Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8798

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201010015/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het college aan de naamloze vennootschap Afvalsturing Friesland N.V. (hierna: Omrin) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een reststoffen-energiecentrale aan de Lange Lijnbaan 14 te Harlingen. Dit besluit is op 8 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 20.1
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 10.14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/30 met annotatie van Van der Meijden
JM 2012/59 met annotatie van Y. Flietstra
JOM 2012/421
JAF 2012/29 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010015/1/A4.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Waddenvereniging, gevestigd te Harlingen,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. de stichting Stichting Afvaloven Nee, gevestigd te Wijnaldum, gemeente Harlingen,

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], gemeente Harlingen, en anderen,

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats], gemeente Harlingen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het college aan de naamloze vennootschap Afvalsturing Friesland N.V. (hierna: Omrin) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een reststoffen-energiecentrale aan de Lange Lijnbaan 14 te Harlingen. Dit besluit is op 8 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben Waddenvereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2010, Afvaloven Nee en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2010, [appellant sub 4] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2010, en [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2010, beroep ingesteld. Waddenvereniging heeft haar beroep aangevuld bij brief van 15 december 2010. [appellant sub 4] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 22 december 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft op 3 mei 2011 en 2 december 2011 deskundigenberichten uitgebracht. Omrin, [appellant sub 2], Afvaloven Nee en anderen, [appellant sub 4] en anderen en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 2], Afvaloven Nee en anderen, [appellant sub 4] en anderen, Omrin en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2012, waar Waddenvereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door [appellant sub 2], Afvaloven Nee en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Rotterdam, [appellant sub 4] en anderen, van wie [appellanten sub 4] in persoon en bijgestaan door mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, en [appellanten sub 5], [appellant sub 5], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. ten Veen en mr. J.C. van Oosten, beiden advocaat te Amsterdam, en ir. R.J.A.L. van Os, ir. V.V. Besellink, ir. A.M. Schakel, ing. D. Spoelstra, ing. N.G. Kistemaker en mr. E.A. Verbuijs, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Omrin, vertegenwoordigd door mr. H.M. Giezen, advocaat te Amsterdam, en [partijen], als partij gehoord.

2. Overwegingen

Eerdere procedure

2.1. Het college heeft eerder bij besluit van 16 december 2008 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor deze inrichting. Bij uitspraak van 13 januari 2010, zaak nr. 200900542/1/M1 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.

Overgangsrecht Wabo

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Belanghebbendheid

2.3. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3.1. [appellant sub 3a], die deel uitmaakt van Afvaloven Nee en anderen, woont op ongeveer 10 kilometer van de inrichting. [appellant sub 3b], [appellant sub 3c], [appellant sub 3d] en [appellant sub 3e], die eveneens deel uitmaken van Afvaloven Nee en anderen, wonen op een afstand van ongeveer vijf kilometer van de inrichting. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat ter plaatse van hun woningen milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. Gelet hierop kunnen [appellant sub 3a], [appellant sub 3b], [appellant sub 3c], [appellant sub 3d] en [appellant sub 3e] niet worden aangemerkt als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep van Afvaloven Nee en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 3a], [appellant sub 3b], [appellant sub 3c], [appellant sub 3d] en [appellant sub 3e], is niet-ontvankelijk. In het vervolg van deze uitspraak worden met Afvaloven Nee en anderen bedoeld Afvaloven Nee en anderen, met uitzondering van [appellant sub 3a], [appellant sub 3b], [appellant sub 3c], [appellant sub 3d] en [appellant sub 3e].

Intrekking beroepsgrond

2.4. Waddenvereniging heeft haar beroepsgrond met betrekking tot fluoride ter zitting ingetrokken.

Aanvraag

2.5. Afvaloven Nee en anderen stellen dat een nieuwe aanvraag ingediend had moeten worden, omdat de aanvraag onoverzichtelijk en onleesbaar is geworden door de vele wijzigingen. Verder stellen Afvaloven Nee en anderen dat de kadastrale gegevens in de aangevulde aanvraag afwijken van de gegevens in de oorspronkelijke aanvraag.

2.5.1. Het college stelt dat de aanvraag voldoende overzichtelijk is voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. De aanvraag bestaat uit drie delen:

Deel A: Aanpassingen en aanvullingen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2010, zaak nr. 200900542/1/M1 en naar aanleiding van wijzigingen in wet- en regelgeving.

