dat Belastingdienst/Toeslagen niet heeft aangetoond dat haar in 2007 een voorschot op de huurtoeslag 2007 is toegekend, dat nadien kan worden teruggevorderd. Verder voert zij aan dat Belastingdienst/Toeslagen ten tijde van de betaling van de huurtoeslag in 2007 uit haar belastingaangiften over 2005 en 2006 wist dat zij beschikte over voordeel uit sparen en beleggen in box 3. Voorts voert zijn aan dat Belastingdienst/Toeslagen bij de aanvraag van huurtoeslag niet heeft gevraagd naar haar inkomen in box 3.

2.2.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellante] volgens de dienst inkomstenbelasting voor het belastingjaar 2007 een voordeel had uit sparen en beleggen, waarvan Belastingen/Toeslagen bij de definitieve vaststelling van de huurtoeslag 2007 diende uit te gaan, en dat zij daarom ingevolge artikel 7, derde lid, van de Awir geen aanspraak kon maken op huurtoeslag in 2007. De rechtbank heeft verder overwogen dat [appellante] niet heeft betwist dat zij op grond van haar fiscale inkomen over 2007 achteraf gezien geen recht had op huurtoeslag 2007. Nu [appellante] deze overweging in hoger beroep niet heeft betwist, moet daarvan worden uitgegaan. Dit betekent dat alleen de terugvordering van de in 2007 betaalde huurtoeslag in geschil is.

2.2.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen, dat uit het gegeven dat het recht op huurtoeslag afhankelijk is van de fiscale inkomens- en vermogenspositie van de aanvrager over het jaar waarvoor de huurtoeslag wordt aangevraagd volgt, dat betalingen die gedurende dat jaar worden gedaan noodzakelijkerwijs het karakter moeten hebben van voorschotten of voorlopige betalingen. De fiscale inkomens- en vermogenspositie van de aanvrager kan immers eerst na afloop van dat jaar bekend zijn. Dat, zoals [appellante] aanvoert, uit haar aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2005 en 2006 bekend kon zijn dat zij voordeel uit sparen en beleggen heeft, is niet van belang, reeds omdat Belastingdienst/Toeslagen ingevolge artikel 7, eerste en derde lid, en artikel 8, eerste lid, van de Awir bij de vaststelling van de huurtoeslag 2007 van het toetsingsinkomen over 2007 moest uitgaan. In de digitaal beschikbare toelichting bij het aanvraagformulier is vermeld dat de huurtoeslag in eerste instantie als voorschot in maandelijkse termijnen zal worden ontvangen, dat in 2008 een definitieve berekening zal worden ontvangen en dat als blijkt dat de aanvrager over 2007 teveel toeslag heeft ontvangen dit moet worden terugbetaald. In de 'Uitleg bij de vragen van het formulier' is voorts vermeld dat Belastingdienst/Toeslagen het toetsingsinkomen over heel 2007 gebruikt om de hoogte van de toeslag vast te stellen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat uit de artikelen 24 en 26 van de Awir volgt dat indien de huurtoeslag 2007 op een lager bedrag is vastgesteld dan het bedrag dat in 2007 aan voorschotten is betaald, hetgeen teveel is betaald geheel moet worden terugbetaald.

De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat in de toelichting bij het aanvraagformulier en in de voorlichtingsfolder over de huurtoeslag 2007 is vermeld wat onder inkomen wordt verstaan. Daarin is expliciet vermeld dat indien de aanvrager of een medebewoner over 2007 aangifte doet voor de inkomstenbelasting en één van deze voordeel heeft uit sparen en beleggen, de aanvrager niet in aanmerking komt voor huurtoeslag. De rechtbank heeft tevens met juistheid overwogen dat onbekendheid met regelgeving geen bijzondere omstandigheid oplevert om af te wijken van geldende wettelijke bepalingen.

Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

507.