Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8803

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201106325/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van op 3 april 2008 heeft de minister van Justitie het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/188

Uitspraak

201106325/1/V6.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zeist,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 april 2011 in zaak nr. 09/3034 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van op 3 april 2008 heeft de minister van Justitie het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 15 september 2009 heeft de minister van Justitie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 april 2011, verzonden op 26 april 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 juli 2011. Deze brieven zijn aangehecht

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.G.A.J. Adang, advocaat te Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 niettemin afgewezen, indien de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap zal het doen van afstand als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, met inachtneming van artikel 9, derde lid, niet worden verlangd, indien de verzoeker aantoont dat hij door het doen van afstand zodanige vermogensrechtelijke rechten, waaronder erfrechtelijke aanspraken, die hij thans in het land van oorsprong bezit, zal verliezen dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden.

2.1.1. Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) zijn niet alle verzoekers verplicht om afstand van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) te doen. In artikel 9, derde lid, van de RWN, worden vijf uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er nog andere vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) afstand doen. Het gaat daarbij om de volgende categorieën:

"(…)

5. de verzoeker die door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten zal verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden.

(…).".

Allereerst dient de verzoeker die zich op voormelde uitzondering beroept, aan de hand van, indien nodig, gelegaliseerde (eventueel geverifieerde) en zonodig vertaalde documenten van de autoriteiten van het herkomstland (zo mogelijk met de desbetreffende wettelijke bepalingen) aan te tonen dat hij die rechten of eigendommen zal verliezen, aldus de Handleiding.

Voorts zal de verzoeker moeten bewijzen dat hij bepaalde rechten of bepaalde eigendommen heeft. Dit bewijs zal volgens de Handleiding kunnen worden geleverd aan de hand van verklaringen van de autoriteiten van het herkomstland (bij van overheidswege verstrekte uitkeringen en eigendom van onroerende zaken), aan de hand van een notariële akte (bij erfrechtelijke aanspraken) dan wel aan de hand van een rechterlijke uitspraak (bij bestaande aanspraken op alimentatie). Deze documenten zijn authentieke akten die, indien nodig, gelegaliseerd (eventueel geverifieerd) en vertaald dienen te worden. Bij verklaringen van autoriteiten uit het herkomstland moeten de documenten zijn afgegeven door een bevoegde overheidsinstantie die over het bestaan van dat recht kan oordelen, aldus de Handleiding.

De verzoeker dient volgens de Handleiding voorts aan te tonen wat de huidige waarde is van die rechten of eigendommen. Dit is mogelijk aan de hand van de hierboven vermelde bewijsstukken.

Verder dient de verzoeker volgens de Handleiding aan te tonen dat hij als gevolg van het verlies van de rechten of eigendommen financieel nadeel lijdt. De verzoeker die eigenaar is van een onroerende zaak in het herkomstland en die de eigendom zal verliezen door het doen van afstand, lijdt geen financieel nadeel indien hij die onroerende zaak voordien op eenvoudige wijze te gelde kan maken en de opbrengst kan laten overboeken naar Nederland. Hetzelfde geldt voor reeds opgebouwde rechten op een overheidsuitkering die vóór het doen van afstand in het geheel kunnen worden uitgekeerd aan verzoeker. Verzoeker zal dan ook aan de hand van de desbetreffende wettelijke bepalingen dan wel verklaringen van de autoriteiten van het herkomstland moeten aantonen dat de rechten of eigendommen niet vóór het doen van afstand te gelde kunnen worden gemaakt, aldus de Handleiding. Dit geldt niet indien die vermogensbestanddelen slechts onder voor verzoeker onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden te gelde kunnen worden gemaakt.

Ten slotte dient de verzoeker volgens de Handleiding aan te tonen dat het financiële verlies voor hem substantieel is. Dit wordt bepaald aan de hand van de verhouding tussen de waarde van de rechten en eigendommen die worden verloren én het overig vermogen (dit zijn de vermogensbestanddelen in Nederland en in het buitenland die door het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet worden aangetast). Indien het verlies aan vermogensrechtelijke rechten door het doen van afstand slechts zeer klein is, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het verlies zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt in dit kader een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel. Indien verzoeker door het doen van afstand een bedrag verliest dat lager ligt dan (of gelijk is aan) het minimum financieel nadeel, kan het te verliezen bedrag niet als substantieel worden aangemerkt. Indien verzoeker een bedrag verliest dat hoger ligt dan (of gelijk is aan) het maximum financieel nadeel, kan het te verliezen bedrag - ongeacht het vermogen van de verzoeker - als substantieel worden aangemerkt, aldus de Handleiding.