Deel B: Alle eerdere aanvullingen op de oorspronkelijke aanvraag zijn in dit deel in verschillende kleurmarkeringen aangegeven.

Deel C: Een integrale versie van de aanvraag (zonder kleurmarkeringen). Deel C geeft een integraal beeld van de uiteindelijke aanvraag.

2.5.2. Hetgeen Afvaloven en anderen hebben aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende duidelijk is en voldoende inzicht geeft voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.5.3. De kadastrale nummers, zoals die zijn genoemd in de aanvraag, verschillen van de genoemde nummers in het dictum van het bestreden besluit. In het deskundigenbericht van 3 mei 2011 is vastgesteld dat de begrenzing van de inrichting door de hernummering van de kadastrale percelen niet is gewijzigd. In de aanvraag is uitgegaan van een verouderde kadastrale nummering. In het dictum zijn de juiste kadastrale nummers opgenomen. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. De beroepsgrond faalt ook in zoverre.

Eén inrichting

2.6. Afvaloven en anderen stellen dat de inrichting van Omrin één inrichting vormt met de nabijgelegen zoutfabriek van Frisia, de warmtekrachtcentrale (hierna: WKC) op het terrein van Frisia en de hogedrukleiding tussen de WKC en Omrin. Omrin is voor het behalen van het vereiste energierendement immers afhankelijk van de WKC, aldus Afvaloven Nee en anderen.

2.6.1. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 januari 2010 in zaak nr. 200900542/1/M1), maken de leidingen tussen Omrin en de WKC geen deel uit van de inrichting van Omrin. Vast staat verder dat de WKC niet als onderdeel van de inrichting van Omrin is aangevraagd. De WKC maakt deel uit van de inrichting van Frisia. Daarvoor is op 29 september 2008 een vergunning verleend door de minister van Economische Zaken. Hoewel er bindingen zijn tussen de inrichting van Frisia en Omrin, zoals de levering van energie van Omrin aan Frisia, zijn deze niet van dien aard dat deze inrichtingen moeten worden aangemerkt als één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Het college heeft derhalve terecht slechts vergunning verleend voor de aangevraagde reststoffen-energiecentrale. De beroepsgrond faalt.

Energierendement

2.7. [appellant sub 4] en anderen en Afvaloven Nee en anderen stellen dat het berekende energierendement niet haalbaar is, als de inrichting van Omrin en de WKC niet één inrichting vormen, daar zonder de WKC het energierendement immers niet haalbaar is.

2.7.1. Uit het BREF Waste Incineration (hierna: het BREF) volgt dat bij de keuze voor een locatie voor een nieuwe afvalverbrandinginstallatie rekening moet worden gehouden met een maximaal gebruik van de restwarmte. In het BREF wordt aangegeven dat kan worden gedacht aan afname door industriële gebruikers. Bij de locatiekeuze heeft Omrin de afzet van restwarmte een rol laten spelen door de inrichting nabij de inrichting van Frisia te situeren, zodat restwarmte kan worden geleverd aan de WKC van Frisia. In zoverre worden de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken toegepast. Dat de WKC geen onderdeel uitmaakt van de inrichting, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat bij het berekenen van het energierendement geen rekening kan worden gehouden met de levering van restwarmte aan de WKC. De beroepsgrond faalt.

Bestemmingsplan

2.8. Afvaloven Nee en anderen, Waddenvereniging en [appellant sub 2] stellen dat de vergunningverlening in strijd is met het geldende bestemmingsplan en dat de vergunning op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer had moeten worden geweigerd. Zij voeren hiertoe aan dat het geldende bestemmingsplan, in tegenstelling tot het eerdere bestemmingsplan, voor de gronden waarop de inrichting is gelegen de eist stelt van zeehavengebondenheid van te vestigen inrichtingen. Nu de inrichting niet zeehavengebonden is, zijn fysieke uitbreidingen van de inrichting niet toegestaan. Voor de nog te bouwen bouwwerken ten behoeve van de inrichting kunnen geen bouwvergunningen worden verleend, waardoor de inrichting niet in werking kan treden zoals deze is vergund.

