Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8805

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201108518/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 7 mei 2010 heeft de minister aan [appellant] meegedeeld dat hij voor het gebruik van de Valkenburgergroeve Trichtergrubbe voor het houden van vissen en reptielen in aquaria en terraria en het hierlangs rondleiden van bezoekers een vergunning op grond van artikel 151, eerste lid, van het Mijnbesluit nodig heeft.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Mijnbesluit BES
Mijnbesluit BES 151
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108518/1/A3.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], handelend onder de naam Valkenburgs Grottenaquarium (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats], gemeente Valkenburg aan de Geul,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 juni 2011 in zaak nr. 10/1809 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

1. Procesverloop

Op 7 mei 2010 heeft de minister aan [appellant] meegedeeld dat hij voor het gebruik van de Valkenburgergroeve Trichtergrubbe voor het houden van vissen en reptielen in aquaria en terraria en het hierlangs rondleiden van bezoekers een vergunning op grond van artikel 151, eerste lid, van het Mijnbesluit nodig heeft.

Bij besluit van 8 oktober 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] per fax, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 september 2011.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Per faxen van 30 november 2011 en 8 februari 2012 hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft waarna het onderzoek is gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.2. [appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de mededeling van de minister van 7 mei 2010 een bestuurlijk rechtsoordeel bevat en het voor [appellant] niet onredelijk bezwarend is om een vergunning aan te vragen dan wel een handhavingsbesluit van de minister af te wachten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat zijn situatie bijzonder is omdat al een vergunning voorhanden is en het aanvragen van een vergunning en het voeren van een procedure aanzienlijke kosten met zich brengen.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 augustus 2004 in zaak nr. 200307139/1) kan, voor de beantwoording van de vraag of voor een voorgenomen handeling een vergunning is vereist, een vergunning worden aangevraagd dan wel bestuurlijke handhavingsmaatregelen kunnen worden afgewacht. Het bevoegde bestuursorgaan dient bij het nemen van een besluit op zulk een aanvraag of bij de besluitvorming over handhaving de toepasselijkheid van het verbod behoudens vergunning te beoordelen. Vervolgens kan tegen het aan het besluit ten grondslag liggende oordeel over de vergunningplicht door het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het besluit worden opgekomen.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kan, wanneer een bestuursorgaan, los van een aanvraag om vergunning of een handhavingsprocedure, op een daartoe strekkend verzoek een oordeel geeft over de vraag of voor het verrichten van een bepaalde handeling een vergunning is vereist, dit oordeel in het algemeen niet als een publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

Op het voorgaande kan een uitzondering worden gemaakt indien het doen van een aanvraag voor een vergunning onevenredig bezwarend is dan wel het afwachten van het resultaat van besluitvorming over het treffen van handhavingsmaatregelen wegens het intreden van onomkeerbare gevolgen of anderszins onevenredig bezwarend is.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het openhouden van de Trichtergrubbe voor het hebben van aquaria en terraria en het rondleiden van bezoekers niet kan worden aangemerkt als een onomkeerbare handeling. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de enkele onzekerheid of dat gebruik van de grot mag worden voortgezet, het afwachten van een besluit op een vergunningaanvraag of een handhavingsbesluit nog niet tot een onevenredig bezwarende weg maakt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellant] in een procedure gericht tegen zulke besluiten zijn stelling dat hij reeds over een vergunning beschikt, kan aanvoeren. Dat aan zulke procedures kosten zijn verbonden, maakt niet dat het voeren ervan als onevenredig bezwarend moet worden aangemerkt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 juli 2003 in zaak nr. 200300904/1) maakt de gestelde omstandigheid dat het indienen van een vergunningaanvraag aanmerkelijke kosten met zich brengt, evenmin dat het aanvragen van een vergunning alsnog onevenredig bezwarend is.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de brief van de minister van 7 mei 2010 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat hij het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

290.