2.2. [appellant] klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet in de bestuurlijke fase door middel van stukken heeft aangetoond wat de contante waarde van zijn pensioenrechten op dat moment was. Hij voert daartoe aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, hij niet heeft gesteld dat de waarde van een pensioen nooit goed kan worden bepaald en stelt dat hij met stukken heeft aangetoond dat de definitieve waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken kan worden vastgesteld vanaf het moment van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Hij betoogt daartoe verder dat hij heeft aangetoond dat hij ingevolge de Oekraïense wetgeving recht heeft op een pensioen dat niet minder is dan de minimale pensioenuitkering in Oekraïne en voorts dat hij de hoogte van de minimale pensioenuitkering en de hoogte van de maximale pensioenuitkering in Oekraïne heeft aangetoond. De contante waarde van zijn pensioenrechten ligt tussen de hoogte van de minimale en de maximale pensioenuitkering in Oekraïne en de hoogte van de minimale pensioenuitkering in Oekraïne is hoger dan het maximum financieel nadeel als bedoeld in de Handleiding, aldus [appellant]. Hij betoogt dat de rechtbank daarom een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd, nu de rechtbank niet het reeds opgebouwde pensioen heeft gerelateerd aan het minimum en maximum financieel nadeel als bedoeld in de Handleiding en niet heeft onderkend dat hij geen eigen vermogen heeft.

[appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn stelling dat het financieel nadeel berekend moet worden aan de hand van zijn leeftijdsverwachting, niet kan slagen. [appellant] stelt dat hij de huidige waarde van zijn pensioenrechten heeft gebaseerd op de hoogte van de minimale pensioenuitkering zoals die ten tijde van de bestuurlijke fase in Oekraïne was.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2007 in zaak nr. 200608887/1) kan volgens de Handleiding alleen financieel nadeel dat een gevolg is van het verlies van in het land van herkomst bestaande vermogensrechten ertoe leiden dat van een verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Voorts volgt uit hetgeen de Afdeling in die uitspraak heeft overwogen dat het aan [appellant] was om de contante waarde van de opgebouwde pensioenrechten in de bestuurlijke fase aan te tonen.

2.2.2. Uit een door [appellant] in de bestuurlijke fase overgelegde brief van het Pensioenfonds van Oekraïne, dat belast is met uitbetaling van de pensioenen in Oekraïne, van 26 maart 2009 blijkt dat het niet mogelijk is om de hoogte van de pensioenuitkering waarop [appellant] recht heeft op dat moment vast te stellen. Nu de waarde van de pensioenrechten van [appellant] niet kan worden vastgesteld, heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] in de bestuurlijke fase niet heeft aangetoond dat hij door afstand te doen van zijn Oekraïense nationaliteit substantieel financieel nadeel lijdt als gevolg van het verlies van rechten. De door [appellant] zelf opgestelde berekening van de huidige waarde van zijn pensioenrechten op grond van de Oekraïense wetgeving, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu, nog geheel daargelaten dat [appellant] deze berekening niet in de bestuurlijke fase maar eerst in beroep en uitgebreider in hoger beroep heeft overgelegd, [appellant] daarmee niet met bewijsstukken, afkomstig van een bevoegde overheidsinstantie, als bedoeld in de Handleiding heeft aangetoond wat de waarde van zijn thans bestaande pensioenrechten is. Dat [appellant] de hoogte van de minimale en de maximale pensioenuitkering in Oekraïne zou hebben aangetoond, doet daar niet aan af, omdat daaruit evenmin blijkt wat de contante waarde van de pensioenrechten van [appellant] is.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] klaagt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij dezelfde stukken heeft overgelegd als zijn [moeder] in haar naturalisatieprocedure heeft overgelegd en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel daarom faalt. [appellant] wijst daartoe op de onderzoeksplicht van de minister, neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, en hij betoogt dat de minister de stukken uit het dossier van zijn moeder bij de beoordeling van zijn verzoek had dienen te betrekken. [appellant] stelt dat uit vergelijking van beide dossiers is gebleken dat hij dezelfde stukken heeft overgelegd als zijn moeder en betoogt dat hij derhalve evenals zij voldoet aan het beleid als in 2.1.1 weergegeven. De stelling van de minister dat zijn moeder bij haar verzoek de actuele waarde van haar pensioenuitkering had aangetoond, is voorts onjuist, aldus [appellant].

2.3.1. De minister heeft zich in het besluit van 15 september 2009 op het standpunt gesteld dat de omstandigheden van de moeder bij de inwilliging van haar verzoek om naturalisatie wezenlijk verschillen van die van [appellant]. In zijn verweerschrift in hoger beroep van 9 augustus 2011 en ter zitting heeft de minister dit standpunt nader toegelicht. De minister heeft daartoe gesteld dat de moeder op het moment van de beoordeling van haar verzoek tot verlening van het Nederlanderschap zicht had op een volledig arbeidspensioen in Oekraïne, omdat zij een arbeidsverleden had van minimaal twintig jaar. Niet in geschil is dat [appellant], die is geboren in 1977 en sedert 2001 hier te lande verblijf heeft, geen arbeidsverleden heeft dat voldoende jaren bestrijkt om aanspraak te kunnen maken op een volledig arbeidspensioen in Oekraïne. Nu om die reden geen sprake is van gelijke gevallen, heeft de rechtbank terecht overwogen het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

Daargelaten dat de minister blijkens het besluit van 15 september 2009 het dossier van de moeder wel heeft betrokken bij de beoordeling van het verzoek van [appellant], faalt het betoog dat de minister zijn onderzoeksplicht heeft geschonden evenzeer, reeds nu het volgens de Handleiding aan degene is die een verzoek om verlening van het Nederlanderschap indient om aan te tonen dat van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

32-692.