2.8.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.8.2. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was het bestemmingsplan "Industriehaven 2006" van kracht. Daarin is opgenomen dat inrichtingen op het bedrijventerrein waar de inrichting gevestigd is, slechts bestemd is voor zeehavengebonden inrichtingen. Het college en Omrin stellen dat de inrichting zeehavengebonden is. Volgens Afvaloven Nee en anderen, Waddenvereniging en [appellant sub 2] is de inrichting niet zeehavengebonden. Het college stelt verder dat het, daargelaten het antwoord op de vraag of er op het punt van de zeehavengebondenheid strijd bestaat met het geldende bestemmingsplan, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ervan is uitgegaan dat de voor de inrichting benodigde bouwvergunningen zouden worden verleend en dat het voornemens was hoe dan ook medewerking te verlenen aan vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer.

2.8.3. In hetgeen Afvaloven Nee en anderen, Waddenvereniging en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college, gelet op voornoemde motivering, niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van gebruikmaking van de bevoegdheid om de gevraagde vergunning op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer te weigeren. De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.9. [appellant sub 5], Afvaloven Nee en anderen, Waddenvereniging en [appellant sub 4] en anderen stellen dat de verspreidingsberekeningen die ten grondslag liggen aan de beoordeling van onder meer de luchtkwaliteit, niet juist zijn uitgevoerd. Zij stellen in dit verband dat het gehanteerde Nieuw Nationaal Model (hierna: het NNM) geen rekening houdt met de ter plaatse van de inrichting voorkomende verschijnselen van kustlijnfumigatie en fumigatie onder zeebriescondities. Verder stellen zij dat het NNM niet is gevalideerd voor verspreidingsberekeningen boven grote wateroppervlakten en boven zee. Waddenvereniging stelt dat ten onrechte geen berekeningen van verspreiding boven zee zijn gemaakt. [appellant sub 5] stelt voorts dat ten onrechte geen beschrijving van het toegepaste windturbine zogmodel is gegeven en dat ten onrechte niet de invloed van meerdere windturbines is meegenomen in de beoordeling. Verder is volgens [appellant sub 5] van onjuiste meteorologische gegevens uitgegaan. [appellant sub 4] en anderen stellen dat de invloed van de windturbines, gebouwen en zeedijk onvoldoende bij de beoordeling van de schoorsteenhoogte is betrokken. [appellant sub 5], Afvaloven Nee en anderen, Waddenvereniging en [appellant sub 4] en anderen stellen tot slot dat een windtunnelonderzoek had moeten plaatsvinden.

2.9.1. Ingevolge artikel 75, eerste lid, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (hierna: de Regeling) vindt het door middel van berekening vaststellen van de concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij inrichtingen plaats volgens standaardrekenmethode 3, de rekenmethode van het Nieuw Nationaal Model, voor zover de desbetreffende situatie valt binnen het toepassingsgebied van die rekenmethode.

Ingevolge het tweede lid, kan van standaardrekenmethode 3, genoemd in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk worden afgeweken, mits een andere methode waarmee wordt afgeweken passend is en gelijkwaardig aan standaardrekenmethode 3.

Ingevolge het derde lid, wordt in situaties voor zover die buiten het toepassingsgebied vallen van standaardrekenmethode 3 een andere, passende methode toegepast.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, kunnen bestuursorganen van een andere methode als bedoeld in artikel 75, tweede of derde lid, gebruik maken indien het gebruik van die andere methode is goedgekeurd door de Minister.

2.9.2. De verspreidingsberekeningen die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, zijn uitgevoerd met toepassing van het NNM. In paragraaf 2.1.1 van deel I van de Handreiking Nieuw Nationaal Model (www.infomil.nl) is aangegeven dat de huidige implementaties van het NNM in principe niet geschikt zijn voor het berekenen van verspreiding boven zee, IJsselmeer of Waddenzee. De inrichting is gelegen aan de Waddenzee. Dit betekent dat het NNM in beginsel niet kan worden toegepast voor de berekening van verspreiding van luchtverontreinigende stoffen vanwege de inrichting. Voor een situatie zoals hier aan de orde, is geen rekenmodel beschikbaar dat op grond van artikel 76, eerste lid, van de Regeling is goedgekeurd.

2.9.3. Hoewel uit deel I van de Handreiking Nieuw Nationaal Model volgt dat het NNM in principe niet geschikt is voor de beoordeling van verspreiding boven de Waddenzee, is wegens het ontbreken van een alternatieve rekenmethode in de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verspreidingsberekening van KEMA toch aansluiting gezocht bij het NNM. Daarbij heeft KEMA een kustlijnfumigatiemodel in het gehanteerde rekenmodel ingebouwd. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2010, zaak nr. 200900542/1/M1 is een aanvullende uitleg op de verspreidingsberekeningen bij het bestreden besluit gevoegd. Naar aanleiding van het deskundigenbericht van 3 mei 2011 zijn door KEMA aanvullende verspreidingsberekeningen uitgevoerd. Deze aanvullende berekeningen zijn neergelegd in rapportages van 7 juni 2011 en 17 juni 2011.

2.9.4. In het deskundigenbericht van 3 mei 2011 wordt geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de aanwezigheid van de zeedijk invloed heeft op de uitkomst van de verspreidingsberekeningen. Verder wordt geconcludeerd dat voor de meteorologische gegevens conform het NNM de windrichting en -snelheid kwadratisch zijn geïnterpoleerd tussen Schiphol en Eindhoven. In het deskundigenbericht van 2 december 2011 is geconcludeerd dat het gemodelleerde vervangingsgebouw als voldoende representatief voor de beoordeling van de verspreiding van luchtverontreinigende stoffen en geur moet worden aangemerkt. Ten aanzien van het zog-model wordt in laatstgenoemd deskundigenbericht geconcludeerd dat het een goedgekeurd model op grond van de Regeling betreft en dat aan de toepassingsvereisten die aan die goedkeuring zijn verbonden, wordt voldaan. Verder wordt geconcludeerd dat als boven land wordt voldaan aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden uit de Wet milieubeheer, het onwaarschijnlijk is dat een overschrijding op zee zal plaatsvinden. Een beoordeling boven zee, daargelaten de vraag of dit vereist is, heeft in zoverre geen toegevoegde waarde. In het deskundigenbericht van 2 december 2011 wordt tot slot geconcludeerd dat de uitgevoerde verspreidingsberekeningen kunnen worden aangemerkt als worst case berekeningen. De Afdeling ziet geen grond om aan de juistheid van deze conclusies in de deskundigenberichten te twijfelen.

2.9.5. Ten aanzien van de bruikbaarheid van de uitgevoerde verspreidingsberekeningen overweegt de Afdeling dat, wat er ook zij van de toepasbaarheid van het gehanteerde rekenmodel, uit de overgelegde berekeningen blijkt dat kustlijnfumigatie, nog daargelaten de vraag of met dit verschijnsel rekening moet worden gehouden, in dit geval geen significante invloed heeft op de uitkomst van de berekeningen. In het deskundigenbericht van 2 december 2011 wordt geconcludeerd dat de emissies van de inrichting bij de worst case berekeningen zo laag zijn dat de luchtkwaliteitsgrenswaarden uit de Wet milieubeheer ruim worden onderschreden. Dit is door [appellant sub 5], Afvaloven Nee en anderen, Waddenvereniging en [appellant sub 4] en anderen niet bestreden. Hieruit volgt volgens het deskundigenbericht dat eventuele onzekerheden in het gehanteerde verspreidingsmodel, zoals de invloed van kustlijnfumigatie, geen zodanige invloed zullen hebben op deze uitkomst, dat dit tot gevolg heeft dat de normen worden overschreden. De immissies zouden minimaal 14 keer hoger moeten zijn om tot een overschrijding van de luchtkwaliteitsgrenswaarden te komen, hetgeen volgens het deskundigenbericht niet realistisch is. In hetgeen [appellant sub 5], Afvaloven Nee en anderen, Waddenvereniging en [appellant sub 4] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat het bij de aanvraag behorende luchtkwaliteitonderzoek niet aan het bestreden besluit ten grondslag kon worden gelegd. De beroepsgrond faalt.

Opslag bodemas

2.10. Afvaloven Nee en anderen vrezen voor geurhinder vanwege het onoverdekt buiten opslaan van 10.000 ton bodemas. Bovendien worden volgens hen niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken toegepast, omdat 1.600 ton bodemas zonder overkapping en zonder windbescherming mag worden opgeslagen.

2.10.1. Op grond van vergunningvoorschrift 4.2.13 dienen bodemassen te worden opgeslagen in een ruimte die aan drie zijden gesloten is, direct aansluitend op het dak.

Op grond van vergunningvoorschrift 4.2.14 mag daarnaast, enkel in geval van stagnatie in de afvoer van bodemas, in afwijking van voorschrift 4.2.13, maximaal 1.600 ton bodemas worden opgeslagen op het buitenterrein. Indien meer dan 1.600 ton met een maximum van 10.000 ton onoverdekte buitenopslag gewenst is, dient overeenkomstig de Nederlandse Emissierichtlijn Lucht (hierna: de NeR) een onderzoek naar de kostenefficiency van de overdekte opslag ten opzichte van andere stuifbeperkende maatregelen ter goedkeuring aan het college overgelegd te worden.

Op grond van vergunningvoorschrift 4.2.15 dient bodemas dat buiten opgeslagen wordt, te worden voorzien van een korstvormend middel.

2.10.2. Uit voornoemde voorschriften volgt dat bodemas inpandig wordt opgeslagen. De stelling dat 10.000 ton bodemas op grond van de bij het bestreden besluit verleende vergunning onoverdekt buiten mag worden opgeslagen, mist feitelijke grondslag.

2.10.3. In geval van stagnatie mag maximaal 1.600 ton bodemas buiten opgeslagen worden, mits het wordt voorzien van een korstvormend middel. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat dit in overeenstemming is met de eisen uit de NeR. Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten, houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten vermeld in de tabellen 1 en 2 van de bij deze regeling behorende bijlage. De NeR is opgenomen in tabel 2 van de Regeling aanwijzing BBT-documenten. In zoverre worden de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken toegepast. De beroepsgrond faalt.

Geur

2.11. Afvaloven Nee en anderen en Waddenvereniging vrezen voor geurhinder. Afvaloven Nee en anderen vrezen voor stank uit de afvalbunker. Waddenvereniging stelt dat geurimmissienormen hadden moeten worden gesteld en dat in de verspreidingsberekeningen ten onrechte geen rekening is gehouden met uitval van de oven.

2.11.1. Het college heeft voor het stellen van vergunningvoorschriften voor geur aangesloten bij de NeR. Daarbij is het college uitgegaan van een maximaal toegestane geurimmissie van 0,5 OUE/m3 (als 98-percentiel). Afvaloven Nee en anderen en Waddenvereniging hebben niet betwist dat deze norm toereikend is ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder vanwege de inrichting. In hoofdstuk 5 van de vergunningvoorschriften zijn emissiegrenswaarden gesteld voor geur. Met die normen moet worden gewaarborgd dat aan de geurimmissienorm van 0,5 OUE/m3 wordt voldaan. Het college heeft ervoor gekozen emissienormen te stellen, omdat deze beter handhaafbaar zijn dan immissiegrenswaarden. Dit volgt ook uit de NeR, waarin is opgenomen dat een immissiegrenswaarde die (in OUE/m3) in een voorschrift is vastgelegd, niet direct door een immissiemeting (concentratiemeting in het veld) kan worden gecontroleerd. Controle van een dergelijk voorschrift kan alleen via een concentratiemeting aan de bron, gevolgd door een verspreidingsberekening. Handhaving van de voorschriften moet volgens de NeR gericht zijn op controle van de omvang van de emissie van geur, de omvang van de geurbelasting en de eventuele aanwezigheid en de goede werking van voorzieningen. Het college heeft gelet hierop in redelijkheid emissiegrenswaarden aan de vergunning kunnen verbinden. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.11.2. In het deskundigenbericht van 3 mei 2011 is geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat er geuremissie zal optreden vanuit de afvalbunker. Bovendien is bij de beoordeling van geurhinder rekening gehouden met hogere emissies als gevolg van storingen. Verder wordt geconcludeerd dat de in de vergunningvoorschriften gestelde emissie-eisen in beginsel garanderen dat de immissiewaarde van 0,5 OUE/m3 niet wordt overschreden. In het deskundigenbericht van 2 december 2011 is geconcludeerd dat uit de worst case berekeningen van KEMA van 7 juni 2011 en 17 juni 2011, waarbij ook het effect van meerdere windturbines inzichtelijk is gemaakt, blijkt dat wordt voldaan aan de geurimmissienorm van 0,5 OUE/m3. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. Het college heeft derhalve terecht gesteld dat met de gestelde emissiegrenswaarden wordt gewaarborgd dat de geurimmissienorm van 0,5 OUE/m3 wordt nageleefd. De beroepsgrond faalt.

WVO

2.12. Voor zover Afvaloven Nee en anderen stellen dat de in de voor de inrichting verleende vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: WVO-vergunning) gestelde normen worden overschreden, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond niet ziet op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Ter beoordeling staat of het college kon overgaan tot vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer. Bij die beoordeling speelt de naleving van de WVO-vergunning geen rol. De beroepsgrond faalt.

Bodemverontreiniging

2.13. Afvaloven Nee en anderen stellen dat het uitgevoerde nulsituatie- bodemonderzoek, waarvan op 10 maart 2009 een rapport met projectnr. 16546196501 is opgesteld en dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag, ontoereikend is, omdat de nulmeting is gedaan op het moment dat de grond reeds geroerd was. Verder stellen zij dat tevens een nulmeting gedaan had moeten worden op de plek waar ten tijde van de metingen ten behoeve van voornoemd rapport een kantoorgebouw stond en waar nu bodemas wordt opgeslagen.

2.13.1. Het college stelt dat het gehele terrein van de inrichting is opgehoogd met een homogene toplaag. Hierdoor zijn de metingen op het terrein van de inrichting representatief voor de locatie waar geen meting kon worden verricht vanwege de aanwezigheid van het kantoorgebouw. In het deskundigenbericht van 3 mei 2011 wordt deze conclusie bevestigd. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat het uitgevoerde nulsituatie- bodemonderzoek ontoereikend is om de mate van bodemverontreiniging vast te stellen. De beroepsgrond faalt.

Veiligheid

2.14. Afvaloven Nee en anderen stellen dat in het lichtplan ten onrechte niet is voorzien in een rood toplicht op de schoorsteen van de inrichting. Dit levert naar hun mening onaanvaardbare veiligheidsrisico's voor het vliegverkeer op.

2.14.1. Afvaloven Nee en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat er zodanige veiligheidsrisico's voor het vliegverkeer optreden vanwege de inrichting, dat daarom de vergunning moest worden geweigerd of nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden. De beroepsgrond faalt.

Biomassa

2.15. Afvaloven Nee en anderen stellen dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is, omdat het bij de aanvraag behorende afvalacceptatiebeleid wel biomassa noemt als afval dat wordt geaccepteerd, terwijl dit volgens het college niet is vergund.

2.15.1. Uit de aanvraag blijkt dat de acceptatie van biomassa niet is aangevraagd. Het afvalacceptatiebeleid ziet niet op de acceptatie van biomassa. De beroepsgrond mist feitelijke grondslag.

Doelmatig beheer van afvalstoffen

2.16. Afvaloven Nee en anderen stellen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van doelmatig beheer van afvalstoffen. Uit het Landelijk Afvalbeheersplan 2 (hierna: LAP 2) volgt dat er onvoldoende afval beschikbaar is voor de inrichting. Dit zal volgens hen stilstand en mogelijke storingen tot gevolg hebben.

2.16.1. Het college heeft de aanvraag getoetst aan het LAP 2 en vastgesteld dat daaraan wordt voldaan. In dit verband wijst het college erop dat het LAP 2, anders dan het LAP 1, geen capaciteitsregulering kent. Dit betekent dat de capaciteit van de inrichting niet hoeft te worden getoetst aan de totale verbrandingscapaciteit in Nederland. Afvaloven en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de inrichting niet voldoet aan het LAP 2. Er bestaat in zoverre dan ook geen grond voor het oordeel dat er geen doelmatig beheer van afvalstoffen plaatsvindt binnen de inrichting. De beroepsgrond faalt.

Storingen

2.17. Waddenvereniging en Afvaloven Nee en anderen vrezen dat de voor de inrichting geldende emissie- en immissienormen zullen worden overschreden als gevolg van storingen in de inrichting.

2.17.1. In de deskundigenberichten van 3 mei 2011 en 2 december 2011 wordt geconcludeerd dat in de aanvraag een nauwkeurige prognose van het aantal storingsuren per jaar is gemaakt. Als gevolg van de storingsemissies zal er, uitgaande van het gehanteerde verpreidingsmodel, geen overschrijding van de voor de inrichting geldende normen optreden, aldus de deskundigenberichten. In hetgeen Waddenvereniging en Afvaloven Nee hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. Het college heeft derhalve terecht gesteld dat ook tijdens storingen wordt voldaan aan de voor de inrichting geldende emissie- en immissienormen. De beroepsgrond faalt.

Opstartperiode

2.18. Afvaloven Nee en anderen voeren aan dat gedurende een jaar ten onrechte hogere emissienormen zijn toegestaan voor het inregelen van de inrichting. Volgens hen zou dit beperkt moeten worden tot een half jaar.

2.18.1. In vergunningvoorschrift 4.2.1 zijn grenswaarden gesteld voor de jaargemiddelde emissies van verschillende componenten tot een jaar na inbedrijfstelling van de verbrandingsinstallatie. Vanaf een jaar na inbedrijfstelling van de verbrandingsinstallatie moet aan de strengere jaargemiddelde emissiegrenswaarden uit vergunningvoorschrift 4.2.4 worden voldaan. Aan de in vergunningvoorschrift 4.2.2 gestelde grenswaarden voor de daggemiddelde emissie moet vanaf inbedrijfstelling van de verbrandingsinstallatie, dus ook in de opstartperiode, worden voldaan.

2.18.2. In het deskundigenbericht van 3 mei 2011 wordt geconcludeerd dat de in vergunningvoorschrift 4.2.2 gestelde grenswaarden voor de daggemiddelde emissies overeenkomen met de toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. Uit het bestreden besluit blijkt dat de in vergunningvoorschrift 4.2.1 gestelde jaargemiddelde emissiegrenswaarden voor de opstartperiode zijn afgeleid van de daggemiddelde emissiegrenswaarden. De Afdeling ziet in hetgeen Afvaloven Nee en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college deze jaargemiddelde emissiegrenswaarden niet in redelijkheid kon stellen voor het eerste jaar na inbedrijfstelling van de verbrandingsinstallatie. Dat wellicht binnen een half jaar na inbedrijfstelling van de verbrandingsinstallatie aan strengere emissiegrenswaarden kan worden voldaan, wat daar verder ook van zij, maakt niet dat vergunningvoorschrift 4.2.1 ontoereikend is. De beroepsgrond faalt.

Rookgasreinigingsinstallatie

2.19. [appellant sub 2] stelt dat ten onrechte niet is gekozen voor natte rookgasreiniging en dat daarom niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Het systeem van natte rookgasreiniging is beter dan droge rookgasreiniging, aldus [appellant sub 2].

2.19.1. In het deskundigenbericht van 3 mei 2011 wordt geconcludeerd dat de aangevraagde configuratie en rookgasreinigingsinstallatie op grond van het BREF kunnen worden aangemerkt als een van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Met de aangevraagde en vergunde schoorsteenhoogte kan, de geschiktheid van het verspreidingsmodel in dit verband daargelaten, worden voldaan aan de luchtkwaliteitseisen. De Afdeling ziet geen grond om aan de juistheid van deze conclusies van het deskundigenbericht te twijfelen.

Reactie op zienswijzen

2.20. [appellant sub 2] stelt dat het college niet op juiste wijze heeft gereageerd op zijn zienswijzen. Het college heeft ten onrechte een samengevatte weergave van de zienswijzen in het bestreden besluit opgenomen en de originele zienswijzen ten onrechte niet bijgevoegd, aldus [appellant sub 2].

2.21. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de naar voren gebrachte zienswijzen samengevat worden weergegeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vergunningverlening niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

2.22. Het beroep van Afvaloven Nee en anderen is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. De beroepen van Waddenvereniging, [appellant sub 2], [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 5] zijn ongegrond.

2.23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de stichting Stichting Afvaloven Nee en anderen niet-ontvankelijk voor zover het beroep is ingesteld door [appellant sub 3a], [appellant sub 3b], [appellant sub 3c], [appellant sub 3d] en [appellant sub 3e];

II. verklaart het beroep van de stichting Stichting Afvaloven Nee en anderen voor het overige ongegrond;

III. verklaart de beroepen van de vereniging Waddenvereniging, [appellant sub 2], [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 5] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

492.